Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1844

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
16-653370-17; 16-251995-16 (gev. ttz)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot ISD voor 7 feiten die verdachte pleegde terwijl hij in het kader van de BOPZ was opgenomen in een instelling. Verweer tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid verworpen. Verdachte wel verminderd toekereningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/653370-17 en 16/251995-16 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats] (Suriname)

verblijvende te [postcode] [woonplaats] , [adres]
gedetineerd in [verblijfplaats] , locatie [locatie]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere, alsmede [A] namens de benadeelde partij [bedrijfsnaam] BV ( [winkel] ), naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/653370-17:

feit 1:

op 6 december 2017 in Almere busjes deodorant heeft gestolen bij de [winkel] ;

feit 2:

op 21 november 2017 in Almere busjes deodorant heeft gestolen bij de [winkel] ;

feit 3:

primair:

al dan niet samen met een ander in de periode van 23 september 2017 tot en met 24 september 2017 heeft ingebroken en goederen en/of geld heeft gestolen bij het [organisatie 1] in Almere;

subsidiair:
al dan niet samen met een ander in de periode van 23 september 2017 tot en met 24 september 2017 heeft geprobeerd om in te breken bij het [organisatie 1] in Almere door een baksteen door de ruit te gooien en vervolgens het pand heeft doorzocht en/of een kassalade en/of een kast heeft geforceerd;

feit 4:

op 14 september 2017 in Almere een laptop en/of een portemonnee met inhoud en/of een geldbedrag van [organisatie 2] of [slachtoffer 1] heeft gestolen;

feit 5:

primair:

op 8 april 2017 in Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen door hem tegen het gezicht te slaan en vervolgens, terwijl [slachtoffer 2] op de grond was gevallen, met schoenen aan tegen het hoofd en/of buik te schoppen en/of tegen het hoofd te slaan;

subsidiair:

op 8 april 2017 in Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem in het gezicht te slaan en vervolgens, terwijl [slachtoffer 2] op de grond was gevallen, met schoenen aan tegen het hoofd en/of buik te schoppen en/of tegen het hoofd te slaan.

16/251995-16:

feit 1:

op 14 juli 2016 in Amersfoort [slachtoffer 3] heeft bedreigd door te zeggen: “ik ga jullie doodmaken!” en/of “ik maak jullie allemaal kapot!”;

feit 2:
op 14 juli 2016 in Amersfoort [slachtoffer 3] heeft mishandeld door hem in het gezicht te slaan.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder parketnummer 16/251995-16 ten laste gelegde feit 1 en feit 2 en het onder parketnummer 16/653370-17 ten laste gelegde feit 1, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4 en feit 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van het onder parketnummer 16/653370-17 feit 3 primair ten laste gelegde vrij te spreken, omdat er niks is buit gemaakt en daarom niet gesproken kan worden van een voltooide inbraak.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zijn standpunt verwoord in een ter terechtzitting overlegde pleitnota. Hij heeft – kort gezegd – het volgende betoogd.

Ten aanzien van parketnummer 16/251995-16 feit 1 en 2 is er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Ten aanzien van parketnummer 16/653370-17 heeft verdachte feit 1 en 2 bekend. Bij de onder feit 3 ten laste gelegde inbraak is er niks buit gemaakt en is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de poging inbraak die subsidiair ten laste is gelegd. Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte de diefstal van de laptop bekend, maar hij heeft de diefstal van de portemonnee met inhoud ontkend. Verdachte dient daarom van de diefstal van de portemonnee te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 5 ontkent verdachte niet dat er een mishandeling heeft plaatsgevonden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Parketnummer 16/251995-16 feit 1 en 2:1
[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 14 juli 2016 aan het werk was in de [organisatie 3] in [vestigingsplaats] . Hij ging met [getuige 2] bij de separeerruimte [verdachte] verzorgen.2 Hij hoorde dat [voornaam van verdachte] riep: “ Ik ga jullie doodmaken. Ik ga jullie doodmaken!”. [slachtoffer 3] hoorde dat verdachte dit herhaalde. [slachtoffer 3] zag dat [voornaam van verdachte] heel gericht drie of vier klappen gaf richting zijn gezicht met gebalde linker- en rechtervuisten. [slachtoffer 3] werd geraakt door de vuisten. Hij voelde dat [voornaam van verdachte] hem daarna met een van zijn vuisten op zijn hoofd raakte en hem op zijn rechteroog sloeg.3

