Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1888

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
6555953 UE VERZ 17-538 JH/1050
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Loonvordering werknemer. Bij de berekening van het vakantieloon wordt rekening gehouden met de gemiddelde bonus over een referteperiode van vijf jaar. Geen rekening wordt gehouden met het werkgeversdeel pensioenpremie. Niet kan worden vastgesteld dat de werknemer bij de uitbetaling van niet genoten vakantiedagen zonder dat daarbij het werkgeversdeel van de pensioenpremie is betrokken, in een nadeliger positie is komen te verkeren dan bij het opnemen van die vakantiedagen. Werknemer heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat pensioenopbouw en daarmee loon of beloning voor arbeid verloren is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0540
PJ 2018/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6555953 UE VERZ 17-538 JH/1050

Beschikking van 25 april 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. L.E. Roberts-Hafkamp,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EBN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen EBN,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.W.J. Ariëns.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 29 december 2017, en het verweerschrift van EBN.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018. [verzoeker] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens EBN was mevrouw [A] (HR Manager) aanwezig, eveneens bijgestaan door de gemachtigde. Beide partijen hebben aan de hand van een pleitnota hun standpunten toegelicht. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.

Na de zitting is de zaak aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Bij faxberichten van 3 april 2018 hebben partijen de kantonrechter verzocht om een beschikking te geven. Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1962] , is op 1 juli 2009 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van EBN in de functie van reporting & control specialist. Het brutoloon van [verzoeker] bedroeg laatstelijk € 6.946,35 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de in 2009 door partijen gesloten arbeidsovereenkomst is de regeling arbeidsvoorwaarden van 1 januari 2008 (RA 2008) van toepassing verklaard.

2.2.

In 2012 heeft EBN besloten de RA 2008 te wijzigen. De wijzigingen zijn in twee fasen doorgevoerd. Na instemming van de ondernemingsraad is per 1 januari 2013 een nieuwe beloningssystematiek ingevoerd. [verzoeker] heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de nieuwe beloningssystematiek, maar heeft bij e-mail van 20 december 2012 aan EBN laten weten het met de voorgestelde salarisconversie eens te zijn.

2.3.

Begin 2013 heeft EBN de overige wijzigingen van de regeling arbeidsvoorwaarden doorgevoerd. Eén van die wijzigingen betrof de bepaling dat bovenwettelijke vakantiedagen tijdens langdurige arbeidsongeschiktheid niet worden opgebouwd. Een dergelijk bepaling stond niet in de RA 2008. De OR heeft op 12 april 2013 met de nieuwe regeling arbeidsvoorwaarden (RA 2013) ingestemd.

2.4.

Op 15 april 2013 heeft [verzoeker] een nieuwe arbeidsovereenkomst voor akkoord ondertekend. In artikel 15 van deze arbeidsovereenkomst is opgenomen dat werknemer verklaart de regeling arbeidsvoorwaarden te hebben ontvangen en met de inhoud daarvan akkoord te zijn.

2.5.

In de RA 2013 zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 15. Vakantie

(…)

11. Langdurig zieke werknemers (>42 ziekte dagen) bouwen gedurende hun volledige arbeidsongeschiktheidsperiode alleen wettelijke vakantiedagen op. Zij bouwen geen bovenwettelijke vakantiedagen op. (…) Wanneer tijdens de ziekte periode op vakantie wordt gegaan worden er vakantiedagen afgeschreven. (…)

15. De vergoeding, bij uitdiensttreding, is gebaseerd op het salaris per uur inclusief vakantiebijslag dat de werknemer direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.”

2.6.

Op 28 april 2015 is [verzoeker] arbeidsongeschikt geraakt.

2.7.

In 2017 hebben partijen overleg gehad over beëindiging van de arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst. [verzoeker] heeft bij e-mail van 15 mei 2017 bezwaar gemaakt tegen het door EBN in het kader van een mogelijke eindafrekening gehanteerde vakantieloon en transitievergoeding. EBN heeft hier inhoudelijk op gereageerd. Een regeling tussen partijen is uiteindelijk niet tot stand gekomen.

