Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1928

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
6329400 UT VERZ 17-24031
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voorligt het verzoek om de som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW vast te stellen. De kantonrechter wijst dit verzoek af omdat niet is gebleken dat de verdiencapaciteit van verzoeker door de zorg voor erflater is aangetast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6329400 UT VERZ 17-24031

Beschikking d.d. 1 mei 2018

Inzake het verzoek van

[verzoekster] ,

gemachtigde mr. M.G. Hees,

verder te noemen: [verzoekster] ,

tegen

[verweerster] ,

gemachtigde: mr. T.A.D. Luijten,

verder te noemen [verweerster] .

Het verzoek heeft betrekking op de nalatenschap van:

[erflater] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927, overleden te [woonplaats] op [2015] , laatst gewoond hebbende te [woonplaats] , verder te noemen erflater.

Belanghebbende in deze zaak is:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [belanghebbende] .

1 De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het vonnis van deze rechtbank van 30 augustus 2017. In dat vonnis is, kort gezegd, bevolen dat de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure en de zaak verwezen naar de kantonrechter. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de kantonrechter naar het vonnis.

Nadien heeft de kantonrechter kennis genomen van 13 aanvullende producties van [verzoekster] , ingekomen op 6 november 2017 en de brief van [verweerster] , ingekomen op 17 november 2017.

Op 30 november 2017 zijn op zitting verschenen: [verzoekster] met haar gemachtigde en [verweerster] met haar gemachtigde. Op deze zitting is [belanghebbende] niet verschenen en is gebleken dat hij op een onjuist adres is opgeroepen. De kantonrechter heeft daarop bepaald dat een nieuwe zitting wordt gepland.

Vervolgens heeft de kantonrechter kennisgenomen van het verweer tegen het zelfstandige verzoek tot opheffing van het conservatoir beslag van [verzoekster] , ingekomen op 16 februari 2018, en de brieven van [verweerster] , ingekomen op 19 februari 2018 en 20 februari 2018.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 22 februari 2018. Hierbij zijn verschenen: [verzoekster] met haar gemachtigde en [verweerster] met haar gemachtigde. [belanghebbende] is ook ter terechtzitting verschenen.

Daarna hebben partijen de kantonrechter bij brieven, ingekomen op 22 maart 2018, 23 maart 2018 en 16 april 2018 bericht dat zij voor een deel van hun geschil overeenstemming hebben bereikt. Deze minnelijke regeling is op verzoek van partijen vastgelegd in een proces-verbaal. [verzoekster] heeft in navolging van de regeling de oorspronkelijke vorderingen, thans verzoeken, onder III en IV ingetrokken.

2 De feiten

Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met [verweerster] . [verzoekster] en [belanghebbende] zijn de twee kinderen van erflater en [verweerster] .

Erflater heeft over zijn nalatenschap bij testament beschikt op 5 november 1986 en op

27 oktober 2011. Daarin is hij niet afgeweken van de wettelijke erfopvolging zodat [verweerster] , [verzoekster] en [belanghebbende] de erfgenamen zijn. Zij hebben allen de nalatenschap zuiver aanvaard.

In het testament van 5 november 1986 heeft erflater de ouderlijke boedelverdeling tot stand gebracht. In het testament van 27 oktober 2011 heeft erflater aanvullend beschikt over zijn nalatenschap waarbij hij zijn inboedel legateert aan zijn kinderen en [verzoekster] tot executeur benoemt. Zij heeft deze benoeming niet aanvaard.

Erflater is per 1 juli 2003 verhuisd naar een woonzorgcentrum. Vanaf die datum woonden erflater en [verweerster] gescheiden.

3 Overwegingen

3.1.

[verzoekster] maakt als kind van erflater op grond van artikel 4:36 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak op een som ineens strekkende tot een billijke vergoeding omdat zij arbeid heeft verricht in zijn huishouding zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen. [verweerster] en [belanghebbende] voeren hiertegen verweer. Hun geschil hierover wordt thans voorgelegd aan de kantonrechter.

3.2.

