Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1838

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
C/16/450898 / HA RK 17-275
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Verkeersongeval. Afwijzing verzoek om causaal verband vast te stellen enkel op basis van medische informatie uit behandelend circuit. Verzoek benoeming deskundige kan niet in deelgeschil, verzoek tijdens mondelinge behandeling gewijzigd in verzoek te beslissen welke deskundige het gezamenlijk te entameren psychiatrisch onderzoek zal gaan verrichten. Rechtbank benadert zelf één van de door partijen voorgestelde deskundige. Afwijzing nader voorschot, onder andere vanwege onduidelijkheid over causaal verband kan over voorschot op de schadeomvang niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud worden beslist. Voor buitengerechtelijke kosten € 5.000 (van de verzochte € 70.000) toegewezen in verband met nog te verrichten psychiatrische expertise. Kosten deelgeschil in zoverre niet redelijk voor zover deze betrekking hebben op verzoek over causaal verband en voorschot: op basis van huidige stand van de rechtspraak in deelgeschillen is van deze verzoeken inmiddels wel duidelijk dat een en ander wordt afgewezen als daaraan geen objectief medisch rapport ten grondslag ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0394
JA 2018/110
RAV 2018/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/450898 / HA RK 17-275

Beschikking ex artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (deelgeschil) van 25 april 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. A. Boulogne te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. UNIVÉ SCHADE,

gevestigd te Assen,

verweerster,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen worden hierna [verzoekster] en Univé genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift “beslissingen deelgeschil (art. 1019w Rv)” met productie 1 tot en
    met 14, ter griffie ingekomen op 1 december 2017;

  • -

    het verweerschrift ex artikel 1019w Rv met productie 1 tot en met 13, ter griffie ingekomen op 23 maart 2018;

  • -

    de “aanvulling verzoek beslissingen deelgeschil (art.1019w Rv)” met productie 15 tot en met 17, ter griffie ingekomen op 4 april 2018;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 9 april 2018, waarvan aantekening is gehouden;

  • -

    een voorblad behorend bij productie 16, overgelegd ter zitting namens [verzoekster] ;

  • -

    de schriftelijke versie van de verklaring zoals [verzoekster] die ter zitting heeft voorgelezen.

1.2.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 18 januari 2011 is [verzoekster] een verkeersongeval overkomen op de [adres] ter hoogte van [plaats] . Daarbij is [verzoekster] rijdend in haar Peugeot 206 aan de linkerachterzijde aangereden door een automobilist in een Opel Astra, die met een snelheid van 115 tot 120 km/uur, zowel links als rechts, andere weggebruikers inhaalde. [verzoekster] reed op dat moment 90 km/uur. De auto van [verzoekster] is gaan tollen, tegen de vangrail gebotst en tot stilstand gekomen midden op de twee rijbanen.

2.2.

De automobilist van de Opel Astra is bij vonnis van 4 juni 2013 van de politierechter van deze rechtbank onherroepelijk veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden en een proeftijd van twee jaar wegens rijden onder invloed van alcohol en drugs.

2.3.

Univé heeft als WAM-verzekeraar van de automobilist aansprakelijkheid erkend voor de schade die het gevolg is van het ongeval dat [verzoekster] is overkomen.

2.4.

Ten tijde van het ongeval was [verzoekster] voor 40 uur per week werkzaam als schadecorrespondente bij [bedrijf] in [vestigingsplaats] . Het dienstverband is per 1 mei 2015 beëindigd. Aan [verzoekster] is met ingang van 16 januari 2013 een WIA-uitkering toegekend.

2.5.

In het kader van de letselschadeafwikkeling heeft dr. R.J.J. Devilee, orthopedisch chirurg, op gezamenlijk verzoek van partijen een orthopedische expertise verricht. Devilee heeft op 4 april 2017 gerapporteerd. De inhoud van het rapport luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

VI. Beschouwing

Betrokkene heeft bij het litigieuze ongeval een trauma doorgemaakt van de rechterschouder en de rechterknie. Er zijn initieel hij het röntgenonderzoek geen posttraumatische afwijkingen aan deze gewrichten vastgesteld. Er wordt op de foto en de MRI mogelijk een dèle beschreven in de patella, doch dit is een afwijking die reeds op het eerste röntgenonderzoek aanwezig is zonder dat er aanwijzingen zijn voor fracturen. Verder is dit deel radiologisch sclerotisch begrensd, zodat dit geen verse traumatische afwijking is. Een MRI van 4 maart laat alhier ook geen oedeem zien, hetgeen een niet traumatische oorsprong van deze afwijking ondersteunt. Voor zover te beoordelen is het kraakbeen van de patella op de MRI intact. Er is sprake geweest van een soort dashboardtrauma, zoals betrokkene het mij beschreven heeft, hetgeen een trauma van de patella wel mogelijk maakt. Het klachtenpatroon zoals betrokkene mij dat momenteel aangeeft past bij klachten uitgaande van het patellofemorale gewricht. Het lichamelijk onderzoek met crepitaties patellofemoraal en pijnklachten bij de test van Rabot bevestigen het idee dat sprake is van een patellofemoraal pijnsyndroom zonder dat op de diverse radiologische onderzoeken afwijkingen aan de patella zijn geconstateerd.

Betrokkene heeft een contusie van de rechterschouder doorgemaakt die in de loop der tijd hersteld is. Er zijn nu nog lichte restklachten in de schouder aanwezig, waarbij momenteel bij het lichamelijk onderzoek alleen sprake is van tendomyogene klachten van de m. trapezius pars descendens en de levator scapulae insertie. Er zijn geen aanwijzingen voor structurele pathologie uitgaande van het schoudergewricht. Ik heb op basis van het radiologisch onderzoek en het huidig lichamelijk onderzoek geen reden om aan te nemen dat naar de toekomst toe de situatie van de rechterschouder zal verslechteren als gevolg van bij het ongeval opgelopen letsel. Betrokkene was voor het ongeval bekend met uitgebreide en langdurige nekklachten tendomyogeen van aard na een eerder ongeval. Deze klachten zouden in de toekomst kunnen recidiveren, mede gezien de vermelding van betrokkene dat de huidige klachten uitgaande van de schouder ook sterk stress gerelateerd zijn. Dit heeft dan echter geen relatie met het litigieuze ongeval.

In de loop van de tijd zijn na het litigieuze ongeval klachten in het rechter onderbeen ontstaan. Het is onduidelijk wanneer deze klachten precies zijn ontstaan. De behandelende sector heeft op basis van de anamnestisch door betrokkene aangegeven klachten, aangegeven dat een en ander zou kunnen passen hij een CRPS type 1, doch bij het lichamelijk onderzoek zijn geen objectiveerbare afwijkingen gevonden die volgens de criteria volgens Bruehl, de diagnose CRPS type 1 rechtvaardigden. Op basis van foto’s die betrokkene mij heeft laten zien is er in de voet wel sprake geweest van enige trofische stoornis. Of die samenhangen met het doorgemaakte ongeval is moeilijk door mij vast te stellen, danwel te ontkennen. Het is mij niet duidelijk wanneer deze klachten precies zijn ontstaan. De door betrokkene aangeleverde foto’s hebben geen datum. Of zij deze afwijkingen ook gekregen zou hebben als haar het ongeval niet was overkomen is moeilijk met zekerheid te bevestigen noch te ontkennen. In het dossier komt ook een vermelding van een ontsteking van een van de tenen voor. Ook een dergelijke ontsteking kan een trofisch beeld uitlokken. Ik kan hierover geen duidelijke onderbouwende uitspraak doen. Het huidige klinische beeld past op basis van de tegenwoordig gebruikte Boedapest-criteria (en ook de in het verleden genoemde Bruehl criteria) niet bij een actieve CRPS type 1.

Voor de knie is sprake van een patellofemoraaÏ pijnsyndroom. Voor wat betreft de enkel en het onderbeen is sprake van restklachten na trofische stoornissen die in de loop der tijd zijn ontstaan, waarvan betrokkene mij aangegeven heeft dat die vanaf het begin van het ongeval zijn ontstaan, doch zij is door meerdere behandelaars gezien en geen enkele behandelaar spreekt in de acuut posttraumatische fase over een dystrofie. Wel wordt door een van de fysiotherapeuten beschreven dat sprake is van een verstoorde stofwisseling. Omdat de diagnose CRPS type T nooit gesteld is kan ik ook geen voorbehoud maken voor een eventueel recidief dat bij dit ziektebeeld voorkomt. De door betrokkene aangegeven sensibiliteitsstoornissen in de voet en aan de laterale zijde van het onderbeen, kan ik niet op basis van structurele afwijkingen verklaren.

In de loop der tijd heeft zij een scala aan klachten ontwikkeld, met klachten in de rug, de nek, de pols, de linkerknie en het bekken. Ik kan geen relatie aantonen tussen het litigieuze ongeval en de klachten die zich gaande de jaren voor kortere danwel langere tijd hebben voorgedaan. Op dit moment kan ik aan de diverse gewrichten geen afwijkingen vaststellen.

Op basis van de huidige situatie zijn beperkingen aannemelijk bij lopen, lopen over onregelmatige grond, traplopen, hurken, knielen, kruipen, tillen vanuit de knieën, dragen, duwen, trekken en fietsen en zitten met diep gebogen knieën.

Naar de toekomst toe heb ik geen reden om aan te nemen dat een verslechtering kan gaan optreden op basis van posttraumatische artrose van de schoudergordel. Zoals reeds genoemd kunnen tendomyogene klachten recidiveren, doch dat staat dan los van het litigieuze ongeval. Voor wat betreft de knie heb ik geen kraakbeenpathologie kunnen aantonen. Het laatste röntgenonderzoek laat ook geen aanwijzingen zien voor degeneratieve afwijkingen, zodat de kans dat posttraumatische artrose gaat ontstaan als gevolg van een kraakbeenletsel dat ontstaan zou zijn door het dashboardtrauma klein geacht wordt maar niet volledig uitgesloten kan worden.

(…)

VII. Beantwoording vraagstelling

(…)

Consistentie.

(…)

Antwoord vraag 1d:

Er is sprake van onderlinge samenhang waar het gaat om de informatie die verkregen werd van betrokkene zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en de bevindingen bij onderzoek en het aanvullend röntgenonderzoek.

Betrokkene heeft mij aangegeven dat vanaf het begin pijnklachten in het rechteronderbeen en de voet aanwezig geweest zijn. Dat kan ik op basis van het dossier niet bevestigen. Haar daarmee confronterend heeft betrokkene aangegeven dat zij dat meerdere malen heeft aangegeven bij de diverse behandelaars, doch dat niemand daar een notitie van gemaakt heeft. De correspondentie maakt geen gewag van trofische stoornissen. Pas in 2012 wordt door de revalidatieartsen melding gemaakt van een beeld dat klinisch niet voldoet aan de op dat moment veel gebruikte criteria van Bruehl om een CRPS type I vast te kunnen stellen.

(…)

Diagnose.

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Antwoord vraag lf:

Als diagnose stel ik dat sprake is van restklachten en beperkingen uitgaande van de rechterknie als gevolg van een patellofemoraal pijnsyndroom. Voor wat betreft het rechter onderbeen is sprake van intermitterend optredende pijnklachten zonder dat ik op orthopedisch vakgebied daarvoor een anatomische afwijking heb kunnen vaststellen.

Differentiaal diagnostisch kan gedacht worden aan restklachten na een doorgemaakte CRPS type 1 doch deze diagnose is nooit gesteld.

Ik kan de relatie tussen deze klachten en het litigieuze ongeval niet met zekerheid vaststellen. Anamnestisch wordt gesuggereerd dat er een duidelijke relatie is tussen het ongeval en deze klachten, doch op basis van het dossier kan ik dat onvoldoende onderbouwen.

(…)”

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en na aanvulling van het verzoek:

  1. voor recht te verklaren dat de klachten van [verzoekster] in causaal verband staan met het ongeval van 18 januari 2011;

  2. één van de door [verzoekster] voorgedragen psychiaters (Van Marle, Schoutrop) te benoemen als onafhankelijke deskundige om op verzoek van partijen en op kosten van Univé een psychiatrische expertise te verrichten aan de hand van de IWMD-vraagstelling, onder overlegging van het orthopedische expertiserapport met bijlagen;

  3. te bepalen dat Univé binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoekster] , door middel van overboeking op haar rekening en onder aftrek van de betaalde voorschotten van € 35.000,00, voldoet, subsidiair als voorschot op die schade voldoet:
    - een bedrag van € 25.261,21 als vergoeding voor geleden schade tot en met het eerste kwartaal 2012;
    - een bedrag van € 42.793,44 als vergoeding voor gederfd woongenot (€ 40.176,92) en medische kosten (€ 2.616,52);
    - een bedrag van € 40.000,00 als voorschot op het geleden verlies arbeidsvermogen;
    - een bedrag van € 17.500,00 als (eerste) voorschot op de immateriële schade;

  4. te bepalen dat Univé binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan de advocaat van [verzoekster] , door middel van overboeking op haar rekening, subsidiair aan [verzoekster] ter doorbetaling aan haar advocaat, voldoet:
    - een bedrag van € 70.000,00 als vergoeding voor openstaande buitengerechtelijke kosten, althans een op dat bedrag te bepalen voorschot;
    - een bedrag van € 10.235,15 (inclusief 6% kantoorkosten en 21% btw), te vermeerderen met het griffierecht van € 1.545,00 als te begroten bedrag van de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] het volgende ten grondslag. Met betrekking tot de verzochte verklaring voor recht dat sprake is van causaal verband stelt [verzoekster] dat zij sinds het ongeval op 18 januari 2011 kampt met zowel lichamelijke, orthopedische, als psychische klachten. De huisarts heeft de klachten aan de rechtervoet geduid als dystrofie. Ook is sprake van klachten aan de rechterschouder. Gedurende de periode april 2011 tot en met september 2012 is [verzoekster] bij angstcentrum Ipzo onder behandeling geweest van een psycholoog die PTSS diagnosticeerde. De psychologische behandeling is, in verband met de revalidatiebehandeling die (al) plaatsvond in het St. Antonius Ziekenhuis, overgenomen door de daaraan verbonden klinisch neuropsycholoog. [verzoekster] is van mening dat al deze klachten ongevalsgevolg zijn. Dit volgt volgens [verzoekster] uit alle consistente informatie uit de behandelend sector en de overige informatie over de klachten. Ook als het medisch causaal verband tussen de psychische klachten van [verzoekster] en de daaruit voortvloeiende schade enerzijds en het ongeval anderzijds niet zou komen vast te staan, dan nog is voldoende aannemelijk dat sprake is van causaal verband in juridische zin gelet op de medische informatie uit de behandelend sector, in samenhang met de arbeidsongeschiktheid aansluitend aan het ongeval, de afwezigheid van die klachten vóór het ongeval en de aard van het ongeval. Dit geldt ook voor de dystrofie, ook al heeft Devilee het medisch causaal verband niet kunnen vaststellen.

Het verzoek om een psychiater te benoemen licht [verzoekster] als volgt toe. Partijen zijn het er over eens dat een psychiatrische expertise moet plaatsvinden. Zij zijn het er ook over eens dat daarbij de IWMD-vraagstelling moet worden gebruikt. Partijen kunnen het alleen niet eens worden over de te benoemen deskundige.

Voor wat betreft de verzochte betaling van diverse schadeposten (al dan niet bij wijze van voorschot) stelt [verzoekster] dat de rechtbank op basis van de juridische causaliteit en aan de hand van de door haar overgelegde informatie alvast een deel van de schadeposten kan beoordelen, althans een aanvullend voorschot kan toekennen. Voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten stelt [verzoekster] dat voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. De omvang van de werkzaamheden is aanzienlijk, vooral door de opstelling van Univé en haar medisch adviseur en ook door het feit dat de communicatie met [verzoekster] vrijwel geheel schriftelijk plaatsvindt vanwege haar lichamelijke en psychische gesteldheid. Er is tot op heden feitelijk, dat wil zeggen na afgedragen verschotten en btw, slechts € 7.140,48 als vergoeding voor werkzaamheden ontvangen.

3.3.

Univé voert gemotiveerd verweer en stelt zich daarbij op het standpunt dat dit verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, indien en voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv, een deelgeschilprocedure. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren.

4.2.

Univé is van mening dat geen sprake (meer) is van een verzoek dat zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Door zeer substantiële voorschotten te verzoeken in combinatie met de verklaring voor recht over het causaal verband en een deskundigenbenoeming, legt [verzoekster] in feite het gehele geschil aan de rechtbank voor. Om hierover te kunnen beslissen moeten namelijk alle relevante juridische vragen worden beantwoord. Overigens hoort het verzoek tot het entameren van een deskundigenonderzoek niet thuis in deze procedure, daarvoor dient de procedure van artikel 202 e.v. Rv.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of het verzoek van [verzoekster] “een deelgeschil” is, stelt de rechtbank het volgende voorop. De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Partijen verschillen van mening over de vraag of er sprake is van (voortdurende) klachten en beperkingen bij [verzoekster] die aan het ongeval kunnen worden toegeschreven en over de vraag of Univé gehouden is een (substantieel) voorschot te voldoen. Deze verzoeken vallen op zichzelf binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Dit geldt niet voor het verzoek om een deskundige te benoemen. Dat dient te lopen via de verzoekschriftprocedure voorlopig deskundigenbericht. Omdat het verzoek op dit punt tijdens de mondelinge behandeling is gewijzigd, de rechtbank komt daarop hierna nog terug, zal dit als zodanig niet in deze beoordeling over de geschiktheid van het verzoek (de verzoeken) als deelgeschil worden betrokken. Met een oordeel over het causaal verband en een (nader) voorschot kán de ontstane impasse tussen partijen in principe worden doorbroken en zouden de onderhandelingen in principe kunnen worden voortgezet en mogelijk kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De omstandigheid dat eventueel nadere bewijsvoering noodzakelijk is, maakt niet dat [verzoekster] niet in haar verzoek kan worden ontvangen, maar zal in voorkomend geval leiden tot afwijzing van het verzoek. De rechtbank zal de verzoeken daarom inhoudelijk beoordelen.

causaal verband

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat Univé gehouden is de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval lijdt, te vergoeden. Tussen partijen is in geschil de omvang van de schade, waarbij Univé zich op het standpunt stelt dat – wat volgens haar ook uit de orthopedische rapportage volgt - geen sprake is van voortdurende klachten die met zich meebrengen dat door [verzoekster] meer schade wordt geleden dan het bedrag van € 35.000,00 dat Univé reeds aan voorschotten heeft betaald. Zonder nader onafhankelijk deskundigen-onderzoek kan [verzoekster] volgens Univé dan ook niet bewijzen dat sprake is van klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval.

4.5.

De vraag die daarmee moet worden beantwoord is of het causaal verband tussen de gestelde klachten (en beperkingen) enerzijds en het ongeval anderzijds op dit moment kan worden vastgesteld.

Anders dan [verzoekster] is de rechtbank van oordeel dat op basis van de medische informatie waarnaar zij verwijst niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten van [verzoekster] . Die medische informatie is namelijk afkomstig uit de behandelend sector. Als er discussie is over het causaal verband, zoals hier het geval is, moet er objectief onderzoek gedaan worden. Daaraan is weliswaar deels, namelijk voor wat betreft de lichamelijke klachten, voldaan, maar van het onafhankelijke onderzoek dat Devilee heeft verricht, geeft [verzoekster] zelf aan dat zij nog een aantal vragen/opmerkingen over het rapport heeft die zij ter beoordeling wil voorleggen aan haar medisch adviseur (en eventueel aan een andere orthopedisch chirurg). Wat betreft [verzoekster] kan van de inhoud van het rapport van Devilee dus kennelijk niet zonder meer worden uitgegaan. Voor wat betreft de psychische klachten geldt dat er nog geen onafhankelijk deskundigenonderzoek is verricht. Partijen zijn het er wel over eens dat dat moet gebeuren, maar het is dus nog niet voorhanden. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank bij de huidige stand van zaken niet vaststellen dat de gestelde klachten van [verzoekster] in causaal verband staan tot het ongeval. [verzoekster] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld, de nu beschikbare gegevens zijn daarvoor in ieder geval niet toereikend, dat het vereiste causaal verband tussen haar klachten en het haar overkomen ongeval bestaat. Er is eerst nader onderzoek naar de medische causaliteit nodig voordat de (juridische) causaliteit kan worden beoordeeld. Er zal dus duidelijkheid moeten komen over de vraag in hoeverre de orthopedische klachten ongevalsgevolg zijn, in beginsel op basis van het rapport van Devilee dat immers op gezamenlijk verzoek is opgesteld en waaruit in principe - kort gezegd - volgt dat het causaal verband niet (met zekerheid) valt vast te stellen. Ook zijn partijen het er over eens dat psychiatrisch onderzoek moet volgen. Om zicht te krijgen op de beperkingen bij [verzoekster] zal vervolgens een verzekeringsgeneeskundige aan de hand van de uitkomsten van de medische onderzoeken een belastbaarheids- en beperkingenprofiel moeten opstellen, waarna er een arbeidsdeskundige geraadpleegd moet worden over de
- kort gezegd - verdiencapaciteit van [verzoekster] . Op dit moment is derhalve nog geenszins het stadium bereikt dat duidelijkheid bestaat over de klachten, en de beperkingen die daarvan het gevolg zijn, die kunnen worden toegeschreven aan het [verzoekster] overkomen ongeval, terwijl zoals de rechtbank ook onder 4.3. heeft overwogen, binnen de deelgeschilprocedure geen ruimte bestaat voor (uitgebreide) bewijslevering. Het verzoek om het causaal verband tussen klachten en ongeval vast te stellen zijn, zal daarom worden afgewezen.