2.8.

Op 1 juni 2017 heeft EBN het UWV om toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te mogen opzeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft deze toestemming verleend, waarna EBN de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] bij brief van 24 juli 2017 heeft opgezegd tegen 30 september 2017.

2.9.

Tijdens het dienstverband heeft [verzoeker] de volgende bonussen van EBN ontvangen:

  • -

    2009: € 2.785,75 bruto

  • -

    2010: € 1.086,44 bruto

  • -

    2011: € 2.601,36 bruto

  • -

    2012: € 3.919,58 bruto

  • -

    2013: € 7.721,26 bruto

  • -

    2014: € 9.790,77 bruto

  • -

    2015: € 6.920,64 bruto.

2.10.

Bij brief van 27 juli 2017 heeft EBN [verzoeker] een specificatie van de eindafrekening toegezonden. Conform deze specificatie heeft EBN aan [verzoeker] € 19.060,62 bruto uitgekeerd ter zake van transitievergoeding en € 9.589,67 bruto ter zake van 222 verlofuren. In deze brief staat voorts dat EBN [verzoeker] in het kader van de afwikkeling van het dienstverband tegemoet zal komen door het werknemersdeel van de pensioenpremie tot en met 30 september 2017 (ad € 2.100,95 netto in totaal) voor haar rekening te nemen en af te dragen aan de pensioenverzekeraar. [verzoeker] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 28 november 2017 bezwaar gemaakt tegen de eindafrekening.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, EBN te veroordelen tot betaling van:

  1. € 2.182,76 bruto ter zake van het restant van de transitievergoeding;

  2. € 1.929,91 bruto ter zake van achterstallig vakantieloon over de reeds uitbetaalde vakantiedagen;

  3. € 6.226,80 ter zake van onterecht ingehouden vakantiedagen op het vakantiesaldo;

  4. € 25.426,10 bruto ter zake van te weinig opgebouwde bovenwettelijke vakantiedagen tijdens ziekte;

  5. € 2.537,57 bruto aan achterstallig vakantieloon over de reeds tijdens het dienstverband uitbetaalde bovenwettelijke vakantiedagen over 2012, 2013 en 2014;

  6. € 18.060,19 bruto ter zake van wettelijke verhoging;

  7. de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot de voldoening;

  8. de proceskosten.

3.2.

EBN heeft verweer gevoerd en een beroep gedaan op verrekening.

3.3.

Op hetgeen partijen aan hun vordering c.q. verweer ten grondslag hebben gelegd wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De verschillende vorderingen van [verzoeker] zullen in het hiernavolgende afzonderlijk aan de orde komen. Vervolgens zal het beroep van EBN op verrekening worden beoordeeld.

Transitievergoeding

4.2.

[verzoeker] vordert een bedrag van € 2.182,76 bruto ter zake van de transitievergoeding. Hij stelt hiertoe dat EBN de transitievergoeding onjuist heeft berekend, door bij zijn brutomaandsalaris uit te gaan van een te laag bedrag aan gemiddelde bonus per maand. EBN heeft erkend dat zij bij de berekening van de transitievergoeding aanvankelijk is uitgegaan van onjuiste bedragen. Nu EBN het door [verzoeker] gevorderde bedrag aan restant transitievergoeding niet gemotiveerd heeft betwist, is de vordering tot betaling van € 2.182,76 bruto toewijsbaar.

Achterstallig vakantieloon

4.3.

