Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1771

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
UTR 17/4636 en UTR 17/4696
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht, uitleg vaststellingsovereenkomst

Uitleg artikel 7 van de VSO. Gezien bewoordingen, de context van de totstandkoming en de gedragingen van partijen, heeft verweerder een onjuiste uitleg gegeven aan dit artikel van de VSO. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 17/4636 en UTR 17/4696

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigden: mr. M.M.J.M. Hagenaars-de Gauw en mr. N. Schenk),

en

het College van Bestuur van de Universiteit [plaatsnaam] , verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2017 (primair besluit) heeft de directeur van de faculteit Bètawetenschappen namens verweerder (hierna: verweerder) besloten om met terugwerkende kracht tot 1 september 2016 de loonsuppletie van € 1.760,90 te verminderen met eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten (BWNU).

Bij brief van 19 juli 2017 heeft [A] van [bedrijfsnaam] namens verweerder (hierna: [bedrijfsnaam] ) eiser geïnformeerd over zijn recht op een naastwettelijke uitkering.

Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser gericht tegen het primaire besluit en tegen de brief van [bedrijfsnaam] van 19 juli 2017, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit twee afzonderlijke beroepen ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de zijde van verweerder waren op de zitting aanwezig [B] ( [B] ) directeur bedrijfsvoering en [C] , directeur HR.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

De rechtbank wijst voor de feiten naar de punten 1.1 tot en met 1.12 van de tussenuitspraak van 19 december 2017 (zaaknummer UTR 17/2514-T). In aanvulling daarop zijn de volgende feiten van belang.

1.2.

Bij brief van 21 juli 2016 heeft [B] namens verweerder meegedeeld dat eiser door het niet verwijtbaar verlies van zijn aanstelling bij de Technische Universiteit [plaatsnaam] (TU/ […] ) in aanmerking komt voor loonsuppletie op grond van de Vaststellingsovereenkomst (VSO). De loonsuppletie bedraagt € 1.760,90 per maand. In deze brief staat dat de loonsuppletie is gekoppeld aan de WW/BWNU-uitkering en dat bij het verkrijgen van deze uitkering de inspanningsplicht hoort om weer aan het werk te komen.

1.3.

Bij besluit van 13 december 2016 heeft [bedrijfsnaam] namens verweerder besloten dat eiser over de periode van 6 september 2016 tot en met en met uiterlijk 5 augustus 2019 recht heeft op een naastwettelijke uitkering van € 1.760,90 per maand. Verweerder heeft tijdens de zitting op 28 november 2017 toegelicht dat met de term ‘naastwettelijke uitkering’ zoals door [bedrijfsnaam] in het besluit van 13 december 2016 gebruikt, wordt gedoeld op de loonsuppletie als bedoeld in artikel 7 van de tussen eiser en verweerder op 26 april 2012 gesloten VSO.

1.4.

Bij besluit van 13 april 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 13 december 2016 gegrond verklaard en besloten dat met de pensioenleeftijd in artikel 7 van de VSO door partijen is bedoeld de Aow‑gerechtigde leeftijd. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat de loonsuppletie en eventuele WW/BWNU naast elkaar kunnen bestaan maar dat deze tezamen nooit hoger kunnen zijn dan eisers inkomen uit zijn dienstverband van 0,2 fte bij de Universiteit [plaatsnaam] ( [afkorting] ) in april 2012.

1.5.

Vervolgens is de besluitvorming gevolgd zoals hierboven weergegeven onder de kop “Procesverloop”.

1.6.

Op 19 december 2017 heeft de rechtbank het beroep (zaaknummer UTR 17/2104) gericht tegen het besluit op bezwaar van 13 april 2017 niet-ontvankelijk verklaard omdat de overweging in het besluit waartegen het beroep zich richt niet gericht is op rechtsgevolg.

Het beroep met zaaknummer UTR 17/4636

2. Partijen zijn verdeeld over de uitleg van artikel 7 van de VSO. Bij de uitleg van een ontslagovereenkomst komt het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet uitsluitend aan op de bewoordingen van wat daarin is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:261).

3. In artikel 7 van de VSO is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“Als de verwachte benoeming bij TU/ […] slechts voor bepaalde tijd is en deze niet verlengd wordt of deze door de TU/ […] wordt beëindigd, niet verwijtbaar aan Werknemer, dan zal Werknemer van Werkgever maandelijks een loonsuppletie ontvangen op een eventuele WW-BWNU uitkering ter hoogte van 20% van zijn huidige maandelijkse inkomen met inbegrip van per maand op te bouwen rechten op vakantiegeld en eindejaarsuitkering, vanaf de dag van beëindiging van de functie aan de TU/ […] tot de pensioenleeftijd. Werkgever kan van Werknemer voor deze loonsuppletie een redelijke tegenprestatie vragen in de vorm van bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend het geven van onderwijs voor de bachelor Natuur- en Sterrenkunde. (…)”

4. Eiser heeft het volgende aangevoerd. Verweerder heeft een uitleg aan de artikel 7 van de VSO gegeven, namelijk dat de loonsuppletie wordt verrekend met eisers WW/BWNU-uitkering, die niet in artikel 7 van de VSO staat vermeld en nooit zo is bedoeld. Met artikel 7 van de VSO is een vast bedrag per maand van 20% van eisers inkomen in april 2012 afgesproken als ontslagvergoeding. Deze afspraak is gemaakt om eiser er toe te bewegen de transitie van een vast hoogleraarschap van 1,0 fte bij de [afkorting] naar een tijdelijke parttime hoogleraarschap van 0,2 fte bij de TU/ […] toch te accepteren. Artikel 7 van de VSO betreft dus een conditionele ontslagvergoeding als compensatie voor het mogelijk verlies van loon en (parttime) hoogleraarschap. In artikel 7 van de VSO staat niks over verrekening en eiser heeft ook redelijkerwijs niet hoeven begrijpen dat zou worden verrekend.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Bij de uitleg van artikel 7 van de VSO zijn allereerst de bewoordingen van wat daarin is bepaald van belang. Daarbij acht de rechtbank een relevant gegeven dat in de conceptversies van de VSO van 10 april 2012 en 18 april 2012 in artikel 7 van de VSO de WW/BWNU-uitkering in het geheel niet is genoemd. Pas in de definitieve versie van 26 april 2012 staat de WW/BWNU in artikel 7 van de VSO vermeld. Uit de stukken noch ter zitting is duidelijk geworden wat de achtergrond van deze wijziging is geweest. In de definitieve tekst van artikel 7 van de VSO is bepaald dat eiser maandelijks een loonsuppletie zal ontvangen ‘op een eventuele WW-BWNU uitkering ter hoogte van 20% van zijn huidige maandelijkse inkomen’ (onderstreping door de rechtbank). Uit de letterlijke bewoordingen van artikel 7 van de VSO kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden afgeleid dat is afgesproken dat de loonsuppletie met een (eventuele) WW/BWNU‑uitkering wordt verrekend. Het gebruik van de woorden ‘op’ en ‘ter hoogte van’ biedt immers steun aan eisers standpunt dat met artikel 7 van de VSO niet is bedoeld dat de loonsuppletie wordt verrekend met een (eventuele) WW/BWNU. De overige stukken, waaronder de concept VSO’s van 10 april 2012 en 16 april 2012, bieden evenmin aanknopingspunten dat – in weerwil van de letterlijke bewoordingen van artikel 7 van de VSO – moet worden aangenomen dat met artikel 7 van de VSO is beoogd om de hoogte van de loonsuppletie te koppelen aan een (eventuele) WW/BWNU-uitkering en daarmee te verrekenen. In de brief van [B] van 21 juli 2016 wordt deze koppeling wel genoemd maar in deze brief evenmin vermeld dat de loonsuppletie zal worden verrekend met de WW/BWNU-uitkering. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij de in de brief genoemde koppeling heeft uitgelegd als zijnde het benodigde bewijs dat voor het verkrijgen van de loonsuppletie vereist was dat hem geen verwijt kon worden gemaakt van het ontslag bij de TU/ […] .

6. Bij de uitleg van de VSO is eveneens de context waarin deze tot stand is gekomen van belang. De VSO is tot stand gekomen omdat eisers functie door een grote reorganisatie bij de faculteit Bètewetenschappen – waardoor een aantal succesvolle onderzoeksgroepen bij de [afkorting] werd afgestoten – kwam te vervallen. Naast het ontslag van 0,2 fte waar artikel 7 van de VSO op ziet, is eiser per 1 mei 2012 ook eervol ontslag verleend voor 0,8 fte en voor deze omvang van zijn dienstverband is eiser voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij ECN. Hierdoor verloor eiser zijn functie als hoogleraar niveau 2. In verband met dit ontslag is in artikel 6 van de VSO, voor zover van belang en samengevat, bepaald dat eiser een ontslagvergoeding zal ontvangen van € 190.000,-. In de bewoordingen van artikel 6 van de VSO noch de overige dossierstukken heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor verweerders standpunt dat de in artikel 6 van de VSO afgesproken ontslagvergoeding uitsluitend was bedoeld voor het begeleiden van [afkorting] promovendi door eiser. Voor eisers stelling dat de afgesproken ontslagvergoeding hiervoor niet was bedoeld vindt de rechtbank wel steun, te weten in het concept van de overeenkomst tussen de [afkorting] en ECN ‘Afspraken overgang groep Physics of Devices ECN- [afkorting] ’. In deze (concept) overeenkomst die eiser op 23 maart 2012 per mail van [B] heeft ontvangen, staat vermeld dat de begeleiding van de [afkorting] promovendi door eiser dient plaats te vinden in de 0,2 fte aanstelling bij de TU/ […] en dat als verdere ondersteuning door de ex- [afkorting] medewerkers is gewenst ECN daarvoor de gebruikelijke tarieven aan de [afkorting] in rekening zal brengen. Tijdens de zitting heeft verweerder uit de definitieve overeenkomst tussen de [afkorting] en ECN, geciteerd, wat in de kern neerkomt op hetgeen in het concept staat.

Dat in de overeenkomst tussen de [afkorting] en ECN financiële afspraken staan voor het begeleiden van [afkorting] promovendi door eiser biedt, als gezegd, steun aan eisers standpunt dat in artikel 6 van de VSO overeengekomen ontslagvergoeding hier niet voor is bedoeld.

7. Gezien de bewoordingen van artikel 6 van de VSO en de context waarin dit artikel is overeengekomen, is de rechtbank van oordeel dat eiser redelijkerwijs mocht begrijpen dat de ontslagvergoeding was bedoeld ter compensatie van het verlies van zijn aanstelling als hoogleraar voor 0,8 fte. In dat licht bezien heeft eiser – mede gezien de bewoordingen van artikel 7 van de VSO – redelijkerwijs aan artikel 7 van de VSO de betekenis mogen toekennen dat hem hiermee een vergoeding werd toegekend ter compensatie van het (mogelijk) verlies van loon en (parttime) hoogleraarschap bij de TU/ […] . Omdat ten tijde van de ondertekening van de VSO niet duidelijk was of de verwachte benoeming bij TU/ […] voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd zou zijn, bestond immers op dat moment, zoals eiser heeft gesteld, het risico dat eiser óók bij de TU/ […] zijn hoogleraarschap zou verliezen als de benoeming voor bepaalde tijd niet zou worden verlengd of zou worden beëindigd.

8. Verder acht de rechtbank voor de uitleg van artikel 7 van de VSO de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van 12 oktober 2012 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2012:BX5572 ). De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser bij brief van 26 augustus 2016 een BWNU‑uitkering bij [bedrijfsnaam] heeft aangevraagd vanwege verlies van zijn aanstelling van 0,2 fte bij de TU/ […] per 1 september 2016. In deze brief wijst eiser er op dat hij los van zijn beroep op de BWNU vanwege de afloop van het dienstverband bij de TU/ […] een overeenkomst heeft met de [afkorting] op grond waarvan hij vanaf 1 september 2016 een bedrag van € 1.760,90 zal ontvangen.

Bij [bedrijfsnaam] was dus op 26 augustus 2016 bekend dat eiser naast een WW/BWNU-uitkering recht heeft op loonsuppletie. Verder mocht eiser er gezien de verhouding tussen [bedrijfsnaam] en verweerder vanuit gaan dat bij verweerder bekend was dat hij een aanvraag om een BWNU uitkering had gedaan. Bovendien had eiser verweerder in mei 2016 al in kennis gesteld van zijn aanstaande ontslag bij de TU/ […] en blijkt uit de brief van 21 juli 2016 van [B] dat verweerder daar inderdaad van op de hoogte was. Ondanks deze wetenschap bij zowel verweerder als [bedrijfsnaam] is aan eiser nooit een bericht gestuurd dat de loonsuppletie met de WW/BWNU wordt verrekend. Pas na eisers bezwaar tegen de in het besluit van 13 december 2016 genoemde looptijd van de loonsuppletie, maakt verweerder in de brief van 13 april 2017 voor het eerst melding van het feit dat dat loonsuppletie en WW/BWNU-uitkering tezamen nooit hoger kunnen zijn dan eisers inkomen uit zijn dienstverband met de [afkorting] in april 2012 bij een dienstverband van 0,2 fte. Gelet op deze feitelijke gang van zaken mocht eiser er dan ook op vertrouwen dat zijn uitleg van artikel 7 van de VSO de juiste was.

9. Niet valt uit te sluiten dat verweerder tijdens de onderhandelingen over de VSO de intentie had om de (eventuele) WW/BWNU in mindering te brengen op de loonsuppletie. Uit wat hiervoor is vastgesteld en overwogen volgt evenwel dat er geen aanknopingspunten zijn om verweerder te volgens in zijn standpunt dat artikel 7 van de VSO slechts een vangnet was voor het verlies van inkomen bij beëindiging van het dienstverband van 0,2 fte bij de TU/ […] . De conclusie van het voorgaande is dat verweerder met het bestreden besluit een onjuiste uitleg aan artikel 7 van de VSO heeft gegeven. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit voor zover daarbij eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het ligt immers op de weg van verweerder om eisers financiële aanspraken op grond van artikel 7 van de VSO vast te stellen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

11. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om veroordeling tot vergoeding van schade af omdat eiser dit verzoek op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd en onderbouwd.

Het beroep met zaaknummer UTR 17/4696

12. In de brief van 19 juli 2017 heeft [bedrijfsnaam] eiser geïnformeerd over zijn recht op een naastwettelijke uitkering (lees: loonsuppletie).

13. Eiser heeft aangevoerd dat doordat in deze brief vaste bedragen staan vermeld [bedrijfsnaam] afwijkt van verweerders standpunt dat de loonsuppletie variabel is. Dit leidt ertoe dat als de WW en/of BWNU uitkering eindigt de loonsuppletie nog steeds € 580,96 per maand is.

14. Ter zitting is aan de orde is gesteld of de brief van [bedrijfsnaam] van 19 juli 2017 een besluit is gericht op rechtsgevolg. Verder is besproken of een uitspraak op dit beroep nog nodig is gezien verweerders toelichting ter zitting dat als de hoogte van de WW en/of BWNU wijzigt de hoogte van de loonsuppletie daaraan zal worden aangepast.

15. Omdat de rechtbank niet beschikt over een nadrukkelijke intrekking van het beroep zal de rechtbank dit beroep beoordelen. De rechtbank ziet zich ambtshalve allereerst voor de vraag gesteld of de brief van [bedrijfsnaam] van 19 juli 2017 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

16. De rechtbank is van oordeel dat de brief van [bedrijfsnaam] van 19 juli 2017 niet gericht is op rechtsgevolg. Dit besluit betreft slechts een herhaling van het primaire besluit. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door het oorspronkelijke primaire besluit tot stand was gebracht. Dat in de brief van 19 juli 2017 de bedragen zijn vermeld die eiser na aftrek van de WW/BWNU uitkering zal gaan ontvangen doet hier niet aan af. Deze bedragen zijn immers eveneens uit het besluit van 6 juni 2017 af te leiden en komen daar ook mee overeen. De brief van 19 juli 2017 kan om die reden dan ook niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank wijst is dit verband op de uitspraak van de CRvB van 12 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW8313).

17. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de brief van 19 juli 2017 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de brief van 19 juli 2017 ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar tegen de brief van 19 juli 2017 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank komt niet toe aan de inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond die eiser naar voren heeft gebracht.

Proceskostenveroordeling en griffierecht

18. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, gezien het feit dat het hier samenhangende zaken betreft, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

UTR 17/4636

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond is verklaard;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van 14 juli 2017 met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

UTR 17/4696

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de brief van 19 juli 2017 ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het bezwaar van 30 augustus 2017 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit deel van vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

Proceskostenveroordeling UTR 17/4636 en UTR 17/4696

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

17 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.