Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1789

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
C/16/452526 / FA RK 18-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijzigen parteralimentatie. Man wordt veroordeeld in de proceskosten omdat deze onnodig zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/452526 / FA RK 18-63 (wijzigen partneralimentatie)

Beschikking van 24 april 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I.M. Redert,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Cortet.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van de man, ingekomen ter griffie op 22 december 2017, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw;

  • -

    de correspondentie, waaronder:

o het F9-formulier van 15 maart 2018 van de man, met producties 5 tot en met 8;

o het F9-formulier 16 maart 2018 van de man, met producties 9 en 10.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 27 maart 2018. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2
2. Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van 3 december 2014. Deze beschikking is op 6 januari 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2014 is - onder meer - bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 293,37 per maand aan de vrouw zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Daarnaast is bepaald dat de man met een bedrag van € 203,-- per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Ingevolge de wettelijke indexering is dit bedrag thans afgerond € 215,-- per maand.

2.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 11 december 2017 is bepaald dat de man met ingang van 15 juni 2017 een bedrag van € 422,-- per maand aan de vrouw zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ingevolge de wettelijke indexering is dit bedrag thans afgerond € 428,-- per maand.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De man verzoekt wijziging van de beschikking van 3 december 2014 wat betreft de daarin bepaalde bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, in die zin dat de bijdrage met ingang van 15 juni 2017, dan wel met ingang van een datum als de rechtbank juist acht, nader wordt bepaald op nihil, dan wel een bedrag als de rechtbank juist acht.

3.2.

De vrouw heeft ter zitting erkend dat de man - na de verhoging van de kinderalimentatie - geen draagkracht heeft voor de in de beschikking van 3 december 2014 bepaalde bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, nu dit volgt uit de door de man overgelegde financiële stukken. De vrouw heeft wel verweer gevoerd tegen de door de man verzochte ingangsdatum.. Daarnaast heeft de vrouw de rechtbank verzocht om de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3.

Uit de door de man overgelegde, met stukken onderbouwde, draagkrachtberekening volgt dat de man geen draagkracht heeft voor de in de beschikking van 3 december 2014 bepaalde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Niet langer in geschil is dat de man niet (langer) in staat is enige bijdrage te leveren in de kosten van levensonderhoud. De rechtbank zal daarom de door de man te betalen onderhoudsbijdrage bepalen op nihil.

ingangsdatum

3.4.

Met betrekking tot de ingangsdatum overweegt de rechtbank als volgt. De man verzoekt de wijziging van de bijdrage in te laten gaan per 15 juni 2017, omdat de man met ingang van die datum een bijdrage in de kosten tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw dient te voldoen van € 422,-- per maand. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzochte ingangsdatum.. Zij heeft gesteld dat de man het verzoek tot wijziging van de bijdrage eerder had kunnen doen. Dat hij dit heeft nagelaten, dient voor rekening en risico van de man te komen. De man heeft bovendien nagelaten om meteen bij het indienen van het verzoekschrift financiële stukken ten aanzien van zijn draagkracht over te leggen. Doordat hij dit pas in een later stadium heeft gedaan, heeft de vrouw pas later kunnen constateren dat de man geen draagkracht heeft voor partneralimentatie en heeft zij verweer moeten voeren. Dit dient ook voor zijn rekening en risico te komen. Van de vrouw kan niet worden verwacht dat zij de teveel ontvangen partneralimentatie terugbetaalt, gelet op haar beperkte inkomen. De vrouw heeft daarom verzocht een eventuele wijziging in te laten gaan per de datum van onderhavige beschikking.

3.5.

De rechtbank zal de wijziging van de partneralimentatie in laten gaan per datum van indiening van het verzoekschrift, te weten op 22 december 2017, omdat de vrouw in ieder geval vanaf dat moment redelijkerwijs rekening had kunnen houden met een eventuele wijziging. De wijziging gaat niet in op een eerdere datum omdat het aan (de advocaat van) de man te wijten is dat onderhavig verzoek niet al eerder, in de procedure tot wijziging van de kinderalimentatie, is gedaan.

terugbetaling

3.6.

De rechtbank overweegt verder dat de man de partneralimentatie tot op heden aan de vrouw heeft voldaan. Tussen partijen is daarnaast niet in geschil dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt. Dit brengt met zich dat de door de vrouw ontvangen partneralimentatie door de gemeente op de door haar ontvangen uitkering in mindering is gebracht, waardoor deze partneralimentatie niet (extra) aan de vrouw ten goede is gekomen. Indien de vrouw teveel ontvangen partneralimentatie dient terug te betalen, betekent dit dat zij over de betreffende periode een te lage uitkering ontvangen heeft, zodat de gemeente tot aanvulling van de uitkering dient over te gaan. De door de man betaalde c.q. op hem verhaalde partneralimentatie is daarentegen wel op diens inkomen in mindering gekomen ondanks dat het de man aan draagkracht ontbrak. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat van de vrouw kan worden gevergd de door haar teveel ontvangen partneralimentatie aan de man terug te betalen.

proceskosten

3.7.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure, omdat de vrouw onnodig nieuwe kosten heeft moeten maken, waaronder de eigen bijdrage en het griffierecht, omdat de man onderhavige procedure separaat is gestart. De man heeft daartegen verweer gevoerd en gesteld dat hij niet verplicht was om gedurende de eerdere procedure onderhavig verzoek aanhangig te maken. Hij heeft gesteld dat er geen reden is om af te wijken van de hoofdregel dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

3.8.

De rechtbank overweegt als volgt. De man, bijgestaan door zijn advocaat, heeft in de procedure tot wijziging van de kinderalimentatie ingestemd met een wijziging van deze bijdrage. De rechtbank is van oordeel dat de man - die immers bijstand had van zijn advocaat - zich destijds had moeten realiseren dat dit (rechts)gevolgen had voor zijn draagkracht ten aanzien van de partneralimentatie. Het is aan de man te wijten dat er opnieuw een procedure is gestart, terwijl onderhavig verzoek van de man destijds al behandeld had kunnen worden. De onderhavige procedure is dan ook onnodig opgestart. De rechtbank vindt hierin aanleiding om af te wijken van de gewoonte om in familiezaken de proceskosten te compenseren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man veroordelen in de proceskosten van de vrouw. Deze zullen worden begroot op de eigen bijdrage van de vrouw van € 287,--, zoals volgt uit de door de vrouw overgelegde toevoeging en € 79,-- wegens griffierecht, in totaal € 366,--. Voor een vergoeding van alle advocaatkosten van de vrouw ziet de rechtbank geen aanleiding. Om daartoe over te gaan moet er sprake zijn van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen van de man. Daarvoor heeft de vrouw te weinig gesteld.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 3 december 2014, wat betreft de daarin bepaalde bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw als volgt:

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw met ingang van 22 december 2017 zal verstrekken als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud nader op nihil;

4.2.

bepaalt dat de beschikking van deze rechtbank van 3 december 2014 voor het overige wordt gehandhaafd;

4.3.

veroordeelt de man in de kosten die de vrouw in het kader van deze procedure heeft gemaakt, tot op heden begroot op een bedrag van € 366,--;

4.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, rechter, in aanwezigheid van de griffier, mr. R.C. Kruit en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.