Artikel 7:641 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie, in beginsel recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met die aanspraak. Op grond van artikel 7:640 lid 2 BW kunnen bovenwettelijke vakantiedagen reeds gedurende de arbeidsovereenkomst worden afgekocht. Het is vaste jurisprudentie dat het loonbegrip van artikel 7:641 BW een ruim loonbegrip is, hetgeen betekent dat daarin alle loonbestanddelen zijn begrepen die de werknemer zou hebben genoten als hij de vakantiedagen in vrije tijd zou hebben genoten onder doorbetaling van loon. Bij het vaststellen van de omvang van de uitkering die in de plaats komt van vakantie, mag derhalve niet van een beperkter loonbegrip worden uitgegaan dan bij de doorbetaling van loon tijdens vakantie. Een werknemer mag bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen niet in een nadeliger positie komen te verkeren dan bij het opnemen van die vakantiedagen.

4.4.

[verzoeker] heeft gesteld dat bij de berekening van het vakantieloon niet enkel de vakantietoeslag bij het uurloon dient te worden opgeteld, maar ook de gemiddelde bonus en het werkgeversdeel pensioenpremie. EBN is volgens [verzoeker] zowel bij de uitbetaling van bovenwettelijke vakantiedagen tijdens het dienstverband, als bij de uitbetaling van vakantiedagen bij het einde van de arbeidsovereenkomst uitgegaan van een verkeerd uurloon. [verzoeker] vordert in dat kader € 1.929,91 bruto ter zake van achterstallig vakantieloon over de bij de eindafrekening uitbetaalde vakantiedagen en € 2.537,57 bruto aan achterstallig vakantieloon over de reeds tijdens het dienstverband uitbetaalde bovenwettelijke vakantiedagen.

Bonus

4.5.

EBN heeft zich bereid verklaard het vakantieloon van [verzoeker] te vermeerderen met een bedrag aan gemiddelde bonus per uur. Beide partijen gaan bij de berekening van de bij de eindafrekening uitgekeerde vakantiedagen uit van een uurloon van € 40,08 exclusief vakantietoeslag, zijnde € 43,29 inclusief vakantietoeslag, te vermeerderen met een gemiddelde bonus van € 2,68 bruto per uur. Het vakantieloon bedraagt derhalve € 45,97 bruto per uur. Bij de eindafrekening heeft EBN een bedrag van € 9.589,67 bruto voldaan ter vergoeding van 222 vakantie-uren. Uitgaande van het hiervoor genoemde vakantieloon, had [verzoeker] recht op uitbetaling van een bedrag van € 10.205,34. De vordering tot uitbetaling van de bij de eindafrekening uitgekeerde vakantiedagen is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 615,67 bruto (€ 10.205,34 - € 9.589,67).

4.6.

Ook ten aanzien van de uitbetaling van bovenwettelijke vakantiedagen tijdens het dienstverband over de jaren 2012, 2013 en 2014 heeft EBN zich bereid verklaard het vakantieloon te vermeerderen met een bedrag aan gemiddelde bonus per uur. Partijen verschillen evenwel van mening over de vraag welke periode representatief is voor de berekening van de gemiddelde bonus over een bepaald jaar. [verzoeker] gaat uit van de bonus die hij heeft ontvangen over dat jaar, terwijl EBN rekening houdt met een gemiddelde bonus over een periode van vijf jaar voorafgaand aan de uitbetaling daarvan.

4.7.

De kantonrechter constateert dat de hoogte van de tijdens het dienstverband door EBN aan [verzoeker] uitgekeerde bonussen jaarlijks aanzienlijk verschilt en dat de bonussen over 2013 en 2014 er voor [verzoeker] in positieve zin uitschieten. Gelet op de grote verschillen in uitgekeerde bonussen geeft een referteperiode van 12 of 24 maanden, zoals [verzoeker] bepleit, geen representatief beeld van de door hem ontvangen bonussen tijdens zijn dienstverband. Bij de berekening van de gemiddelde bonus per uur dient derhalve te worden uitgegaan van een langere referteperiode. De door EBN gehanteerde periode van vijf jaar acht de kantonrechter niet onredelijk. [verzoeker] heeft weliswaar gesteld dat hij pas in 2011 zijn eerste representatieve bonus (namelijk een bonus gebaseerd op eigen targets) heeft ontvangen, maar hij heeft zijn stelling niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwd. Aldus valt niet in te zien op grond waarvan de bonussen in de jaren vóór 2011 bij de berekening buiten beschouwing zouden moeten blijven. De kantonrechter zal derhalve uitgaan van de door EBN gehanteerde referteperiode.

4.8.

EBN heeft in haar conclusie van antwoord aan de hand van de referteperiode van vijf jaar de gemiddelde bonus per uur berekend over 2012, 2013 en 2014 en gesteld dat [verzoeker] ter zake van uitbetaling van de bovenwettelijke vakantiedagen over die jaren nog een bedrag van € 318,42 bruto tegoed heeft. Nu [verzoeker] geen specifiek verweer heeft gevoerd tegen de door EBN uitgevoerde berekening en de daarbij gehanteerde bedragen, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van het door EBN berekende bedrag. De vordering tot uitbetaling van bovenwettelijke vakantiedagen over 2012, 2013 en 2014 is derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 318,42 bruto.

Werkgeversdeel pensioenpremie

4.9.

Ten aanzien van de vraag of het werkgeversdeel pensioenpremie in de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen moet worden meegenomen, geldt het volgende.

Hoewel bij de uitbetaling van vakantiedagen een ruim loonbegrip dient te worden gehanteerd, is pensioenpremie strikt genomen geen loon dat door werkgever aan de werknemer wordt voldaan ter zake van bedongen arbeid. Het gaat immers om een vergoeding aan een derde, de pensioenuitvoerder, en niet aan de werknemer zelf.

4.10.

De verschuldigde premie is weliswaar niet direct aan te merken als loon, maar is wel een aanspraak die samenhangt met de arbeidsovereenkomst. Het feit dat er een arbeidsovereenkomst met de werknemer bestond is gedurende het dienstverband immers steeds de reden geweest dat EBN pensioenpremie moest afdragen. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Williams/British Airways, ECLI:EU:C:2011:588) kan dan ook niet worden uitgesloten dat bij de bepaling van het vakantieloon ook rekening moet worden gehouden met de pensioenpremie die de werkgever over de vakantiedagen had moeten afdragen als de werknemer de vakantiedagen tijdens het dienstverband zou hebben opgenomen. Een werknemer mag immers niet in een nadeliger positie raken als de situatie wordt vergeleken tussen uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en het daadwerkelijk opnemen daarvan. Ook [verzoeker] gaat hiervan in het verzoekschrift uit.

4.11.

In het onderhavige geval kan evenwel niet worden vastgesteld dat [verzoeker] bij de uitbetaling van niet genoten (wettelijke en bovenwettelijke) vakantiedagen zonder dat daarbij het werkgeversdeel van de pensioenpremie is betrokken, in een nadeliger positie is komen te verkeren dan bij het opnemen van die vakantiedagen. [verzoeker] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de uitbetaalde vergoeding voor niet genoten (wettelijke en bovenwettelijke) vakantiedagen gevolgen heeft voor de berekening en opbouw van zijn pensioen. [verzoeker] heeft weliswaar ter zitting desgevraagd gesteld dat alle uitkeringen, waaronder de vergoedingen voor niet genoten bovenwettelijke vakantiedagen, pensioendragend zijn, maar EBN heeft dit uitdrukkelijk betwist. [verzoeker] heeft het ter zake geldende pensioenreglement niet overlegd en heeft evenmin uniforme pensioenoverzichten over de jaren 2011 tot en met 2015 in het geding gebracht waaruit de invloed van de in die jaren uitgekeerde bovenwettelijke vakantiedagen op het pensioengevend jaarinkomen blijkt. [verzoeker] heeft evenmin verzocht in de gelegenheid te worden gesteld zijn standpunt nader te onderbouwen. Aldus kan niet zonder meer worden aangenomen dat pensioenopbouw en daarmee loon of beloning voor arbeid verloren is gegaan door bij de uitbetaling van de niet genoten bovenwettelijke vakantiedagen tijdens het dienstverband en de uitbetaling van de niet genoten (wettelijke en bovenwettelijke) vakantiedagen aan het einde van het dienstverband geen rekening te houden met het werkgeversdeel van de pensioenpremie. Dit leidt ertoe dat de vordering tot betaling van het werkgeversdeel van de pensioenpremie over uitbetaalde vakantiedagen dient te worden afgewezen.