[verzoekster] stelt dat zij recht heeft op de som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW en verzoekt de kantonrechter deze vast te stellen. Daartoe voert zij aan dat zij gedurende lange tijd, namelijk vanaf het moment dat erflater en [verweerster] niet meer samenwoonden de zorg voor erflater op zich heeft genomen. Deze zorg werd niet, althans minimaal uitbesteed vanwege de kosten daarvoor. De zorg was ook noodzakelijk omdat de instelling waar hij woonde hem niet goed verzorgde, aldus [verzoekster] . [verzoekster] meent dat een economische waarde kan worden toegekend aan de door haar verleende zorg. Tot slot stelt [verzoekster] dat zij door deze intensieve zorg niet in staat was om op haar werk door te groeien naar een hogere functie en meer uren te maken. Derhalve is er sprake van verlies van verdiencapaciteit. [verzoekster] stelt dat zij gedurende 12 jaar voor 25 uur per week arbeid heeft verricht voor erflater. De maximale hoogte van de som ineens, zijnde de helft van de waarde van de nalatenschap, zou € 23.250,-- zijn. Dit zou neerkomen op een uurloon van circa € 1,49. Dat is ruim minder dan het loon wat een professional voor die zorg in rekening zou brengen. Derhalve vraagt [verzoekster] de kantonrechter de som ineens vast te stellen op de helft van de waarde van de nalatenschap, namelijk € 23.250,--.

3.3.

[verweerster] meent dat [verzoekster] geen recht heeft op de som ineens en vraagt het verzoek af te wijzen. Allereerst betwist zij dat erflater hulpbehoevend was vanaf het moment dat hij in het woonzorgcentrum ging wonen in 2003. Pas in 2006/2007 bleek erflater een tumor te hebben en had hij hulp nodig, maar niet in de mate zoals [verzoekster] dat stelt. [verweerster] deed ook huishoudelijke taken voor erflater zoals boodschappen, koken en wassen. Toen zij zelf gezondheidsproblemen kreeg, ongeveer een jaar voor het overlijden van erflater, is [verzoekster] meer betrokken geweest bij de zorg voor erflater. Echter, vanaf dat moment evenmin in de mate waarin [verzoekster] stelt. Daarbij komt dat er wekelijks schoonmaakhulp was alsmede hulp van Vitras. Bovendien zorgde [verzoekster] volgens [verweerster] graag voor erflater en zij had het kunnen aangeven als het te veel was voor haar. Dan zou namelijk extra (professionele) hulp worden ingeschakeld. Resumerend wordt zowel de intensiteit van de zorg als de noodzaak daarvan betwist door [verweerster] . Tot slot is [verzoekster] niet geschaad in haar carrièremogelijkheden. Uit de door [verzoekster] toegestuurde stukken blijkt juist dat zij in de periode waarin zij erflater zou hebben verzorgd 3 uren per week meer is gaan werken. Voorts blijkt uit die stukken dat [verzoekster] de zorg (met name) heeft gedaan in haar vrije tijd, namelijk in de avonden en de weekenden en daarnaast altijd volledig heeft kunnen werken.

3.4.

[belanghebbende] is het eens met hetgeen door [verweerster] is aangevoerd. Hij heeft ter terechtzitting verweer gevoerd tegen het verzoek.

3.5.

De kantonrechter overweegt het volgende. Allereerst staat vast dat [verzoekster] de aanspraak op de som ineens tijdig heeft gedaan. Derhalve dient de kantonrechter te beoordelen of [verzoekster] aanspraak kan maken hierop. In de literatuur en jurisprudentie zijn aan de hand van de wetsgeschiedenis een aantal criteria geformuleerd waaraan moet worden voldaan om een geslaagde aanspraak te doen op de som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW. Zo moet er sprake zijn van (langdurige) arbeid althans zorg. Dat [verzoekster] veel voor erflater heeft gezorgd staat tussen partijen vast. In geschil is echter hoe langdurig en intensief deze zorg was alsmede of deze noodzakelijk was. Één van de criteria is ook dat het kind dat arbeid heeft verricht voor zijn ouder hierdoor is beperkt in zijn of haar mogelijkheden om elders betaalde arbeid te verrichten. Als dat namelijk het geval zou zijn, is dat kind in een slechtere financiële positie geraakt dan de andere erfgenamen, hetgeen de som ineens rechtvaardigt. [verzoekster] stelt dat hiervan sprake is. [verweerster] en [belanghebbende] betwisten dit.

3.6.

De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Uit de stukken (waaronder de dagvaarding onder 19 en de door [verzoekster] overgelegde productie 8) en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [verzoekster] in de gehele periode waarop zij aanspraak maakt op de som ineens -en ook nu nog- bij dezelfde werkgever heeft gewerkt. Zij had aanvankelijk een aanstelling voor 35 uur per week en vervolgens voor 38 uur per week. [verzoekster] heeft in productie 8 bij de dagvaarding uiteengezet dat het aantal uren voor fulltimers bij haar werkgever aanvankelijk 35 uur per week bedroeg en op 1 januari 2008 is verhoogd naar 38 uur per week met een marge. Voorts heeft [verzoekster] zelf ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij de gehele periode een fulltime aanstelling had. Zij voegde toe dat zij vaker 40 uur per week werkte dan 35 of 38 uur per week. Fulltime werken bij de werkgever van [verzoekster] was derhalve een werkweek van (niet meer dan) 35 tot 40 uur per week. Logischerwijs is een aanstelling voor meer uren bij deze werkgever dan niet mogelijk. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] bij een andere werkgever wel meer uren had kunnen (en willen) werken, maar dat dit door de zorg voor erflater niet mogelijk was. Derhalve houdt het argument van [verzoekster] dat zij door de zorg voor erflater bij haar werkgever geen promotie heeft kunnen maken omdat zij voor dergelijke (hogere) functies meer uren werkzaam zou moeten zijn, geen stand.

Van verlies van verdiencapaciteit is in dit opzicht naar het oordeel van de kantonrechter daarom geen sprake. De kantonrechter gaat ook anderszins voorbij aan de stelling van [verzoekster] dat zij in de door haar genoemde periode promotie heeft misgelopen vanwege de zorg voor erflater. Deze door [verweerster] en [belanghebbende] betwiste stelling is door [verzoekster] niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Uit de overgelegde verklaringen van (ex)collega’s blijkt dit naar het oordeel van de kantonrechter namelijk niet. De twee verklaringen die lijken te suggereren dat [verzoekster] een kans zou hebben op een (opleiding voor een) andere functie (eerste medewerkster volgens mw [A] en een administratieve functie volgens [B] ) betreffen jaren (2001 respectievelijk 2002) die gelegen zijn voor de nu door [verzoekster] aangevoerde periode. Bovendien blijkt daaruit onvoldoende dat het zou gaan om een beter betaalde functie. De verklaring van [C] is niet concreet over een promotiemogelijkheid bij de werkgever en gaat bovendien uit van een 35–uurs contract in de periode 2011 tot 2014, terwijl [verzoekster] volgens eigen opgave toen reeds een aanstelling had voor 38 uur per week. De verklaringen van overige collega’s, familie en uroloog spreken over de zorg en geven geen informatie over concrete promotiemogelijkheden voor [verzoekster] .

Resumerend is de kantonrechter niet gebleken dat de verdiencapaciteit van [verzoekster] is aangetast door de zorg voor erflater. Dat betekent dat zij reeds op die grond geen aanspraak kan maken op de som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW. Aan de beoordeling van de stellingen van partijen over de intensiteit van de zorg, de duur en de noodzaak daarvan komt de kantonrechter derhalve niet meer toe. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] om de som ineens vast te stellen zal afwijzen.

3.7

Het verzoek dat ziet op veroordeling van [verweerster] en [belanghebbende] om de som ineens te betalen zal de kantonrechter dus ook afwijzen.

3.8.

Bij beslissing van 21 december 2016 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [verzoekster] uit de nalatenschap van erflater begroot op € 40.000,--. Hierbij is rekening gehouden met de door [verzoekster] gestelde aanspraak op de som ineens en de inmiddels ingetrokken vordering(-en) ter zake van haar erfdeel. Bij dezelfde beslissing is [verzoekster] toegestaan om conservatoir beslag te leggen op de onroerende zaak aan de [adres] [woonplaats] . Dit beslag is gelegd op 21 december 2016. [verweerster] is woonachtig in voormelde woning. Zij vraagt nu om dit conservatoire beslag op te heffen. [verzoekster] voert hiertegen verweer.

3.9.

Op grond van artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is deze kantonrechter bevoegd om over het verzoek tot opheffing van het beslag te oordelen. Het verzoek tot vaststelling van de som ineens, welke onder andere grondslag was voor het leggen van het beslag, wordt afgewezen. Uit de toegestuurde stukken van partijen na de zitting van 22 februari 2018 blijkt dat [verzoekster] nog wel een vordering heeft op [verweerster] , maar dat deze nu niet-opeisbaar is. Derhalve heeft [verzoekster] geen opeisbare vordering op [verweerster] en is de grondslag van het gelegde beslag naar het oordeel van de kantonrechter ondeugdelijk. Daarom zal de kantonrechter het beslag opheffen.

3.10.

Partijen vragen over en weer (proces)kosten veroordeling. De kantonrechter ziet aanleiding om [verzoekster] in de proceskosten te veroordelen, te vermeerderen met de (deurwaarders-)kosten van de opheffing van voornoemd beslag. Zij is immers de in het ongelijk gestelde partij.

4 Beslissing

De kantonrechter:

heft op het op 21 december 2016 door [verzoekster] gelegde beslag op de woning aan de [adres] [woonplaats] ;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, begroot op € 1.737,-- exclusief BTW,

te vermeerderen met de (deurwaarders-)kosten van de opheffing van voornoemd beslag;

verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Smit, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. R.H.M. en Ouden, de griffier.

Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend..