Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1857

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
16/661646-15 (P)
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2018:1970
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 35-jarige vrouw en een 58-jarige man uit Rotterdam hebben zich in 2014 en 2015 in Nieuwegein schuldig gemaakt aan illegale medicijnhandel. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt hen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 160 uur.

De handel in geneesmiddelen is verbonden aan allerlei voorschriften en vergunningen. Bepaalde geneesmiddelen kunnen een verslavende werking hebben en worden daarom uitsluitend met een doktersrecept verstrekt. De man en de vrouw hebben zich schuldig gemaakt aan illegaal bezit en handel in geneesmiddelen, waaronder slaapmiddelen en pijnstillers. Zij hadden slechts oog voor het geld dat het opbracht en niet voor de mogelijke fatale gevolgen, zo oordeelt de rechtbank.

Het Openbaar Ministerie heeft het toenmalige stel in 2016 een schikkingsvoorstel gedaan. Eén van de voorwaarden was dat zij beiden zouden instemmen. De man ging niet akkoord. Het OM is vervolgens tot vervolging overgegaan. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ouderdom van de zaak en de persoonlijke omstandigheden van de verdachten.

De twee hebben ruim 35.000 euro verdiend met de illegale handel. De rechtbank bepaalt dat de twee dat bedrag moeten terugbetalen aan de Staat, wat neerkomt op 17.589 euro per persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/661646-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H. Leepel, en van hetgeen verdachte en mr. B. Goedkoop, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 5 juli 2014 tot en met 14 april 2015 te Nieuwegein al dan niet

opzettelijk en in vereniging zonder daartoe bevoegd te zijn de geneesmiddelen

Zopiclon en Tramadol te koop heeft aangeboden;

Feit 2: in de periode van 5 juli 2014 tot en met 15 april 2015 te Nieuwegein opzettelijk en in

vereniging Methylfenidaat Hydrochloride heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad;

Feit 3: in de periode van 5 juli 2014 tot en met 15 april 2015 te Nieuwegein opzettelijk en in

vereniging Diazepam, Midazolam, Zolpidem, Temazepam, Flurazepam, Alprazolam,

Lorazepam, Oxazepam, Lormetazepam en Bromazepam heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

3.1

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

3.2

De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsman van verdachte heeft primair bepleit het Openbaar Ministier niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Tussen het Openbaar Ministerie en verdachte zijn schikkingsonderhandelingen gevoerd. Het Openbaar Ministerie heeft op 10 augustus 2016 een transactievoorstel gedaan aan verdachte met onder andere als voorwaarde dat beide verdachten daarmee zouden instemmen. Verdachte is niet akkoord gedaan met dit transactievoorstel. Op 2 september 2016 is een gewijzigd voorstel gedaan door het Openbaar Ministerie. Dit gewijzigde voorstel is op 11 september 2016 namens verdachte geaccepteerd. Medeverdachte [medeverdachte] heeft het gewijzigde transactievoorstel niet geaccepteerd. Het Openbaar Ministerie heeft het standpunt ingenomen dat hierdoor de transactie niet tot stand is gekomen, nu de voorwaarde dat beide verdachten daarmee akkoord zouden gaan niet is vervuld. De verdediging meent dat deze door het Openbaar Ministerie eerder gestelde voorwaarde door het gewijzigde transactievoorstel van 2 september 2016 is komen te vervallen. Door ondanks instemming met het transactievoorstel van verdachte over te gaan tot vervolging, schendt het Openbaar Ministerie een beginsel van een goede procesorde, namelijk het vertrouwensbeginsel. Daarnaast geldt dat transactievoorwaarden door het Openbaar Ministerie individueel moeten worden bepaald. Gelet op alle voornoemde omstandigheden dient de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vervolging.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie het volgende. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat tussen het Openbaar Ministerie en (de raadslieden van) beide verdachten schikkingsonderhandelingen hebben plaatsgevonden. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd in een eerste transactievoorstel op 10 augustus 2016 aan beide verdachten, met als voorwaarden de uitvoering van een taakstraf door zowel verdachte als haar medeverdachte en afstand van een geldbedrag van € 23.685,65 – te weten de waarde van het conservatoir beslag – ten behoeve van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Hiernaast is door het Openbaar Ministerie als voorwaarde gesteld dat de transactie uitsluitend tot stand zou komen indien beide verdachten met de voorwaarden akkoord zouden gaan. Ook uit de verdere inhoud en opmaak van het transactievoorstel leidt de rechtbank af dat het een gezamenlijk aanbod aan verdachte en haar medeverdachte inhield. Zo dienden beide verdachten het transactievoorstel te ondertekenen, worden beide verdachten in de aanhef van het transactievoorstel genoemd en worden verdachten consequent in meervoudsvorm aangeduid.


Op 2 september 2016 heeft de officier van justitie de verdediging bericht dat mede in de door de raadsman van medeverdachte [medeverdachte] aangevoerde omstandigheden aanleiding werd gezien het transactievoorstel van 10 augustus 2016 te matigen, in die zin dat de duur van de in het eerdere transactievoorstel genoemde taakstraffen voor beide verdachten werd verkort. Voor het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bleef het eerdere aanbod onverkort gelden. De rechtbank beschouwt deze wijziging, ook gelet op de bewoordingen van het bericht van de officier van justitie, als een aanvulling op het eerder gedane transactievoorstel van 10 augustus 2016. Niet is gebleken dat de voorwaarde dat beide verdachten akkoord dienen te gaan met het transactievoorstel met deze aanvulling is komen te vervallen. Nu niet aan alle transactievoorwaarden is voldaan – de medeverdachte heeft het voorstel immers niet geaccepteerd – is er geen transactie tot stand gekomen. waardoor het Openbaar Ministerie tot vervolging over mocht gaan.

Ook voor zover de raadsman het verweer heeft willen voeren dat transactievoorwaarden individueel dienen te worden bepaald en in zoverre de voorwaarde van aanvaarding door beide verdachten in het geheel niet had mogen worden gesteld, faalt het. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze stelling geen steun in het recht.

Gelet op de voorgaande overwegingen, acht de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

3.3

Schorsing van de vervolging
De rechtbank stelt vast dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3

De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 april 2018;

  • -

    het proces-verbaal van relaas van 16 april 2015, genummerd PL0900-2015087698, opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, pagina 8;

  • -

    een kennisgeving van inbeslagname van 17 april 2017, genummerd PL0900-2015087698-26, opgemaakt door de politie Midden-Nederland;

  • -

    een kennisgeving van inbeslagname van 17 april 2017, genummerd PL0900-2015087698-30, opgemaakt door de politie Midden-Nederland;

  • -

    de kennisgevingen van inbeslagname van 17 april 2017, genummerd PL0900-2015087698-64 tot en met PL0900-2015087698-84, opgemaakt door de politie Midden-Nederland;

  • -

    een aanvraag extern forensisch onderzoek van 11 mei 2015, genummerd PL0900-2015087698-93 opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;

  • -

    een NFI-rapport van 28 september 2015, opgemaakt door dr. M.A. Hoitink, NFI-deskundige Forensisch drugsonderzoek, pagina’s 374-381;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2015, opgemaakt door [A] , inspecteur bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, pagina 81.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.
in de periode van 5 juli 2014 tot en met 14 april 2015 in de gemeente Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk, niet zijnde een apotheker die zijn beroep in een apotheek uitoefent en niet zijnde een huisarts die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in het tiende of elfde lid van artikel 61 van de Geneesmiddelenwet en niet zijnde een daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon en instantie in de in de regeling bedoelde omstandigheden, UR-geneesmiddelen, te weten Zopiclon en Tramadol, vallende onder de Geneesmiddelenwet, te koop heeft aangeboden en ter hand heeft gesteld;

2.

in de periode van 5 juli 2014 tot en met 14 april 2015 in de gemeente Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk meermalen heeft verkocht en afgeleverd en aanwezig heeft gehad Methylfenidaat Hydrochloride, bevattende methylfenidaat, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in de periode van 5 juli 2014 tot en met 14 april 2015 in de gemeente Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid diazepam, en

- een hoeveelheid midazolam, en

- een hoeveelheid temazepam, en

- een hoeveelheid flurazepam, en

- een hoeveelheid alprazolam, en

- een hoeveelheid lorazepam, en

- een hoeveelheid oxazepam, en

- een hoeveelheid lormetazepam, en

- een hoeveelheid bromazepam,

zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 61 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 240 dagen, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