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij met zijn collega’s [verdachte] bezocht in de separeer. [voornaam van verdachte] riep naar hen: “Ik maak jullie allemaal kapot”.4

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat [verdachte] met beide vuisten achter elkaar naar [voornaam van slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ) sloeg.5 [getuige 2] zag dat verdachte nog twee klappen kon geven aan [voornaam van slachtoffer 3] en dat die klappen op het hoofd van [voornaam van slachtoffer 3] kwamen. Eén van de klappen kwam op zijn oogkas en de andere ergens op zijn wang.6

Op grond van voornoemd bewijs is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 14 juli 2016 in [vestigingsplaats] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en heeft mishandeld door hem meerdere malen tegen zijn gezicht te slaan.

Parketnummer 16/653370-17:


feit 1 en feit 2:

Verdachte heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:


feit 1:

- verklaring van verdachte;7

- aangifteformulier winkeldiefstal;8


feit 2:

- verklaring van verdachte;9

- proces-verbaal van aangifte.10

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 november 2017 en 6 december 2017 busjes deodorant heeft gestolen bij [winkel] in [vestigingsplaats] .

feit 3:
Verdachte heeft het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 maart 2018;

  • -

    proces-verbaal van aangifte.11

De rechtbank stelt op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte vast dat er niets is buitgemaakt. Als gevolg daarvan acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een voltooide diefstal door inbraak. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder feit 3 primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen poging diefstal door braak in de periode van 23 september 2017 tot en met 24 september 2017 door in te breken bij het [organisatie 1] in [vestigingsplaats] door bakstenen door de ruit te gooien, naar binnen te gaan, het pand te doorzoeken en een kassalade te forceren terwijl niets is weggenomen, zoals tenlastegelegd onder feit 3 subsidiair.

Nu bewijs dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd ontbreekt, zal hij van het in vereniging plegen van dit feit worden vrijgesproken.

feit 4:12

[B] heeft namens [organisatie 2] in [vestigingsplaats] verklaard dat op 14 september 2017 een verpleegkundige vertelde dat [verdachte] zojuist over de schutting was geklommen met een tas en dat er een laptop van hen weg was. Toen [verdachte] terugkwam vertelde hij dat hij de laptop had meegenomen.13

De laptop is van het merk Lenovo.14

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de laptop heeft gestolen.15

Gelet op deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 september 2017 in [vestigingsplaats] een laptop van het merk Lenovo van [organisatie 2] heeft gestolen.

Aangever heeft ook verklaard dat op de kamer van verdachte een portemonnee lag die van een patiënt bleek te zijn en dat uit die portemonnee 20 euro miste. Het enkele feit dat deze portemonnee op de kamer van verdachte is aangetroffen is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verdachte deze portemonnee en het geldbedrag van 20 euro ook heeft gestolen. De rechtbank zal verdachte daarom in zoverre van feit 4 vrijspreken.

feit 5:16

[slachtoffer 2] verklaarde op 8 april 2017 dat hij die dag aan het werk was bij de [organisatie 3] .17 [verdachte] kwam op hem af en gaf hem een paar rake klappen tegen zijn hoofd met gebalde vuisten.18

De [organisatie 3] is gevestigd in [vestigingsplaats] .19

Verdachte heeft verklaard dat hij [voornaam van slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) twee vuistslagen in zijn gezicht heeft gegeven.20

Op grond van de inhoud van het dossier is niet vast komen te staan dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geschopt of geslagen toen [slachtoffer 2] op de grond lag. Ook is niet vast komen te staan dat verdachte heeft geschopt tegen het hoofd van [slachtoffer 2] . Als gevolg daarvan acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] . Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 5 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 april 2017 in [vestigingsplaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem meerdere keren tegen het hoofd te stompen en in die zin de onder feit 5 subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd. Nu bewijs dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geschopt of geslagen terwijl hij op de grond lag ontbreekt zal verdachte in zoverre van dit feit worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

