Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1786

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
C/16/458993 / KG ZA 18-225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, staking: De aangekondigde staking in het streekvervoer mag volgende week doorgaan. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland verbiedt de staking in het streekvervoer niet. Werkgeversvereniging WVOV was naar de rechter gestapt nadat twee vakbonden aangekondigd hadden om 30 april en 1 mei te gaan staken.

De vakbonden FNV en CNV hebben acties in het openbaar vervoer aangekondigd omdat zij menen dat de onderhandelingen over de cao voor het streekvervoer zijn vastgelopen. Zij hebben hun leden opgeroepen tot een algemene werkstaking gedurende 48 uur. WVOV wil dat de staking wordt verboden omdat de onderhandelingen nog volop bezig waren, de acties niet als laatste redmiddel zijn ingezet en omdat de acties voor de vervoersbedrijven en vooral voor de reizigers nadelige gevolgen hebben, juist in de meivakantie.

Volgens de rechter worden de werkgevers door de staking voor het blok gezet en zullen de acties voor werkgevers, maar ook voor derden, nadelige gevolgen en hinder veroorzaken. Reizigers kunnen twee dagen geen gebruik maken van streekbussen en regionale treinen. Maar dat de daarmee gemoeide schade en hinder zodanig is dat een verbod vanuit maatschappelijk oogpunt dringend noodzakelijk is, is niet voldoende aannemelijk geworden. De rechter vindt dat het recht om te staken in dit geval zwaarder weegt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/458993 / KG ZA 18-225

Vonnis in kort geding van 26 april 2018

in de zaak van

1. de vereniging met volle rechtsbevoegdheid

VERENIGING WERKGEVERS OPENBAAR VERVOER,

statutair gevestigd te Utrecht en kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARRIVA PERSONENVERVOER NEDERLAND B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Heerenveen,
3. de naamloze vennootschap

CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,

statutair gevestigd te Haarlem en kantoorhoudende te Hilversum,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EBS PUBLIC TRANSPORTATION B.V.,
statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Purmerend,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KEOLIS OPENBAAR VERVOER B.V.,
statutair gevestigd te Doetinchem en kantoorhoudende te Deventer,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
QBUZZ B.V.,
statutair gevestigd te Utrecht en kantoorhoudende te Amersfoort,
eiseressen,

advocaat mr. S. van Waegeningh te Amsterdam,

tegen

1. de vereniging met volle rechtsbevoegdheid

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
gedaagde sub 1,
advocaten mrs. J. van Osdam en A. Simsek,

2. de vereniging met volle rechtsbevoegdheid

CNV VAKMENSEN.NL,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
gedaagde sub 2,
advocaat mr. R. van der Stege.

Partijen zullen hierna VWOV en FNV en CNV genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de aan FNV en CNV betekende dagvaardingen,

  • -

    de producties 1 tot en met 38 van VWOV,

  • -

    de producties 1 tot en met 4 van FNV,

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 april 2018,

  • -

    de pleitnota van VWOV,

  • -

    de gezamenlijke pleitnota van FNV en CNV.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

Mag er op 30 april 2018 en 1 mei 2018 door het streekvervoer gestaakt worden? VWOV meent van niet en vordert daarom in deze procedure dat de door FNV en CNV aangekondigde staking wordt verboden of beperkt.

2.2.

In dit verband zal eerst – samengevat – worden weergegeven wat aan de beslissing van FNV en CNV om deze staking uit te roepen is voorafgaan.

Sinds het najaar van 2017 hebben VWOV en FNV en CNV overleg gevoerd over het afsluiten van een nieuwe cao voor het Openbaar Vervoer met als beoogde ingangsdatum
1 januari 2018. FNV en CNV hebben op respectievelijk 18 december en 22 december 2017 een ultimatum aan VWOV gesteld. Op grond van dit ultimatum diende VWOV uiterlijk op 2 januari 2018 aan al hun in dat ultimatum gestelde eisen (17 bij FNV en 13 bij CNV) te voldoen, bij gebreke waarvan op 4 januari 2018 zou worden gestaakt. Op 4 januari 2018 is er de hele dag gestaakt.


