Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1829

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
16/660134-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor ontucht met een minderjarige. De verdachte heeft zijn nichtje bij haar borsten betast. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Zie ook herstelvonnis 16/660134-17, d.d. 18 april 2018 ECLI:NL:RBMNE:2018:1830

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660134-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1962] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E. Leunk en van hetgeen verdachte en mr. J.J.J. Broekhuizen, advocaat te Putten, alsmede de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hun raadsman mr. C. Nierop, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 8 september 1997 tot en met 8 september 2000 te Warnsveld met [slachtoffer 1] , die de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

Feit 2: in de periode van 24 november 1994 tot en met 24 november 2000 te Warnsveld met [slachtoffer 2] , die de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

3 VOORVRAGEN

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De rechtbank overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie het volgende. Onder 1 is aan verdachte tenlastegelegd dat hij met de minderjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) ontuchtige handelingen heeft gepleegd, waarbij onder gedachtestreepje 1, 2 en 4 handelingen zijn tenlastegelegd die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] en waarbij onder gedachtestreepje 3 is tenlastegelegd het betasten van de borsten van [slachtoffer 1] . Het plegen van ontuchtige handelingen, die (mede) bestaan uit seksueel binnendringen, met iemand tussen de 12 en 16 jaren oud is strafbaar gesteld in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) . Indien de rechtbank later in dit vonnis bij de beoordeling van de vraag of het onder 1 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard tot het oordeel zou komen dat verdachte moet worden vrijgesproken van de handelingen genoemd onder de gedachtestreepjes 1, 2 en 4, komt de rechtbank niet meer toe aan beoordeling van de vraag of verdachte de borsten van [slachtoffer 1] heeft betast. Het enkele betasten van de borsten, zonder dat ook ontuchtige handelingen zijn gepleegd die zijn aan te merken als het seksueel binnendringen van het lichaam, valt immers niet onder de strafbaarstelling van artikel 245 Sr, maar onder de strafbaarstelling van artikel 247 Sr. In laatstgenoemd artikel is namelijk strafbaar gesteld het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de 16 jaren oud, zonder dat daarbij (ook) sprake is van seksueel binnendringen. De rechtbank stelt vast dat dit feit ten aanzien van [slachtoffer 1] is verjaard op 8 september 2015.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat, bij vrijspraak van de gedragingen die bij het onder 1 tenlastegelegde onder de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 zijn opgenomen, de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het impliciet subsidiair onder 1 tenlastegelegde artikel 247 Sr. De officier van justitie is voor het overige ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Schorsing van de vervolging
De rechtbank stelt vast dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat beide aangeefsters consistent hebben verklaard, dat zij specifieke details benoemen en dat zij open en eerlijk zijn over hetgeen zij zich niet meer herinneren. Hun verklaringen staan niet op zichzelf, maar zij vinden bevestiging in elkaar. De verklaringen worden daarnaast ondersteund door delen van een dagboek van [slachtoffer 1] en door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Verdachte heeft alleen dat deel van het misbruik bekend dat strafrechtelijk verjaard blijkt te zijn, wat té toevallig en ongeloofwaardig is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van beide feiten aangevoerd dat de verklaringen van aangeefsters onbetrouwbaar zijn, nu zij inconsistent en onjuist verklaren. Voor beide feiten geldt dat de aangifte onvoldoende wordt ondersteund om te kunnen voldoen aan het wettig bewijsminimum.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht niet wettig bewezen hetgeen de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring(en) van één getuige.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde worden verdachte meerdere, met losse gedachtestreepjes aangeduide, strafbare gedragingen verweten. De rechtbank zal deze gedragingen afzonderlijk van elkaar bespreken.

Onder het eerste gedachtestreepje wordt verdachte verweten dat hij één of meer vingers in de vagina van [slachtoffer 1] heeft geduwd. [slachtoffer 1] verklaart dat dit incident heeft plaatsgevonden tijdens Moederdag in 2000. [slachtoffer 1] was bij de markt van haar vader in Duitsland en ging samen met verdachte met de auto pizza halen. In de auto ging verdachte met zijn hand in de broek van [slachtoffer 1] en verdachte heeft haar vervolgens gevingerd. [slachtoffer 1] heeft meerdere malen tegen verdachte gezegd: ‘niet doen’.