16/251955-16:

feit 1:

op 14 juli 2016 te [vestigingsplaats] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] (en zijn collega’s) meerdere malen dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga jullie doodmaken!” en “Ik maak jullie allemaal kapot!”;

feit 2:

op 14 juli 2016 te [vestigingsplaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 3] meerdere malen te slaan tegen zijn gezicht;

parketnummer 16/653370-17:

feit 1:

op 6 december 2017 te [vestigingsplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen busjes deodorant toebehorende aan [winkel] ;

feit 2:

op 21 november 2017 te [vestigingsplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen busjes deodorant toebehorende aan [winkel] ;

feit 3 subsidiair:

in de periode van 23 september 2017 tot en met 24 september 2017 te [vestigingsplaats] ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand gelegen aan de [adres] weg te nemen voorwerpen toebehorende aan [organisatie 1] [vestigingsplaats] en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen door middel van braak, opzettelijk naar dat pand is toegegaan, waarna hij bakstenen door een ruit van voornoemd pand heeft gegooid en vervolgens voornoemd pand is binnengegaan en voornoemd pand heeft doorzocht en een kassalade in voornoemd pand heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4:

op 14 september 2017 te [vestigingsplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop (merk Lenovo) toebehorende aan [organisatie 2] ;

feit 5 subsidiair:

op 8 april 2017 te [vestigingsplaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] ) meermalen met kracht tegen het hoofd heeft gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder parketnummer 16/251955-16 feit 1 en 2 en parketnummer 16/653370-17 feit 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

parketnummer 16/251995-16 feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

parketnummer 16/251955-16 feit 2 en parketnummer 16/653370-17 feit 5 subsidiair:

telkens: mishandeling;

parketnummer 16/653370-17 feit 1, 2 en 4:

telkens: diefstal;

parketnummer 16/653370-17 feit 3 subsidiair:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen vaststellen dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de delicten. Uit het Pro Justitia rapport van 19 maart 2018 blijkt dat verdachte ten aanzien van vijf van de zeven ten laste gelegde feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar was. Daarnaast kan verdachte zich een aantal dingen niet meer herinneren, maar sommige dingen wel. Zijn verklaringen passen niet bij een psychose. Ook zijn middelengebruik speelt een grote rol. De officier van justitie verzoekt derhalve om verdachte ten aanzien van alle feiten verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld kort weergegeven, dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij ten tijde van het plegen van de delicten volledig ontoerekeningsvatbaar was. Verdachte was tijdens het plegen van de delicten psychotisch.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Psychiaters drs. F. Nhass (supervisor) en drs. B. Marsaoui (supervisant) rapporteren in het Pro Justitia rapport van 19 maart 2018 dat de toerekeningsvatbaarheid voor de vijf feiten (onder parketnummer 16/653370-17- rechtbank) die zij ter beoordeling hebben gehad wordt beschouwd als verminderd. De geestelijke beperkingen van verdachte die inherent zijn aan de gestelde diagnoses hebben de drempel om over te gaan tot hetgeen waar hij van verdacht wordt lager gemaakt. Er was echter deels ook sprake van doelbewust en berekenend gedrag dat betrokkene heeft geuit ten aanzien van de vermogensdelicten en de poging tot zware mishandeling.

De rechtbank onderschrijft deze conclusie tot verminderde toerekeningsvatbaarheid en maakt deze tot de hare.

Ten aanzien van de twee delicten onder parketnummer 16/251995-16, die niet ter beoordeling aan de psychiaters zijn voorgelegd, is niet vast komen te staan dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar was. Maar gelet op zijn verblijf in de [organisatie 3] en zijn psychische toestandsbeeld ten tijde van deze delicten zoals dit blijkt uit de aangifte en de diverse getuigenverklaringen, is er voldoende grond om verdachte ook hiervoor verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Gezien het bovenstaande zal de rechtbank verdachte ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen. Het verweer van de raadsman tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid wordt derhalve verworpen.

8 OPLEGGING VAN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren op te leggen. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor het moment dat de noodzakelijkheid en wenselijkheid van voortzetting van de ISD-maatregel getoetst moet worden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest met een voorwaardelijk strafdeel erbij. Hierdoor kan verdachte, die nog in een rechterlijke machtiging loopt, in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: BOPZ) weer worden opgenomen in een GGZ-instelling. De ISD-maatregel is niet aan de orde, omdat het psychiatrisch onderzoek en het reclasseringsrapport onvolledig en onvoldoende zijn, nu niet alle feiten zijn meegenomen door de rapporteurs. Daarbij komt dat een opname in een ISD-instelling niet de noodzakelijke steun voor verdachte biedt. De ISD-maatregel voorziet ook niet in een dwangbehandeling, die wellicht noodzakelijk is voor verdachte. De zorg die verdachte in het kader van de BOPZ krijgt is beter dan de zorg in het ISD-traject. De verdediging verzoekt (meer) subsidiair om plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Wetboek van Strafrecht. Mocht de rechtbank toch menen dat de ISD-maatregel noodzakelijk is, dan verzoekt de raadsman om dit op te leggen voor 6 maanden of één of twee jaar, maar met een toetsingsmoment na één jaar.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een fors aantal gewelds- en vermogensdelicten. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen aangetoond geen enkel respect te hebben voor het eigendomsrecht en de lichamelijke integriteit van anderen, maar ook veel schade, overlast en hinder veroorzaakt. Verdachte was ten tijde van het plegen van de delicten opgenomen in een kliniek om zich te laten behandelen en de rechtbank vindt ten aanzien van de geweldsdelicten het extra kwalijk dat zijn agressie was gericht tegen het personeel van deze klinieken.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 6 februari 2018. Daaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten. Ook blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf, ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en dat deze vrijheidsstraffen ten uitvoer zijn gelegd. Deze veroordelingen betreffen onder meer een veroordeling door de rechtbank Zwolle van 26 januari 2012 tot een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een veroordeling door de rechtbank Utrecht van 15 november 2012 tot een gevangenisstraf van 2 maanden en een veroordeling door de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2013 tot een gevangenisstraf van 2 weken.

Uit de bovengenoemde rapportage Pro Justitia door psychiaters drs. F. Nhass (supervisor) en drs. B. Marsaoui (supervisant) van 19 maart 2018, blijkt dat verdachte lijdt aan schizofrenie en dat hij een verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, cocaïne en ecstasy heeft. De kans op herhaling is groot indien hij hiervoor niet wordt behandeld. Geadviseerd wordt om een langdurige klinische behandeling in een forensische psychiatrische kliniek en op langere termijn een ambulante behandeling bij een forensisch FACT team waarbij verdachte in een gepaste setting beschermd kan wonen. Gezien de justitiële voorgeschiedenis en om voornoemde behandeling goed tot stand te brengen wordt geadviseerd om een ISD-maatregel op te leggen. Het opnieuw opleggen van een voorwaardelijk strafdeel wordt als niet toereikend gezien.

In het rapport van [organisatie 4] van 15 maart 2018, opgesteld door reclasseringsmedewerker [C] , wordt ook de ISD-maatregel geadviseerd. Op grond van het justitiële verleden, het niet meewerken aan eerder ingezette voorwaardelijke interventies en de inschatting van het hoge recidiverisico is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel het meest passend en geboden. Gedurende de ISD-maatregel kan een uitgebreid plan van aanpak worden opgesteld in de richting van eventuele (klinische) behandeling in een gedwongen kader welke de kans op recidive zou kunnen verkleinen.

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan voor het opleggen van de ISD-maatregel. Bewezen is verklaard dat verdachte meerdere misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan een van de bewezen verklaarde feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Uit de hiervoor genoemde rapportages blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst, de aard en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten en dat de dreiging van dwangbehandeling verdachte er niet van heeft weerhouden om delicten te plegen. Uit het gegeven dat veel van de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in of rond (verblijf van verdachte in) GGZ-instellingen leidt de rechtbank temeer af dat het beveiligingsniveau bij eerdere opnames niet volstond. Een strenger en veiliger kader is noodzakelijk. De rechtbank zal de ISD-maatregel opleggen.

Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie. Verdachte valt namelijk onder de definitie van stelselmatige dader. Hij is immers een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

Om de beëindiging van de recidive door verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van verdachtes problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel uit te voeren. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank acht het in dit geval aangewezen om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds – één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel – te beoordelen als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en zal dienovereenkomstig beslissen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 57, 63, 285, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BENADEELDE PARTIJ [bedrijfsnaam] BV [winkel]

[A] heeft zich namens benadeelde partij [bedrijfsnaam] BV [winkel] in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 60,54. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder parketnummer 16/653370-17 onder 2 ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 16/653370-17 onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 60,54 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 november 2017 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [bedrijfsnaam] BV [winkel] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 60,54, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 november 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijfsnaam] BV [winkel] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder parketnummer 16/653370-17 onder 3 primair en 5 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder parketnummer 16/251995-16 feit 1 en 2 en onder parketnummer 16/653370-17 onder feit 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder parketnummer 16/251995-16 feit 1 en 2 en onder parketnummer 16/653370-17 feit 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart onder parketnummer 16/251995-16 feit 1 en 2 en onder parketnummer 16/653370-17 feit 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;

- gelast de tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel en beveelt het openbaar ministerie de rechtbank binnen één jaar na de aanvang van de tenuitvoerlegging van deze maatregel daarover te berichten;

Benadeelde partij [bedrijfsnaam] BV [winkel]

- wijst de vordering van [bedrijfsnaam] BV [winkel] toe tot een bedrag van € 60,54;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [bedrijfsnaam] BV [winkel] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijfsnaam] BV [winkel] aan de Staat € 60,54 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mr. H. Vegter en mr. W.S. Ludwig, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Lootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 april 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Parketnummer 16/653370-17

1.

hij op of omstreeks 06 december 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer busjes deodorant, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 21 november 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een of meer busjes deodorant, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel] , in elk geval aan een ander of andere dan aan verdachte;

3.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2017 tot en met 24 september 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres] ) heeft weggenomen een of meer goederen en/of geld, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [organisatie 1] (Almere), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel braak, verbreking en/of inklimming,

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2017 tot en met 24 september 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand (gelegen aan de [adres] ) weg te nemen een of meer voorwerpen, althans enig goed, geheel of ten dele

toebehorend aan [organisatie 1] (Almere), in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen voorwerp(en) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, opzettelijk met zijn mededader(s), althans alleen, naar dat pand is toegegaan, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), althans een of meer van hen, een of meer bakste(e)n(en),

althans enig(e) voorwerp(en) door een of meer ruit(en) van voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben gegooid en/of vervolgens voornoemd pand is/zijn binnengegaan en/of voornoemd pand heeft/hebben doorzocht en/of een kassalade en/of een kast in voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 14 september 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een laptop (merk Lenovo) en/of een portemonnee met inhoud en/of een geldbedrag (in totaal 20 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [organisatie 2] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

Primair

hij op of omstreeks 08 april 2017 te Utrecht, althans in arrondisement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2]

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd/gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( vervolgens), zulks terwijl deze op de grond was gevallen en/of (weerloos) op de grond lag, met kracht en met geschoeide voet (met kracht) meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of de buik en/of het lichaam heeft geschopt en/of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd/gezicht en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 april 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] )

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd/gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( vervolgens), zulks terwijl deze op de grond was gevallen en/of (weerloos) op de grond lag, met kracht en met geschoeide voet (met kracht) meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of de buik en/of het lichaam heeft geschopt en/of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd/gezicht en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Parketnummer 16/251995-16

1.

hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] (en zijn collega's) eenmaal of meerdere malen dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga jullie doodmaken!" en/of "Ik maak jullie allemaal kapot!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 3] eenmaal of meerdere malen te slaan op/tegen zijn gezicht, in ieder geval op/tegen zijn lichaam;

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 28 november 2016, genummerd PL0900-2016228358, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 16. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, pagina 5.

3 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, pagina 6, eerste en derde alinea.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 10.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 8.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 9, eerste alinea.

7 een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 6 december 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , opgenomen op pagina’s 23 tot en met 26 in het dossier met proces-verbaalnummer 2017368626, pagina 26, zesde alinea.

8 een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, van 6 december 2017, opgenomen op pagina’s 6 en 7 in het dossier met proces-verbaalnummer 2017368626, pagina 6.

9 een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 6 december 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , opgenomen op pagina’s 23 tot en met 26 in het dossier met proces-verbaalnummer 2017368626, pagina 25, derde alinea onder het kopje “Zakelijke verklaring”.

10 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van afschrift van aangifte van 22 november 2017, opgemaakt door [verbalisant 2] , opgenomen op pagina’s 28 tot en met 30 in het dossier met proces-verbaalnummer 2017354526

11 een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 2 oktober 2017, opgenomen op pagina’s 37 tot en met 39 in het dossier met proces-verbaalnummer 2017292159, pagina 37, laatste alinea.

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 17 september 2017, genummerd PL0900-2017282509, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

13 Proces-verbaal van aangifte, met proces-verbaalnummer PL0900-2017282509-1, blad 2, derde en vierde alinea.

14 Proces-verbaal van verhoor aangever [B] , met proces-verbaalnummer PL0900-2017282509-9, blad 1, laatste alinea.

15 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 maart 2018.

16 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 24 april 2017, genummerd PL0900-2017105310, opgemaakt door politie Midden-Nederland, genummerd pagina 1 tot en met pagina 43. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

17 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, pagina 24.

18 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, pagina 25, vierde alinea.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 9, vierde alinea.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 39.