Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1846

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
16/652003-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overtreding huisverbod, bedreiging, voorhanden hebben van een alarmpistool en schennispleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/652003-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

thans verblijvende in het [verblijfplaats] in [woonplaats]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en diens raadsman mr. J.M. Koppert, advocaat te Lelystad, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

in de periode van 29 december 2017 tot en met 30 december 2017 in Almere een huisverbod heeft overtreden;

feit 2:

op 27 december 2017 in Almere een mobiele telefoon heeft vernield;

feit 3:

primair:

op 27 december 2017 in Almere [slachtoffer] heeft bedreigd door een (luchtdruk)wapen te richten op zijn hoofd en/of schouders en daarbij de woorden toe te voegen: “Waag het niet om hier nu nog een keer binnen te komen. Mijn huis uit”;

subsidiair:

op 27 december 2017 in Almere [slachtoffer] heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden door een (luchtdruk)wapen te richten op zijn hoofd en/of schouders en daarbij de woorden toe te voegen: “Waag het niet om hier nu nog een keer binnen te komen. Mijn huis uit”;

feit 4:

op 27 december 2017 in Almere een alarmpistool en/of een luchtdrukwapen voorhanden heeft gehad;

feit 5:

op 30 december 2017 in Almere zich schuldig heeft gemaakt aan schennis van de eerbaarheid.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zijn standpunt verwoord in een ter terechtzitting overlegde pleitnota. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende betoogd.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de vernieling die onder feit 2 ten laste is gelegd, nu verdachte heeft verklaard dat het zijn eigen telefoon was. Het wapen waarmee bedreigd zou zijn, zoals onder feit 3 ten laste is gelegd, was niet geschikt om een projectiel mee af te schieten en dus ongeschikt voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, hetgeen bij aangever bekend was. Verdachte dient daarom tevens van dat feit te worden vrijgesproken. Ter zake van de schennis van de eerbaarheid, zoals onder feit 5 ten laste is gelegd, dient verdachte ook te worden vrijgesproken, omdat slechts één getuige over de gewraakte handelingen heeft verklaard en verdachte heeft verklaard dat hij moest plassen en daarom zijn broek naar beneden deed.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

feit 1:

Verdachte heeft het onder feit 1 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 april 2018;

  • -

    een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een beschikking van de burgermeester, van 28 december 2017, opgenomen op pagina 16 en 17 in het dossier met proces-verbaalnummer 2017392695;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 30 december 2017, genummerd PL0900-2017392695-8, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, inhoudende – zakelijk weergegeven – de verklaring van getuige [getuige 2] , doorgenummerd blad 1 tot en met blad 2;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2017, genummerd PL0900-2017391277-5, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, inhoudende – zakelijk weergegeven – de bevindingen van verbalisant [verbalisant] , doorgenummerd blad 1.

feit 2:1

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat op 27 december 2017 in [woonplaats] [voornaam van verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) zijn telefoon uit zijn handen sloeg. Aangever zag dat het scherm gebroken was.2 Bij de aangifte is een foto van het gebroken scherm van de telefoon gevoegd.3

Verdachte heeft verklaard dat hij die dag ruzie had met aangever thuis in [woonplaats] .4

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 27 december 2017 in [woonplaats] de telefoon van [slachtoffer] heeft vernield door die telefoon uit de handen van die [slachtoffer] te slaan. De rechtbank heeft op grond van de verklaring van aangever en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat de beschadigde telefoon van hem was.

feit 3 primair:

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat zijn broer [verdachte] op 27 december 2017 in [woonplaats] een wapen tegen zijn slaap zette.5 Aangever was bang dat het wapen geladen was met blanke gaspatronen en hij zag dat [voornaam van verdachte] de haan van het wapen naar achteren trok. [voornaam van verdachte] zei dreigend tegen hem: “Waag het niet om hier nu nog een keer binnen te komen. Mijn huis uit.”6

Verdachte heeft verklaard dat hij een vuurwerkpistool op de schouder van zijn broer had gericht. Het zou kunnen dat hij ook op zijn hoofd heeft gericht. Verdachte had de bedoeling om zijn broer het huis uit te krijgen. 7

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de bedreiging zoals onder feit 3 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer van de raadsman dat het wapen niet geschikt zou zijn geweest om een projectiel mee weg te schieten en aangever dit wist en dat er daarom geen sprake was van een bedreiging wordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe dat aangever heeft verklaard dat hij bang was dat het wapen was geladen met blanke gaspatronen en dat hij zag dat verdachte de haan van het wapen naar achteren trok. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging door de verdachte in de gegeven omstandigheden van dien aard was dat bij aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij bij het afschieten van het alarmpistool tegen zijn hoofd zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

feit 4:

Verdachte heeft het onder feit 4 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 april 2018;

  • -

    een aanvullend proces-verbaal van 12 januari 2018, voor zover dit ziet op het
    alarm-/startpistool;8

Nu uit het genoemde aanvullende proces-verbaal blijkt dat wat betreft het luchtdrukwapen geen sprake is van overtreding van de Wet wapens en munitie zal de rechtbank verdachte in zoverre van feit 4 vrijspreken.

feit 5:9

Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 30 december 2017 voor zijn woning in [woonplaats] stond. Hij hoorde een man op straat erg hard schreeuwen. De broek van de man hing op zijn enkels.10 De man had zijn hand om zijn geslachtsdeel heen en maakte aftrekbewegingen. Zijn hand ging over zijn geslachtsdeel heen en weer.11

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de man zijn broek liet zakken tot op zijn enkels. Hij was de man gevolgd. De man liep richting de bushalte en sprak daar een aantal mensen aan.12

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat [voornaam van verdachte] een soort vreugdedansje deed en daarbij de broek omlaag deed en de achterkant van zijn onderbroek omlaag deed.13

De rechtbank acht gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schennis van de eerbaarheid, zoals ten laste is gelegd onder feit 5.

De rechtbank oordeelt dat het standpunt van de verdediging wordt weerlegd door de inhoud van de verklaringen van de getuigen. Daarbij betrekt de rechtbank ook het feit dat verdachte midden op straat liep, wat de verklaring van verdachte dat hij – kort gezegd – moest plassen niet aannemelijk maakt.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

als degene aan wie door of namens de burgermeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, in de periode van 29 december 2017 tot en met 30 december 2017 te [woonplaats] meermalen in strijd met dat huisverbod zich in de nabijheid van die woning, gelegen aan de [adres] , heeft opgehouden;

feit 2:

op 27 december te [woonplaats] opzettelijk en wederrechtelijk (het scherm van) een mobiele telefoon toebehorende aan [slachtoffer] heeft vernield, door toen aldaar opzettelijk en wederechtelijk die telefoon uit de handen van die [slachtoffer] te slaan;

feit 3 primair:

op 27 december 2017 te [woonplaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling door een wapen te richten op het hoofd en schouder van die [slachtoffer] en te tonen aan die [slachtoffer] en daarbij de woorden toe te voegen: “Waag het niet om hier nu nog een keer binnen te komen. Mijn huis uit.”;

feit 4:

op 27 december 2017 te [woonplaats] :

- een wapen van categorie III onder 4, te weten een alarm-/startpistool en munitie van categorie III,

voorhanden heeft gehad.

feit 5:

op 30 december 2017 te [woonplaats] zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor openbaar verkeer bestemd, te weten de openbare weg, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en daarbij ‘aftrekbewegingen’ heeft gemaakt.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, gegeven huisverbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander behoort, vernielen;

feit 3 primair:

bedreiging met zware mishandeling;

feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III;

feit 5:

schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 41 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandelverplichting en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich bij de eis van de officier van justitie aangesloten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in een kort tijdsbestek vijf delicten gepleegd, terwijl hij tot op heden over een blanco justitiële documentatie beschikte. De rechtbank constateert dat het ten tijde van het plegen van de delicten niet goed ging met verdachte en dat het nu veel beter met verdachte gaat. Hij functioneert weer naar behoren en lijkt, onder andere door het innemen van medicatie, stabiel. Verdachte heeft tijdens de terechtzitting openheid van zaken gegeven en (ten aanzien van bijna alle delicten) zijn verantwoordelijkheid genomen. Ook heeft hij meegewerkt aan het opstellen van persoonlijkheids- en reclasseringsrapporten en heeft hij zich gemotiveerd en bereid getoond om zijn problemen aan te pakken door middel van medewerking aan de bijzondere voorwaarden die de reclassering voorstelt.

Uit de Pro Justitia rapportage van 3 april 2018 blijkt dat verdachte ten gevolge van zijn hogere verbale intelligentie ten opzichte van zijn performale intelligentie structureel overvraagd wordt. Dit heeft geresulteerd in een gevoel van onmacht bij verdachte. Door een optelsom van factoren is verdachte in verminderde mate in staat geweest om zijn onmacht op alternatieve wijze te hanteren. Het advies is daarom om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank onderschrijft deze conclusie, maakt deze tot de hare en zal de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

Gelet op de hoeveelheid en ernst van de delicten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht het echter ook van belang dat verdachte reclasseringsbegeleiding en behandeling krijgt en in een begeleid wonen setting zal verblijven om de draad van zijn leven weer op te pakken. Om deze reden zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

De rechtbank zal daarnaast, om de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken en als stok achter de deur om de ingezette stijgende lijn door te zetten, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen opleggen. Als bijzondere voorwaarden zullen de voorwaarden worden opgelegd zoals die zijn voorgesteld door de reclassering, namelijk een meldplicht, ambulante behandelverplichting en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De rechtbank acht alles afwegende de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 239, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 11 van de Wet tijdelijk huisverbod en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 4 en feit 5 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 4 en feit 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 150 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 41 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd:

* binnen 48 uur na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland op het volgende telefoonnummer: [telefoonnummer] . Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* laat behandelen bij [naam instelling] of soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* zal verblijven bij [naam instelling] of soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, ook als dit inhoudt abstinentie van drugsgebruik, zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Lootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 april 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij als degene aan wie door of namens de burgemeester met toepassing van de

Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als

uithuisgeplaatste, in of omstreeks de periode van 29 december 2017 tot en met

30 december 2017 te Almere meermalen, althans eenmaal, in strijd met dat

huisverbod de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan het [adres] , heeft

betreden en/of zich in en/of in nabijheid van die woning heeft opgehouden

en/of contact heeft opgenomen met één of meer van de in dat huisverbod

genoemde personen;

2.

hij op of omstreeks 27 december 2017 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk

(het scherm van) een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door

toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die telefoon uit de handen van die

[slachtoffer] te slaan, althans die telefoon op de grond te gooien / doen

terechtkomen, althans die telefoon te (doen) beschadigen / vernielen;

3.

Primair

hij op of omstreeks 27 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (luchtdruk)wapen te

richten op het hoofd en/of de schouder(s), althans het lichaam van die [slachtoffer]

en/of te tonen aan die [slachtoffer] en/of daarbij de woorden toe te voegen: "Waag het

niet om hier nu nog een keer binnen te komen. Mijn huis uit.";

Subsidiair

hij op of omstreeks 27 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, [slachtoffer] door geweld of enige andere feitelijkheid en/of

door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die

[slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden,

immers heeft verdachte een (luchtdruk)wapen gericht op het hoofd en/of de

schouder(s), althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of aan die [slachtoffer] getoond

en/of daarbij de woorden toegevoegd: "Waag het niet om hier nu nog een keer

binnen te komen. Mijn huis uit.";

4.

hij op of omstreeks 27 december 2017 te Almere:

- ( een) wapen(s) van categorie III onder 4, te weten een alarm-/startpistool,

en/of munitie van categorie III en/of;

- ( een) wapen(s) van categorie IV onder 4 dan wel I onder 7, te weten een

luchtdrukwapen,

voorhanden heeft gehad.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 december 2018, genummerd PL0900-201789123, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 55. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, pagina 1, eerste alinea, pagina 2, derde alinea, en pagina 3, eerste alinea.

3 Bijlage bij proces-verbaal van aangifte, pagina 4.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 april 2018.

5 Proces-verbaal van aangifte, pagina 2, derde alinea, en pagina 3, eerste alinea.

6 Proces-verbaal van aangifte, pagina 3, eerste alinea.

7 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 april 2018.

8 Proces-verbaal aanvullend, pagina 55.

9 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 31 december 2017, genummerd 2017392695, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 30. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

10 Proces-verbaal van aangifte, pagina 1, laatste drie alinea’s.

11 Proces-verbaal van aangifte, pagina 2, eerste alinea.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 4, tweede alinea van onderen.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 6, vierde alinea van onderen.