benoeming deskundige

4.6.

Zoals de rechtbank hiervoor al aangaf, is het oorspronkelijke verzoek tot het benoemen van een deskundige gewijzigd. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat met dit verzoek bedoeld is aan de rechtbank voor te leggen te beslissen welke deskundige de expertise moet verrichten, waarna partijen vervolgens in gezamenlijke opdracht de expertise laten verrichten. Na een korte schorsing voor overleg is namens [verzoekster] te kennen gegeven dat geen overwegende bezwaren bestaan tegen de namens Univé voorgestelde psychiater N.J. de Mooij te Velp. In overleg met partijen is afgesproken dat de rechtbank contact zal opnemen met De Mooij om te informeren of hij bereid is de expertise te verrichten en daartoe ook op korte termijn in de gelegenheid is. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal de rechtbank een andere psychiater benaderen. Dit omdat de rechtbank van oordeel is dat partijen, [verzoekster] vooral, het meest geholpen zijn indien nu zo snel mogelijk een psychiatrisch onderzoek wordt verricht bij [verzoekster] .
De rechtbank heeft de heer De Mooij schriftelijk (per e-mail) benaderd. De heer De Mooij heeft de rechtbank daarop laten weten dat hij in de gelegenheid is en het hem ook vrij staat om een expertise aangaande [verzoekster] te verrichten. Wat betreft de termijn waarop het onderzoek zou kunnen plaatsvinden heeft de heer De Mooij aangegeven dat hij [verzoekster] op 4 juli 2018 zou kunnen onderzoeken en dat partijen op een termijn van twee weken na het onderzoek de conceptrapportage kunnen verwachten, waarna het definitieve rapport in principe twee weken later beschikbaar is. Gezien het feit dat het onderzoek op relatief korte termijn kan plaatsvinden en de rapportage daarna snel beschikbaar is, zal de rechtbank het verzoek in die zin toewijzen dat bepaald wordt dat het in gezamenlijke opdracht te entameren psychiatrisch onderzoek zal worden verricht door de heer N.J. de Mooij, als psychiater verbonden aan Praktijk voor psychiatrie en psychotherapie te Velp.

4.7.

De heer De Mooij heeft aan de rechtbank laten weten dat hij genoemde datum van 4 juli 2018 heeft gereserveerd voor [verzoekster]. [verzoekster] wordt daarom verzocht om zo snel mogelijk – bij voorkeur binnen één week – na ontvangst van deze uitspraak (zo nodig vooruitlopend op de te geven gezamenlijke opdracht tot onderzoek) aan de heer De Mooij kenbaar te maken of deze datum schikt.

voorschotten

4.8.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vraag of Univé (nader) moet bevoorschotten voorop dat de aard van de deelgeschilprocedure met zich brengt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de thans in het geding gebrachte stukken vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoekster] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door Univé betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is, zoals hiervóór ook is overwogen, in een deelgeschilprocedure immers in beginsel geen plaats, terwijl het in voorkomend geval ook niet zou gaan om een overzichtelijke, eenvoudige bewijskwestie op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou zien op dat uitgangspunt een uitzondering te maken. Omdat het causaal verband niet kan worden vastgesteld (zie rechtsoverweging 4.5.) bestaat ook te weinig duidelijkheid over de omvang van de aan het ongeval toe te rekenen schade. Dit betekent dat de rechtbank nu niet kan vaststellen dat [verzoekster] een vorderingsrecht heeft dat het reeds verstrekte voorschot overstijgt. Het verzoek tot bevoorschotting wordt daarom afgewezen.

buitengerechtelijke kosten

4.9.

[verzoekster] vraagt vergoeding van openstaande buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 70.000,00, althans een op dat bedrag vast te stellen voorschot. Univé voert - verkort weergegeven - aan dat zij met de betaling van een totaalbedrag van € 25.297,17 de redelijk te achten buitengerechtelijke kosten heeft vergoed. Een aanvullend voorschot van maar liefst € 70.000,00 zou betekenen dat tot heden meer dan € 95.000,00 aan buitengerechtelijke kosten in deze zaak zijn gemaakt. Univé vindt dit bedrag exorbitant en het kan volgens haar op geen enkele wijze de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.
De rechtbank is van oordeel dat de verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (als voorschot) niet voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Hoewel het op zichzelf genomen redelijk is dat [verzoekster] gezien het haar overkomen ongeval kosten maakt, waaronder kosten van rechtsbijstand, is de rechtbank van oordeel
dat in verband met de nog bestaande onduidelijkheid over - en volgens Devilee afwezigheid van - het causaal verband en daarmee over de omvang van de schade, Univé niet gehouden is tot het voldoen van het in totaal verzochte bedrag aan buitengerechtelijke kosten. In de omstandigheid dat partijen het erover eens zijn dat een psychiatrische expertise nodig is, waarbij het vanzelfsprekend is dat [verzoekster] moet worden bijgestaan door haar advocaat, ziet de rechtbank aanleiding dit deel van het verzoek toe te wijzen tot op een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige wordt het verzoek afgewezen.

kosten deelgeschil

4.10.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 10.235,15 (inclusief 6% kantoorkosten en 21% btw), te vermeerderen met het griffierecht van € 1.545,00.

Primair is Univé van mening dat de deelgeschilkosten op nihil moeten worden begroot. Verder voert Univé aan dat de opgevoerde kosten bovenmatig hoog zijn. Zij wijst erop dat tot de indiening van het verzoekschrift maar liefst 28 uur en 30 minuten is besteed, terwijl daarvan een twintigtal brieven of e-mails van en naar [verzoekster] uitmaken, wat volgens Univé overbodig is. Aan het opstellen van het verzoekschrift is meer dan 25 uur besteed, wat volgens Univé volstrekt niet past bij het relatief beperkte verzoekschrift van 11 pagina’s. Indien de kosten begroot worden dienen deze inclusief de mondelinge behandeling beperkt te blijven tot een bedrag van maximaal € 3.000,00 exclusief btw en griffierecht wat Univé betreft. Univé heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek (wat de conclusie zou rechtvaardigen dat gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen omdat sprake is van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv), moet wel aan Univé worden toegegeven dat het verzoekschrift “tegen beter weten in is ingediend”. Dit geldt dan met name voor het verzoek over het causaal verband (en in het verlengde daarvan de verzochte betaling van diverse voorschotten). Op basis van de huidige stand van de rechtspraak in deelgeschillen is daarvan inmiddels immers wel duidelijk dat zo’n verzoek wordt afgewezen indien daaraan geen onafhankelijk medisch rapport ten grondslag ligt. Dit heeft daarom als consequentie dat in zoverre niet kan worden geoordeeld dat sprake is van redelijke kosten. Voor het overige is de onderhavige zaak naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee niet in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 15 uren x € 190,00 exclusief btw en kantoorkosten, derhalve op € 3.655,41 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 1.545,00. Univé zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld.

4.11.

Omdat tegen de beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open staat, zal de rechtbank de verzochte uitvoerbaarbijvoorraadverklaring afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat het in gezamenlijke opdracht te entameren psychiatrisch onderzoek zal worden verricht door de heer N.J. de Mooij, psychiater, verbonden aan de Praktijk voor psychiatrie en psychotherapie, Den Bruijl 11, 6881 AN Velp, (026) 36 38 297, contact@praktijkdemooij.nl, www.praktijkdemooij.nl.;

5.2.

verzoekt [verzoekster] zo snel mogelijk – bij voorkeur binnen één week – na ontvangst van deze beschikking aan de heer De Mooij kenbaar te maken of de gereserveerde datum van 4 juli 2018 schikt (zie rechtsoverweging 4.7.);

5.3.

veroordeelt Univé tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 5.000,00 als nader voorschot op de buitengerechtelijke kosten;

5.4.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.655,41, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 1.545,00 en veroordeelt Univé tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel en is in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.1

1 type: MAR4186 coll: PK