De vader van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij hem heeft verteld dat verdachte haar had gevingerd in de auto in Duitsland, bij het pizza halen. [getuige 2] heeft verklaard dat zij van [slachtoffer 2] weet dat verdachte met zijn vingers in de vagina van [slachtoffer 1] heeft gezeten. Zij koppelt dit niet aan een bepaalde plaats of een bepaalde datum. [slachtoffer 2] heeft niet over dit voorval verklaard. De rechtbank overweegt dat de verklaring van de vader van [slachtoffer 1] van [slachtoffer 1] zelf afkomstig is en daarmee uit dezelfde bron. De verklaring van [getuige 2] is niet gespecificeerd naar plaats en tijd en wordt voorts niet ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] , van wie [getuige 2] zegt haar informatie te hebben gekregen. Schakelbewijs kan evenmin steun bieden aan de verklaring van [slachtoffer 1] , aangezien de modus operandi van verdachte niet overeenkomt met de gedragingen bij andere strafbare feiten die door verdachte zijn gepleegd. Omdat er naast de verklaring van [slachtoffer 1] geen ander bewijs is dat afkomstig is uit een andere bron, wordt niet voldaan aan het bewijsminimum. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde gedraging.

Onder het tweede gedachtestreepje wordt verdachte verweten dat hij zijn penis in de mond van [slachtoffer 1] heeft gebracht. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn de enige personen die over deze gedraging verklaard hebben. Zij geven aan dat zij dit van [slachtoffer 1] hebben gehoord. Zij geven echter geen concrete of specifieke details over deze gedraging, zoals tijd en/of plaats. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] verklaard zich niet te kunnen herinneren dat zij verdachte oraal heeft moeten bevredigen. Dat dit gebeurd zou zijn leidt zij alleen af uit het feit dat zij het heel onprettig vindt om orale seks te geven. De rechtbank zal verdachte van de onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde gedraging vrijspreken, nu het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten bevat om ten aanzien van dit onderdeel tot een bewezenverklaring te komen.

Onder het vierde gedachtestreepje wordt verdachte verweten dat hij met [slachtoffer 1] heeft getongzoend. Alhoewel [slachtoffer 1] bij de politie heeft verklaard dat ze wel eens met verdachte heeft gezoend en dat hij haar altijd probeerde te zoenen met de tong, kan zij geen concrete momenten aanwijzen waarop dit zou zijn gebeurd. Bij de rechter-commissaris verklaart zij dat zij niet weet of verdachte haar op haar mond zoende en of zij moesten tongzoenen. Daarnaast bevindt er zich ook ten aanzien van dit gedachtestreepje geen bewijs in het dossier dat afkomstig is uit een andere bron. De rechtbank zal verdachte dus ook van de onder het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde gedraging vrijspreken.

Onder het derde gedachtestreepje wordt verdachte verweten dat hij de borsten van [slachtoffer 1] heeft betast. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat dit meerdere keren is gebeurd, onder andere in de keuken bij verdachte thuis. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat verdachte van de onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje ten laste gelegde gedragingen zal worden vrijgesproken. De onder deze gedachtestreepjes ten laste gelegde gedragingen behelzen ontuchtige handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] . Het betasten van de borsten van [slachtoffer 1] kwalificeert niet als zodanig. Weliswaar zou dit feit, indien bewezen, kunnen kwalificeren als overtreding van artikel 247 Sr (ontucht met een persoon onder de 16 jaar, zonder binnendringen), maar dit feit is, zoals blijkt uit hetgeen de rechtbank bij de voorvragen heeft overwogen, verjaard.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit deels vrijspreken. De rechtbank hecht er nog aan op te merken dat deze vrijspraak niet impliceert dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar acht. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaring, omdat de rechtbank - ook als wordt aangenomen dat deze verklaring betrouwbaar is - op grond van het bovenstaande niet tot een bewezenverklaring kan komen. Voor de gedragingen zoals beschreven na het derde gedachtestreepje zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging, nu dat feit is verjaard.

Ten aanzien van feit 2

Bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 18 augustus 2016 doet [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), geboren op [1988] , aangifte tegen verdachte, haar oom.2 [slachtoffer 2] heeft het volgende verklaard: “(…) Dat was op een zaterdag. In de herfst van 1999. (…) Mijn borstjes proberen te betasten. (…) [verdachte] . Ik had nog niet echt borsten, ik was 11, ja bij de tepels. (…) Bij mijn oom [verdachte] en tante [A] (…). Dan was het bij de deur in de hal. Wonen ze nog in dat huis? Ja. Hoe is dat gegaan? Ik ging altijd met mijn neefjes [B] en [C] spelen. We speelden de Lion King. [verdachte] was toen alleen thuis, samen met de kinderen dan. Ik was beneden en probeerde hij met zijn hand onder mijn shirt te komen, via de hals en via de buik. Waar ging die hand naar toe? Naar mijn borsten, hij wilde mijn tepels betasten en dat is hem ook deels gelukt. Ik hield mijn handen voor mijn bosten, maar ja hij is sterker. (…) Ik had mijn handen tegen mijn borsten aan. Om mijn tepels te beschermen en ik zei: “Nee.” en ik schudde “Nee.”. Heeft hij je tepels ook betast? Ja, maar ik duwde steeds zijn handen weg, maar hij kwam wel steeds terug met zijn handen naar mijn tepels, onder mijn t-shirt. Hij probeerde het meerdere keren.”3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij sinds 1997 tot aan heden woont op het adres [adres] te [woonplaats] .

[slachtoffer 1] , geboren op [1985]4, heeft verklaard dat zij met haar zusje bij oom [verdachte] ging logeren toen haar ouders op wintersport waren. Oom [verdachte] kwam bij hen in bed liggen met alleen een boxershort aan. Haar zusje [slachtoffer 2] lag voor haar en oom [verdachte] lag achter haar. Hij ging toen aan haar borsten zitten.5 [slachtoffer 1] heeft daarnaast verklaard dat er nog meer dingen met oom [verdachte] zijn gebeurd. Zo kan zij zich onder meer herinneren dat zij aan het spelen was voor de bank en hij achter haar op de bank zat. Hij heeft toen aan haar borsten gezeten.6 In de tijdlijn die bij de aangifte gevoegd is staat dat verdachte in januari 1994 bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in bed is gekropen en dat [slachtoffer 1] op [1996] , toen zij 10 jaar oud was, door [verdachte] bij haar borsten is betast.7

Op 28 februari 2018 is verdachte verhoord bij de rechter-commissaris. Verdachte verklaart dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nichtjes van hem zijn. Zij kwamen in hun kinderjaren bij hem over de vloer. Eén keer was toen hun ouders in 1994 op wintersport waren voor een week. Verdachte heeft verklaard dat hij die keer in de avond bij de meisjes op bed heeft gelegen en dat hij toen met zijn hand onder de dekens is geweest. Verdachte heeft [slachtoffer 1] op haar rug gekriebeld, dit is over gegaan naar haar billen, haar buik en haar tepels. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lagen allebei in dat bed. Het aanraken van de borsten van [slachtoffer 1] was op haar huid. Met de borsten bedoelt verdachte bij de tepels.8 Verdachte heeft verklaard dat het betasten van [slachtoffer 1] een aantal keren bij hem thuis is gebeurd, steeds op de manier hoe hij het eerder omschreef. Het is ook één of twee keer bij [slachtoffer 1] thuis gebeurd, op haar slaapkamer. Hier heeft verdachte haar op dezelfde plekken gestreeld: haar rug, haar buik en haar tepels. Dat was hetzelfde als de situatie bij verdachte thuis. Dit was in de periode tussen 1994 en 1996.9

Schakelbewijs

Verdachte heeft bekend zich in de periode tussen 1994 en 1996 schuldig te hebben gemaakt aan ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 1] , welke handelingen bestonden uit het betasten van haar borsten. Omdat deze handelingen strafrechtelijk bezien inmiddels verjaard zijn, zijn deze niet aan verdachte tenlastegelegd. De handelingen vormen naar het oordeel van de rechtbank echter wel een ander, soortgelijk, strafbaar feit als het onder 2 ten laste gelegde betasten van de borsten van [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat deze feiten op grond van specifieke en kenmerkende gelijkenissen op essentiële punten overeenkomen, zodat de door verdachte toegegeven feiten mede tot bewijs kunnen dienen van het ten laste gelegde feit. De rechtbank acht hierbij het volgende van belang.

De ontuchtige handelingen van verdachte bestonden telkens uit het betasten van de borsten en – meer specifiek – de tepels van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij zijn beiden nichtjes van verdachte en stonden zo in dezelfde (familie)relatie tot verdachte. Ook blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ongeveer dezelfde leeftijd hadden op het moment dat verdachte hen betastte. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij in de periode tussen 1994 en 1996 meerdere keren de borsten van [slachtoffer 1] heeft betast. In 1996 was [slachtoffer 1] 10 jaar oud. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar borsten betastte in de herfst van 1999. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] toen tevens 10 dan wel net 11 jaar oud was. Voorts vonden de ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] plaats in de woning van verdachte. Bij het incident tijdens de wintersport in 1994 was [slachtoffer 2] ook aanwezig.

Gelet op de bewijsmiddelen en de voorgaande bewijsoverweging in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verschillende door verdachte begane strafbare feiten op essentiële punten overeenkomen. De rechtbank dicht hierbij grote waarde toe aan de specifieke gelijksoortige modus operandi van verdachte. Beide slachtoffers zijn nichtjes van hem, destijds met vrijwel dezelfde leeftijd, en de nagenoeg identieke ontuchtige handelingen vonden telkens plaats in de woning van verdachte.

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 2]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. Zo heeft [slachtoffer 2] bij de politie verklaard dat het betasten van haar borsten zou hebben plaatsgevonden in de herfst van 1999 in de woning van verdachte in Leesten. Verdachte is echter in maart 1997 verhuisd naar Warnsveld . Dit betreft dus een onjuistheid in de verklaring van [slachtoffer 2] . Daarnaast verklaart [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris dat zij denkt dat zij ten tijde van het tenlastegelegde 7 of 8 jaar oud was. Dit is een groot verschil met de leeftijd die zij noemt in de door haar opgestelde tijdlijn.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar. [slachtoffer 2] heeft weliswaar verklaard dat het incident in Leesten heeft plaatsgevonden, maar zij verklaart direct daarop dat het incident heeft plaatsgevonden in het huis waar haar oom nu nog woont. Het huidige BRP-adres van verdachte is [adres] in [woonplaats] en verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd hier vanaf 1997 tot nu toe te wonen. Aangezien het incident in de herfst van 1999 heeft plaatsgevonden en [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte vandaag de dag nog in het betreffende huis woont, overweegt de rechtbank dat het noemen van Leesten door [slachtoffer 2] een kennelijke vergissing is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze vergissing haar verklaring nog niet onbetrouwbaar.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer dat [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris een andere verklaring heeft afgelegd dan bij de politie over haar leeftijd ten tijde van het betasten van haar borsten het volgende. [slachtoffer 2] heeft in haar politieverhoor van 18 augustus 2016 uitvoerig gereconstrueerd waarom dit incident in de herfst van 1999 moet hebben plaatsgevonden. Zij verklaart hierover het volgende: Ik weet nog welk t-shirt ik aan had. Die hebben we opgezocht in een fotoalbum. Mijn vader ging al naar Duitsland, ik ging naar de basisschool en ik weet dat ik dat t-shirt aan had in die zomer. Het was een geel met groenig gestreept t-shirt. Qua temperatuur kan ik me herinneren, herfstig. We waren al op vakantie geweest. Mijn vader was in Duitsland en de scholen waren weer begonnen.” Zoals reeds is vastgesteld, had [slachtoffer 2] in de herfst van 1999 de leeftijd van 10 dan wel net 11 jaar. Gelet op de uitgebreide en zeer gedetailleerde beschrijving met betrekking tot de periode waarop het incident zich heeft afgespeeld, acht de rechtbank deze verklaring betrouwbaar. Daarnaast blijkt niet dat [slachtoffer 2] met haar verklaring bij de rechter-commissaris, inhoudende: “U vraagt mij hoe oud ik was bij het incident dat ik hier heb genoemd in de woning van mijn oom. Ik denk 7 of 8 jaar”, doelt op het ten laste gelegde incident van het betasten van de borsten. Zij heeft bij de rechter-commissaris immers over meerdere incidenten verklaard en uit de verklaring blijkt niet op welk incident het hiervoor aangehaalde citaat betrekking heeft.

Conclusie

De rechtbank is dan ook – gelet op al het bovenstaande – van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het betasten van de borsten van [slachtoffer 2] , zoals onder 2 ten laste is gelegd.

Partiële vrijspraak

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verdachte verweten gedraging van het (grotendeels naakt) bij [slachtoffer 2] in bed gaan liggen het volgende.

Uit de door aangeefsters opgestelde tijdlijn blijkt dat voornoemde aan verdachte verweten handeling heeft plaatsgevonden in januari 1994. Onder feit 2 is een pleegperiode ten laste gelegd van 24 november 1994 tot en met 24 november 2000. Nu voornoemde aan verdachte verweten handeling heeft plaatsgevonden buiten de ten laste gelegde periode, zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

op één tijdstip in de periode van 24 november 1994 tot en met 24 november 2000, te Warnsveld met [slachtoffer 2] , geboortedatum [1988] , buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 2] aan haar borsten te betasten, terwijl die [slachtoffer 2] de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Verdachte is ondernemer en heeft samen met zijn vrouw een tweetal boekwinkels. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal enorme gevolgen hebben voor verdachte en zijn gezin. Zijn onderneming zal namelijk failliet gaan. Een vrijheidsbenemende straf doorkruist tevens de ingezette behandeling bij GGNet. Verdachte is bereid om mee te werken aan een eventueel op te leggen meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting. De verdediging verzoekt de rechtbank dan ook om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en voor het overige een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering beschreven bijzondere voorwaarden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met zijn nichtje, die destijds niet ouder dan 11 jaar oud is geweest, door haar bij haar borsten te betasten. Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, mogelijk doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Uit een toelichting van [slachtoffer 2] ter terechtzitting blijkt dat zij van dit feit ook daadwerkelijk gevolgen heeft ondervonden en ook thans nog ondervindt. Het misbruik heeft voorts grote impact gehad op de familie. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij het vertrouwen dat [slachtoffer 2] en haar ouders in hem hadden op die manier heeft geschaad.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 23 februari 2018.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 28 maart 2018, opgemaakt door mw. J. Boenink, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat verdachte in 2016 in beeld is gekomen bij de reclassering vanwege een toenmalige verdenking van het downloaden dan wel bezitten van kinderporno. Deze verdenking werd afgedaan met een voorwaardelijk sepot met bijzondere voorwaarden in het kader van de INDIGO-aanpak (reclasseringstoezicht, behandelverplichting en meewerken aan de controle van gegevensdragers). Verdachte werd hiertoe aangemeld bij een forensisch psychiatrische polikliniek, maar het behandeltraject kwam inhoudelijk nauwelijks van de grond. De behandelaar concludeerde in februari 2018 dat er onvoldoende behandeling had plaatsgevonden op het gebied van seksueel overschrijdend gedrag. De behandeling werd begin 2018 stopgezet. Het feit dat na het bewezenverklaarde een seksueel delict plaatsvond (downloaden kinderporno), er door behandelaren een seksuele stoornis werd vastgesteld en een behandeling met name door de houding van betrokkene niet van de grond kwam, maakt dat er vanuit de reclassering zorg blijft bestaan over de kans op herhaling van seksueel grensoverschrijdend gedrag in het algemeen. Vanuit die optiek zou een behandeling gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag opnieuw geïndiceerd zijn en dan in geval van veroordeling ook specifiek op de ten laste gelegde ontucht. Betrokkene staat daar zelf ambivalent tegenover maar wil wel meewerken aan een intake bij een andere polikliniek. De praktijk zal moeten uitwijzen of dit inhoudelijk van de grond gaat komen. Wellicht dat een strikter voorwaardelijk kader dan dat er was hieraan kan bijdragen. Voorgesteld wordt om een reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen, waarbij betrokkene verplicht wordt zijn actieve medewerking te verlenen aan een behandeltraject gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook waar het de betreffende ontucht aangaat.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank ook rekening met de proceshouding van verdachte. Verdachte geeft slechts beperkt openheid van zaken. Deze houding valt niet te rijmen met het berouw waar verdachte mee schermt. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.

De rechtbank is uiteindelijk slechts tot de bewezenverklaring van één feit gekomen, welk feit geruime tijd geleden is gepleegd. Gelet op deze omstandigheden is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank niet passend. De rechtbank acht het van groot belang - ter preventie van toekomstig seksueel overschrijdend gedrag - dat de ingezette behandeling van verdachte wordt voorgezet. De rechtbank zal verdachte dan ook een voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht en een behandelverplichting opleggen.

Op basis van alle hiervoor overwogen omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.201,01. Dit bedrag bestaat uit € 201,01 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.185,43. Dit bedrag bestaat uit € 185,43 materiële schade en € 4.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

10.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig toe te wijzen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen, gelet op de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, nu deze onvoldoende zijn onderbouwd. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen, gelet op soortgelijke zaken.

10.4

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

[slachtoffer 2]

De schade voor zover die betrekking heeft op de materiële schade van € 185,43 en de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-, ter hoogte van in totaal € 1.185,43, komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade aansluiting gezocht bij schadevergoedingen die zijn toegewezen in soortgelijke zaken. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 1.185,43 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 augustus 2016 (dag van de aangifte) tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen, nu de rechtbank verdachte voor een deel van de feiten waarvoor de benadeelde partij schadevergoeding heeft gevorderd, zal vrijspreken. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.185,43, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 augustus 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 21 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk ten aanzien van de gedragingen zoals beschreven in feit 1, derde gedachtestreepje;

Vrijspraak

- verklaart het voorts onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich binnen vijf werkdagen na het vonnis moet melden bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16D te Zutphen. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* wordt verplicht om zich te laten behandelen bij een instelling voor ambulante forensische psychiatrie, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. De behandeling zou zich moeten richten op duurzame preventie van het seksueel grensoverschrijding gedrag;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.185,43;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt verdachte in de proceskosten, aan de zijde van [slachtoffer 2] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. J.G. van Ommeren en D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van A.W. van Wijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 april 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij (op één of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 8

september 1997 tot 8 september 2000, te Warnsveld, in ieder geval in Nederland

en/of op een locatie te Duitsland,

met/bij [slachtoffer 1] , geboortedatum [1985] ,

buiten echt, één of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (mede)

bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

immers heeft verdachte

- één of meer van zijn vingers in haar vagina geduwd/gebracht;

- zijn penis in haar mond gebracht;

- haar borsten betast en/of

- met haar getongzoend,

terwijl die [slachtoffer 1] die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien jaren had bereikt;

art 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 24 november

1994 tot en met 24 november 2000, te Warnsveld, in ieder geval in Nederland,

met [slachtoffer 2] , geboortedatum [1988] ,

buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door die [slachtoffer 2]

aan haar borsten te betasten

en/of (grotendeels naakt) bij die [slachtoffer 2] in bed te gaan liggen,

terwijl die [slachtoffer 2] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 15 maart 2017, genummerd PL0600-2017037319 Z, opgemaakt door politie Oost-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 109. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte van 18 augustus 2016, gedaan door [slachtoffer 2] , pagina 92.

3 Het proces-verbaal van aangifte van 18 augustus 2016, gedaan door [slachtoffer 2] , pagina 96.

4 Het proces-verbaal van aangifte van 17 augustus 2016, gedaan door [slachtoffer 1] , pagina 21.

5 Het proces-verbaal van aangifte van 17 augustus 2016, gedaan door [slachtoffer 1] , pagina 23.

6 Het proces-verbaal van aangifte van 17 augustus 2016, gedaan door [slachtoffer 1] , pagina 24.

7 Het proces-verbaal van aangifte van 17 augustus 2016, gedaan door [slachtoffer 1] , pagina 32 (bijlage).

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2018, pagina 3.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 februari 2018, pagina 2.