Op 12 januari 2018 hebben VWOV en FNV en CNV het cao-overleg hervat en op
15 januari 2018 hebben zij een onderhandelingsresultaat bereikt, dat door hen allen voor akkoord is ondertekend. FNV en CNV hebben daarbij uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat hun achterban met dit resultaat akkoord moest gaan.

Op 9 maart 2018 hebben zowel FNV als CNV schriftelijk aan VWOV laten weten dat hun achterban niet akkoord is met het onderhandelingsresultaat. FNV heeft daarbij opgemerkt dat zij graag om de tafel wil om betere afspraken te maken, dat het eerdere ultimatum daarbij uitgangspunt is en dat wanneer VWOV niet reageert of in de nieuwe gesprekken niet tot een goed resultaat wordt gekomen zij zich opnieuw zal beramen op acties.
CNV heeft daarbij opgemerkt dat er twee punten waren die onaanvaardbaar waren voor de achterban, namelijk de afspraken rondom de werkdruk en het tempo van de loonstijgingen.
Op 10 april 2018 heeft VWOV FNV verzocht om op voorhand de punten kenbaar te maken die voor FNV nog ter discussie stonden. FNV heeft daarop op 12 april 2018 geantwoord dat de eisen zoals verwoord in het ultimatum van 18 december 2018 onverminderd van kracht zijn. Bij deze reactie is verder gevoegd een “Concept referentiesheet“. Ter toelichting daarop heeft FNV geschreven dat dit mogelijk een oplossing biedt in de werkdruk issue, wat als een van de zwaarwegende onderwerpen is aangemerkt. VWOV en FNV en CNV zijn vervolgens op 16 april 2018 bij elkaar gekomen om verder met elkaar te overleggen.
Van die bespreking is een gespreksverslag opgemaakt.
VWOV heeft tijdens deze bespreking verzocht om haar een paar weken tijd te geven om de voorstellen van FNV en CNV te beoordelen en de gevolgen daarvan goed te wegen.
FNV heeft daarop aan VWOV laten weten dat zij haar een week de tijd wil geven om substantieel aan de eisen van het ultimatum tegemoet te komen en dat zij wanneer VWOV dit niet doet, genoodzaakt is om de geplande acties op 30 april en 1 mei door te laten gaan. CNV heeft kenbaar gemaakt dat zij ook vasthoudt aan haar ultimatum en dat zij ook binnen een week reactie wil op de voorstellen die zij heeft gedaan in aanvulling op het onderhandelingsresultaat. VWOV heeft daarop nogmaals verzocht om haar maar tijd te gunnen omdat er veel werk is doen om de voorstellen van FNV en CNV te kunnen beoordelen; zij heeft daarvoor de tijd nodig en wil zich niet onder druk laten zetten door een ultimatum of een geplande actiedag. FNV en CNV zijn bij hun standpunt gebleven. CNV heeft daarbij opgemerkt dat zij graag een schriftelijke reactie wil ontvangen op het voorstel dat zij heeft gedaan rondom werkdruk en de mogelijkheden voor loonruimte in relaties tot looptijd om vervolgens te kunnen beoordelen of het voldoende is om het gesprek met VWOV aan te gaan.

VWOV heeft FNV op 17 april 2018 verzocht om haar alsnog reële tijd (een paar weken) te geven voor het zorgvuldig kunnen bestuderen en beoordelen van de voorstellen van FNV.