- een taakstraf van 200 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ten gevolge van de verdenking heeft de woningbouwvereniging de huurovereenkomst voor de [adres] te [woonplaats] beëindigd. Hierdoor zijn de partijen noodgedwongen verhuisd naar [woonplaats] . De relatie van verdachte en medeverdachte is onder zoveel druk komen te staan door alles wat is voorgevallen dat deze mede hierom ten einde is gekomen. Naast de zorg voor het kind dat verdachte met medeverdachte heeft en de zorg voor een kind met beperkingen, is verdachte in verwachting van een derde kindje. Verdachte heeft een blanco strafblad. Ten slotte verzoekt de raadsman de rechtbank om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Concluderend acht de raadsman de aanvankelijk door het OM in het transactievoorstel voorgestelde afdoening door middel van een taakstraf voor de duur van 100 uren passend.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met haar (inmiddels ex-)partner gedurende meerdere maanden schuldig gemaakt aan het illegaal voorhanden hebben van en handelen in geneesmiddelen. Verdachte heeft bij deze activiteiten slechts oog gehad voor geldelijk gewin. Zij heeft de geneesmiddelen, die uitsluitend op doktersrecept verkrijgbaar zijn, onbevoegd ter hand gesteld aan particulieren. De handel in geneesmiddelen is verbonden aan allerlei voorschriften en vergunningen, onder andere omdat op het voorschrijven en gebruik van bepaalde geneesmiddelen controle nodig is in het belang van de volksgezondheid. Zo kunnen geneesmiddelen een verslavende werking hebben. Het gebruik daarvan in een verkeerde dosering en zonder voorafgaande diagnose door een arts kan zelfs fatale gevolgen hebben of verslaving in de hand werken.


De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 maart 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Dit werkt evenwel niet strafverhogend of –verminderend.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de houding van verdachte ter terechtzitting. Verdachte is een bekennende verdachte, maar geeft weinig blijk zich de mogelijke gevolgen voor de afnemers van de geneesmiddelen te realiseren. Verdachte lijkt beperkt in te zien dat haar handelen verregaande gevolgen kan hebben en maakt zich voornamelijk zorgen over de door haarzelf ervaren nadelen.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met haar persoonlijke omstandigheden. Verdachte is haar woning kwijtgeraakt ten gevolge van onderhavige strafzaak en draagt de zorg voor meerdere kinderen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de ouderdom van de feiten.

Wat dit laatste betreft is naar het oordeel van de rechtbank de redelijke termijn overschreden. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. In het onderhavige geval moet de termijn worden berekend vanaf 14 april 2015, te weten de dag waarop verdachtes woning werd doorzocht. De termijn tot het wijzen van het eindvonnis op 2 mei 2018 bedraagt ruim drie jaar.

De rechtbank acht het, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden en de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten, niet opportuun om verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf op te leggen. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 180 uren passend is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank het onvoorwaardelijke strafdeel, zijnde een taakstraf voor de duur van 180 uren, matigen tot 160 uren.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. E.J.W. Verhaagh en R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van A.W. van Wijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 mei 2018.

Mrs. E.J.W. Verhaagh en R.G.A. Beaujean zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen, gelegen in de periode van 5 juli 2014 tot en

met 14 april 2015, in de gemeente Nieuwegein, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

(al dan niet opzettelijk),

niet zijnde een apotheker die zijn beroep in een apotheek uitoefent

en/of

niet zijnde een huisarts, die in het bezit is van een vergunning als bedoeld

in het tiende of elfde lid van artikel 61 van de Geneesmiddelenwet

en/of

niet zijnde een daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon en

instantie in de in de regeling bedoelde omstandigheden,

een (grote) hoeveelheid UR- of UA-geneesmiddelen, te weten

- Zoplicon (merknamen Zoplicon Sandoz en/of Zoplicon PCH en/of Zoplicon

Actavis) en/of - Tramadol (merknamen Tramadol HCI Actavis en/of Tramadol HCI Sandoz),

in elke geval één of meer UR- of UA-geneesmiddelen, vallende onder de

Geneesmiddelenwet, te koop heeft aangeboden (middels (een) advertentie(s) op

het Internet) of ter hand heeft gesteld;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 1 onder 1 Wet op de economische delicten

art 2 lid 1 Wet op de economische delicten

art 6 lid 1 onder 1 Wet op de economische delicten

art 61 lid 1 Geneesmiddelenwet

2.

hij op één of meer tijdstip(pen), gelegen in de periode van 5 juli 2014 tot en

met 14 april 2015 in de gemeente Nieuwegein, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk (meermalen) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, en/of aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid Methylfenidaat

Hydrochloride, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

methylfenidaat, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/onder C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

3.

hij op één of meer tijdstippen, gelegen in de periode van 5 juli 2014 tot en

met 14 april 2015 in de gemeente Nieuwegein, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk (meermalen) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid diazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende diazepam en/of

- een hoeveelheid midazolam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

- een hoeveelheid temazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende temazepam en/of

- een hoeveelheid flurazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende flurazepam en/of

- een hoeveelheid alprazolam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende alprazolam en/of

- een hoeveelheid lorazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende lorazepam en/of

- een hoeveelheid oxazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende oxazepam en/of

- een hoeveelheid lormetazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende lormetazepam en/of

- een hoeveelheid bromazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende bromazepam, zijnde een middel/middelen vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet;

art 3 ahf onder C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 16 april 2015, genummerd PL0900-2015087698, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 420. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.