Ingehouden vakantiedagen juli en augustus 2017

4.12.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat EBN ten onrechte zijn vakantie van 13 juli 2017 tot en met 4 augustus 2017 op zijn vakantiesaldo in mindering heeft gebracht. Volgens [verzoeker] dienen deze 120 vakantie-uren alsnog aan hem te worden uitgekeerd. EBN heeft dit betwist en heeft als verweer gevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat vakantiedagen die worden opgebouwd tijdens ziekte in mindering strekken op het vakantiesaldo. [verzoeker] had volgens EBN op 4 augustus 2017 voldoende bovenwettelijke vakantiedagen opgebouwd om de vakantie van 120 uur in het geheel in mindering te kunnen brengen op het vakantiesaldo.

4.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] op 13 juli 2017 langer dan twee jaar arbeidsongeschikt was. Op dat moment bestond er voor EBN geen loondoorbetalings-verplichting meer. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:634 BW bouwde [verzoeker] na het einde van de loondoorbetalingsverplichting ook geen vakantiedagen meer op.

Hoewel er derhalve geen enkele verplichting van EBN tegenover stond, heeft zij ter zake van eerdergenoemde vakantie wel 120 uur op het vakantiesaldo van [verzoeker] in mindering gebracht. De enkele omstandigheid dat dit gelet op het saldo aan bovenwettelijke vakantiedagen mogelijk was, biedt hiervoor geen rechtvaardiging.

4.14.

Uit het RA 2013 kan evenmin worden afgeleid dat het EBN vrij stond de vakantiedagen over juli en augustus 2017 op het vakantiesaldo in te houden. In deze regeling is weliswaar opgenomen dat er vakantiedagen worden afgeschreven indien tijdens de ziekteperiode op vakantie wordt gegaan, maar uit niets blijkt dat deze bepaling ook ziet op de situatie waarin de loondoorbetalingsverplichting na twee jaar ziekte is beëindigd.

4.15.

Het vorenstaande leidt ertoe dat EBN nog 120 vakantie-uren aan [verzoeker] dient uit te betalen. Gelet op het hiervoor onder 4.5 vastgestelde vakantieloon, zal de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 5.516,40 bruto (120 x € 45,97).

Opbouw bovenwettelijke vakantiedagen tijdens ziekte

4.16.

[verzoeker] heeft een bedrag van € 25.426,10 bruto gevorderd ter zake van te weinig opgebouwde bovenwettelijke vakantiedagen tijdens ziekte. Hij stelt hiertoe dat hij niet heeft ingestemd met de in de RA 2013 opgenomen bepaling betreffende verval van de opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Hij heeft in 2013 weliswaar de nieuwe arbeidsovereenkomst getekend, maar hij heeft daarbij aangegeven bezwaar te maken tegen de wijzigingen die van belang zijn bij langdurige arbeidsongeschiktheid.

EBN heeft dit betwist en heeft gesteld dat [verzoeker] door ondertekening van de nieuwe arbeidsovereenkomst met de RA 2013 heeft ingestemd. [verzoeker] is volgens EBN uitgebreid ingelicht over de wijzigingen van de regeling en heeft geen bezwaar geuit tegen de bepaling betreffende de opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen tijdens ziekte. De door [verzoeker] geuite bezwaren zagen slechts op wijziging in de beloningssystematiek, aldus EBN.

4.17.

De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] de nieuwe arbeidsovereenkomst in 2013 voor akkoord heeft ondertekend. In deze arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de werknemer de RA 2013 heeft ontvangen en met de inhoud daarvan akkoord is. Indien [verzoeker] op dat moment bezwaren had tegen de regeling betreffende opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen tijdens ziekte, had het op zijn weg gelegen om hieromtrent bij ondertekening van de arbeidsovereenkomst een uitdrukkelijk voorbehoud te maken. Dit geldt temeer indien [verzoeker] , zoals hij stelt, zijn bezwaren voorafgaand aan de ondertekening reeds schriftelijk per e-mail aan EBN kenbaar had gemaakt en hij daarop nog geen reactie van EBN had ontvangen. Nu [verzoeker] geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, mocht EBN erop vertrouwen dat hij (alsnog) akkoord was met de bepalingen in de RA 2013.

4.18.

Op grond van de RA 2013 heeft [verzoeker] na 42 ziektedagen geen bovenwettelijke vakantiedagen meer opgebouwd. Zijn vordering tot betaling van die dagen is dan ook niet toewijsbaar.

Wettelijke verhoging

4.19.

De vordering ter zake van wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW wordt toegewezen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval, waaronder de toezegging van EBN om het werknemersdeel pensioenpremie voor haar rekening te nemen, waarover hierna meer, aanleiding deze te matigen tot 15%.

Wettelijke rente

4.20.

De verzochte wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen.

Verrekening

4.21.

EBN beroept zich op verrekening van de door haar aan [verzoeker] verschuldigde bedragen met het door haar onverschuldigd aan [verzoeker] betaalde bedrag van € 2.100,95 netto ter zake van werknemersdeel pensioenpremie. De kantonrechter stelt vast dat EBN in de specificatie van de eindafrekening bij brief van 27 juli 2017 heeft aangegeven het werknemersdeel van de pensioenpremie tot en met 30 september 2017 voor haar rekening te nemen. EBN heeft ter zitting erkend dat zij op dat moment reeds bekend was met de bezwaren van [verzoeker] ter zake van de berekening van het vakantieloon en de transitievergoeding. Zij ging er echter van uit dat de discussie omtrent de eindafrekening hiermee ten einde zou zijn.

Gesteld noch gebleken is dat EBN aan de toezegging de voorwaarde heeft verbonden dat [verzoeker] diende af te zien van aanspraken op achterstallig loon en transitievergoeding. Indien EBN dit voor ogen had, dan had zij dit in de (specificatie van de) eindafrekening dienen te vermelden, dan wel op andere wijze aan [verzoeker] kenbaar dienen te maken. Gesteld noch gebleken is dat EBN dit heeft gedaan. Als vaststaand wordt derhalve aangenomen dat EBN als gevolg van de door haar gedane toezegging geen vordering meer heeft op [verzoeker] . Het beroep op verrekening kan dan ook niet slagen.

Proceskosten

4.22.

De proceskosten zullen gezien de aard en uitkomst van deze procedure worden gecompenseerd, in die zin dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt EBN om aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting te betalen:

  1. € 2.182,76 bruto ter zake van transitievergoeding;

  2. € 615,67 bruto ter zake van de bij de eindafrekening uitgekeerde vakantiedagen;

  3. € 318,42 bruto ter zake van de tijdens het dienstverband uitgekeerde bovenwettelijke vakantiedagen over 2012, 2013 en 2014;

  4. € 5.516,40 bruto ter zake van de uitbetaling van ingehouden vakantiedagen over juli en augustus 2017;

  5. de wettelijke verhoging van 15% over de hiervoor onder a. tot en met d. toegewezen bedragen;

  6. de wettelijke rente over de hiervoor onder a. tot en met e. toegewezen bedragen vanaf de respectieve data van opeisbaarheid tot de voldoening;

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.