VWOV heeft CNV op 17 april 2018 bericht dat zij spoedig schriftelijk zal reageren op de punten van CNV.
Op 18 april 2018 liet CNV aan VWOV weten dat zij zich op haar eerdere ultimatum beroept en dat wanneer VWOV niet vóór 26 april 2018 schriftelijk laat weten dat zij integraal aan de eisen in het ultimatum gehoor zal geven, er acties volgen, te beginnen met een landelijke 48-uurstaking op 30 april en 1 mei 2018 en daarna mogelijk gevolgd met onder meer estafettestakingen per concessie of stalling. Op 19 april 2018 heeft FNV aan VWOV bericht dat zij geen nieuwe eisen heeft gesteld, dat het ultimatum van 18 december 2017 met de daarin gestelde eisen nog van kracht is, dat aan die eisen tegemoet moet worden gekomen om acties te voorkomen, en dat VWOV tot uiterlijk 23 april 2018 de tijd heeft om dit te doen, bij gebreke waarvan op 30 april en 1 mei 2018 zal worden gestaakt.

Op 22 april 2018 heeft VWOV CNV een tegenvoorstel gedaan met betrekking tot de tekst voor een afspraak over beheersing van de werkdruk. Op 23 april 2018 heeft CNV aan VWOV laten weten dat dit tegenvoorstel niet acceptabel is, dat zij constateert dat VWOV nog steeds geen concreet voorstel heeft gedaan met betrekking tot een nieuw loonbod en de fasering daarvan en dat zij bij haar standpunt blijft dat partijen zijn uitonderhandeld.

2.3.

VWOV stelt zich op het standpunt dat er op 30 april en 1 mei aanstaande niet gestaakt mag worden, onder meer, omdat de aangekondigde staking volgens haar niet onder het bereik van artikel 6 aanhef en onder 4 Europees Sociaal Handvest (ESH) valt waardoor de wettelijke grondslag om te mogen staken ontbreekt. Voor het geval geoordeeld wordt dat de aangekondigde staking wel onder het bereik van de hiervoor genoemde bepaling van het ESH valt, dan voert VWOV aan dat de aangekondigde staking op grond van het Europese recht en artikel G ESH moet worden verboden. FNV en CNV voeren daartegen gemotiveerd verweer.

2.4.

De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.

2.5.

Artikel 6 aanhef en onder 4 ESH waarborgt het recht van werknemers of de hen vertegenwoordigde vakbonden om te staken/collectief op te treden wanneer sprake is van een belangengeschil.

Partijen zijn het terecht over eens dat in dit geval sprake is van een belangengeschil als bedoeld in dit artikel; er is tussen VWOV en FNV en CNV een geschil ontstaan over de inhoud van de af te sluiten cao voor het openbaar vervoer.

2.6.

VWOV meent echter dat de aangekondigde staking niet valt onder het bereik van dit artikel, omdat er volgens haar geen sprake is van een collectieve actie in de zin van dit artikel. Zij voert daartoe aan dat de aangekondigde staking niet kan bijdragen aan een doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen, omdat het onderhandelingsproces over de nieuw af te sluiten cao nog in volle gang is.

2.7.

De voorzieningenrechter volgt VWOV niet in dit door FNV en CNV betwiste standpunt. Acties zoals door FNV en CNV nu aangekondigd kunnen bijdragen aan de collectieve onderhandelingen en aan het totstandkomen van een evenwichtig akkoord, ook als verder overleg nog mogelijk is. Het argument dat VWOV hierbij aanvoert ziet in feite niet zozeer op de vraag of de staking kan bijdragen aan een onderhandelingsresultaat, maar veeleer of niet te vroeg naar het middel is gegrepen. Dat speelt geen rol bij de vraag of sprake is van een actie als bedoeld in artikel 6 ESH. Dat ziet op de subsidiariteit en de proportionaliteit en dat is aan de orde in het kader van de toetsing aan artikel G ESH. De conclusie is dat voldoende aannemelijk is dat de aangekondigde acties redelijkerwijs kunnen bijdragen aan een doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen.

De aangekondigde staking valt dus onder het bereik van artikel 6, aanhef en onder 4 ESH. Als uitgangspunt geldt dan ook dat er gestaakt mag worden.

2.8.

VWOV stelt zich op het standpunt dat de aangekondigde staking toch onrechtmatig is, reeds omdat niet is voldaan aan de ‘ultimum remedium’ toets. Zij meent dat deze toets zelfstandig moet worden toegepast zoals in het ‘Vikingarrest’(ECLI:EU:C:2007:772) omdat het recht op vrije vestiging in het geding is vanwege het feit dat de aandelen van bestaakte werkgevers in handen zijn van buitenlandse vennootschappen. Zij beroept zich daarbij op het arrest ‘Aget Iraklis’ (ECLI:EU:C:2016:972). Zij stelt dat het aan de bonden is om te bewijzen dat minder belastende middelen dan de aangekondigde acties zijn uitgeput en de staking echt als laatste redmiddel wordt ingezet. Dit is een strengere toets dan door de Nederlandse rechter op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt gehanteerd.
De voorzieningenrechter volgt VWOV daarin niet. De jurisprudentie van het Hof van Justitie betekent niet dat in deze zaak de vrijheid van vestiging in het geding is en dat daarom een strengere toets moet worden aangelegd. De voorzieningenrechter beoordeelt in het licht van het door de Hoge Raad inmiddels ontwikkelde toetsingskader, waarbij de proportionaliteit en de subsidiariteit van de acties als gezichtspunten worden meegewogen bij de zogenoemde materiële toets op grond van artikel G ESH, of op grond van een afweging van alle omstandigheden in redelijkheid tot de collectieve actie kan worden gekomen.

2.9.

VWOV stelt dat de aangekondigde staking op grond van artikel G ESH moet worden verboden. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan VWOV is om in deze procedure aannemelijk te maken dat een verbod naar de maatstaf van artikel G ESH gerechtvaardigd is. Dit is slechts het geval wanneer beperkingen van het recht op collectieve actie maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. Bij de beoordeling van die dringende noodzakelijkheid moeten alle omstandigheden mee worden gewogen.

Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden en de aard van die belangen en die schade. In dit verband kan ook, en onder omstandigheden zelfs beslissende, betekenis toekomen aan het antwoord op de vraag of een collectieve actie tijdig is aangezegd en of partijen waren uitonderhandeld.

2.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat VWOV niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat het verbieden van de aangekondigde staking maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is.

2.10.1.

De pijn zit er bij VWOV vooral in dat zij nog volop in onderhandeling was met FNV en CNV en dat aan haar na 16 april 2018 niet een reële tijd werd gegund om de nadere voorstellen van FNV en CNV te beoordelen. De bonden hebben hiermee volgens VWOV niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van hen in deze onderhandelingsfase mocht worden verwacht, mede gelet op de voorgeschiedenis waarbij op 15 januari 2018 overeenstemming was bereikt.

Het is duidelijk dat de bonden druk hebben willen zetten op de verdere onderhandelingen door op 16 april 2018 VWOV (maar) één week te geven voor een reactie. Uit het gespreksverslag van 16 april 2018, waarvan de inhoud niet door partijen is betwist, valt op te maken dat FNV aan VWOV heeft laten weten dat zij na de bespreking van die dag verlangde dat op korte termijn duidelijk zou zijn dat substantieel aan de eisen van het ultimatum tegemoet zou worden gekomen. Ook CNV heeft kenbaar gemaakt dat zij vasthoudt aan haar ultimatum en dat zij binnen één week een schriftelijke reactie wil ontvangen op het voorstel dat zij heeft gedaan rondom de werkdruk en de mogelijkheden voor loonruimte in relatie tot looptijd om vervolgens te kunnen beoordelen of het voldoende is om het gesprek met VWOV aan te gaan. De onderwerpen waarover de standpunten van partijen (ver) uit elkaar lagen waren al geruime tijd bekend en de wensen van FNV en CNV ook. Die zijn helder verwoord in het ultimatum van 18 en 22 december 2017. Het was VWOV vanaf 9 maart 2018 duidelijk dat die punten opnieuw (onverkort) op tafel lagen. Dat er op of kort voor 2018 zodanig nieuwe voorstellen zijn gedaan door de bonden of nieuwe wensen voorlagen dat VWOV daar niet binnen een week op had kunnen reageren is niet aannemelijk geworden. Daarbij is van belang dat het FNV en CNV kennelijk niet zozeer te doen was om een geheel uitgewerkte reactie of voorstel, maar een reactie waaruit duidelijk zou kunnen worden of en in hoeverre er aan hun eisen tegemoet zou worden gekomen, met name voor wat betreft de onderwerpen werkdruk en loonsverhoging. Het ging er om dat snel duidelijk moest worden of vertrouwen in een evenwichtig resultaat gerechtvaardigd was. In dat licht kan niet worden gezegd dat FNV en CNV onzorgvuldig hebben gehandeld in die zin, dat dit zou kunnen bijdragen aan een verbod om te gaan staken.

2.10.2.

VWOV voert verder aan dat de aangekondigde staking moet worden verboden omdat dit tot nadelige gevolgen voor met name de reizigers, juist in de meivakantie, zal leiden. Reizigers kunnen immers volgens haar gedurende twee dagen geen gebruik maken van streekbussen en regionale treinvervoerders. Dat de daarmee gemoeide schade en hinder zodanig is, dat een stakingsverbod vanuit maatschappelijk oogpunt dringend noodzakelijk is, is echter niet voldoende aannemelijk geworden. VWOV stelt dat door de staking het openbaar vervoer van en naar Schiphol volledig zal worden gefrustreerd en dat er chaos en veiligheidsrisico’s bij Schiphol zullen ontstaan. Dat is niet aannemelijk geworden.

Schiphol is als de streekbussen staken nog te bereiken met de NS-treinen, met de taxi of eigen vervoer. Naar moet worden aangenomen wordt hiermee het grootste deel van de reizigers van en naar Schiphol niet geraakt. FNV en CNV zullen door middel van een veiligheidsplan samen met VWOV de veiligheidsrisico’s beperken.

Het ook onvoldoende aannemelijk dat de aangekondigde staking onaanvaardbaar grote gevolgen zal hebben voor de andere luchthavens en drukbezochte (toeristen)locaties zoals de Keukenhof en de Efteling. VWOV heeft dit onvoldoende concreet gemaakt. De meeste mensen zijn inmiddels door de media voorbereid op de aangekondigde staking, ook in de omliggende landen. Het feit dat de staking in de meivakantie gepland is, betekent enerzijds dat er meer toeristen en dagjesmensen geraakt worden, anderzijds worden scholieren en forensen minder geraakt. De aangekondigde staking zal zeker hinder voor veel reizigers veroorzaken, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk dat die hinder zo groot zal zijn dat een verbod of een beperking op zijn plaats is.

2.10.3.

VWOV stelt zich verder op het standpunt dat dat de aangekondigde staking moet worden verboden omdat die tot schade voor de bestaakte vervoersbedrijven zal leiden. VWOV stelt dat het gaat om € 5.500.000,- tot € 6.000.000,-. Dat is door FNV en CNV betwist en door VWOV niet onderbouwd zodat de hoogte van de te verwachten schade in deze zaak niet duidelijk is geworden. De staking zal zeker tot schade leiden, maar dat het hier gaat om meer schade dan de werkgevers bij een staking redelijkerwijs moeten dulden, is niet aannemelijk geworden. Ook de te verwachten schade rechtvaardigt daarom niet de conclusie dat een stakingsverbod vanuit maatschappelijk oogpunt dringend noodzakelijk is.

2.11.

De slotsom is dat de aangevoerde argumenten niet kunnen leiden tot een verbod van de staking of een beperking daarvan. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

2.12.

VWOV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van FNV en CNV worden begroot op (ieder):

- griffierecht € 1.950,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.766,00

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt VWOV c.s. in de proceskosten, aan de zijde van FNV en CNV tot op heden elk begroot op € 2.766,00,

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.1

1 type: BvdG (4374) coll: