Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:177

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
UTR 17/2304
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag Generalist GGP. Eiser verrichtte sinds 2003 nevenwerkzaamheden in de vorm van het geven van Krav Maga lessen in het bedrijf van zijn echtgenote. Op 29 november 2015 heeft eiser zich ziekgemeld. Verweerder had het vermoeden dat eiser zijn nevenwerkzaamheden tijdens ziekte verrichtte en heeft daarom een onderzoek laten uitvoeren. Hieruit is gebleken dat eiser inderdaad zijn nevenwerkzaamheden tijdens ziekte heeft uitgevoegd, terwijl dit hem in 2004 uitdrukkelijk was verboden. Ook is eiser vennoot geworden in het bedrijf van zijn echtgenote, terwijl verweerder dit hem in 2003 heeft verboden. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen als toerekenbaar plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt, zodat verweerder reeds gelet op deze gedragingen op grond van artikel 76 van het Barp bevoegd was om eiser disciplinair te straffen. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Eiser heeft het vertrouwen van verweerder beschadigd en hieruit blijkt geen integere en transparante houding, hetgeen juist van een politieambtenaar gevraagd wordt. De rechtbank is van oordeel dat het door eiser gepleegde plichtsverzuim het disciplinaire ontslag rechtvaardigt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/2304

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. M.H. Welter),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J. Zorgdrager).

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met onmiddellijke ingang op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf opgelegd van ontslag.

Bij besluit van 19 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is aan de zijde van verweerder verschenen de heer [leidinggevende] , zijnde basischef Utrecht Centrum en de leidinggevende van eiser.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser was sinds 23 augustus 1998 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van Generalist GGP. Aan eiser is op 28 oktober 2003 toestemming verleend om nevenwerkzaamheden te verrichten gedurende één uur per week, in de vorm van het geven van lessen in Krav Maga. In vervolg hierop heeft verweerder bij besluit gedateerd 10 november 2003 eiser laten weten dat hij geen toestemming heeft voor het hebben van een eigen sportschool c.q. het meer uren sport les geven dan hetgeen is gevraagd, namelijk 1 uur per week. De toestemming om nevenwerkzaamheden te verrichten is met ingang van 8 maart 2004 uitgebreid met 1,5 uur per week. In dit besluit is eiser er verder op gewezen dat het uitoefenen van zijn nevenfunctie gedurende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid niet meer is toegestaan. Bij besluit van 24 februari 2009 is de arbeidstijd van eiser met ingang van 1 mei 2009 gewijzigd van 36 uur per week, naar 24 uur per week. In 2009 heeft verweerder aan eiser de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Verweerder heeft in dit kader overwogen dat eiser plichtsverzuim heeft gepleegd door onder andere te werken als sportinstructeur, terwijl hij zich bij verweerder ziek had gemeld. Dit besluit staat in rechte vast. Eiser heeft zich vervolgens op 29 november 2015 ziek gemeld. Bij verweerder bestond het vermoeden dat eiser gedurende dat ziekteverzuim werkzaamheden verrichtte voor een eigen bedrijf (gespecialiseerd in Krav Maga) en dat hij ten behoeve van dit bedrijf heeft deelgenomen aan een seminar in het buitenland. Verweerder heeft daarom het bureau Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) ingeschakeld om een onderzoek in te stellen. Dit onderzoek is op 26 april 2016 afgerond. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 21 juni 2016.

2. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder op 1 augustus 2016 een voornemen tot ontslag genomen. Nadat eiser zijn zienswijze over het voorgenomen ontslag kenbaar heeft gemaakt, heeft verweerder bij besluit van 19 september 2016 het dienstverband van eiser met onmiddellijke ingang beëindigd. In het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

Welke gedragingen worden de ambtenaar verweten?

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd, bestaande uit:

a. a) het voeren van een onderneming op eigen naam, terwijl eiser hiervoor een verbod is opgelegd;

b) het verrichten van nevenwerkzaamheden gedurende een periode dat eiser als ziek geregistreerd stond en

c) verblijf in het buitenland tijdens ziekte, zonder dat eiser daarvoor toestemming heeft gevraagd aan zijn leidinggevende.

Heeft de ambtenaar de gedragingen verricht?

4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraken van 30 augustus 2001 (ECLI:NL:CRVB:2001:AD5050) en van 27 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:755), is het voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk dat het bestuursorgaan op basis van beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging heeft verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de hem verweten gedragingen zoals hiervoor genoemd in overweging 3. onder a) tot en met c) heeft begaan. In geschil is allereerst of deze gedragingen zijn aan te merken als plichtsverzuim.

Is sprake van plichtsverzuim en is dit eiser toe te rekenen?

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen onder a) en b) zowel afzonderlijk als tezamen zijn te kwalificeren als ernstig plichtsverzuim. De gedraging genoemd onder c) is op zichzelf niet te kwalificeren als ernstig plichtsverzuim, maar draagt daar in samenhang met de gedragingen onder a) en b) aan bij.

7. In artikel 76 van het Barp staat het volgende:

1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

8. Voorts blijkt uit vaste rechtspraak van de CRvB dat de vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim (waaronder de uitspraak van 3 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8443) een vraag is naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is van doorslaggevende betekenis of eiser de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.

9. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van de afspraken die in 2003 zijn gemaakt. Eiser heeft ter gelegenheid van het voorwaardelijk strafontslag in 2009 inzicht verschaft in zijn bemoeienis bij zijn bedrijf en hij is toen ook aanzienlijk minder gaan werken. Doordat eiser minder ging werken, kreeg hij meer vrije tijd. Verweerder miskent dat het eiser grotendeels vrij staat wat hij in zijn vrije tijd doet, ook wanneer het vakantie tijdens ziekte betreft. Bovendien maakt het beperkte karakter van zijn nevenwerkzaamheden dat geen sprake is van schending van de voorwaarden uit 2003, nu dit geen enkele invloed heeft gehad op zijn werk bij de politie. Dat is de achtergrond van de besluiten uit 2003 en de gedragingen moeten dan ook in dat licht worden bezien. Ook is daardoor geen sprake van een herhaling van het verweten gedrag uit 2009. De activiteiten van eiser waren niet strijd met het ziekteverlof en betroffen herstel bevorderend gedrag.

a. a) het voeren van een onderneming op eigen naam, terwijl eiser hiervoor een verbod is opgelegd

10. De rechtbank is van oordeel dat deze gedraging is aan te merken als plichtsverzuim. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 10 november 2003 eiser onder andere uitdrukkelijk geen toestemming heeft verleend voor het hebben van een eigen sportschool. In het besluit staat immers het volgende opgenomen:

“Ik wil u er echter met klem op wijzen dat u geen toestemming heeft voor het hebben van een eigen sportschool c.q. het meer uren sport les geven dan hetgeen gevraagd […]”

Eiser heeft zijn nevenwerkzaamheden verricht bij het bedrijf [bedrijf] , dit bedrijf is op 22 november 2005 opgericht en stond op naam van mevrouw [echtgenote eiser] , de echtgenote van eiser. Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is gebleken dat dit bedrijf per 1 januari 2009 is omgezet naar een vennootschap onder firma en dat eiser per die datum geregistreerd staat als vennoot met onbeperkte bevoegdheid.

Ter zitting heeft eiser gesteld dat het besluit van 10 november 2003 onduidelijk is en dat eiser daarom niet wist wat hem werd verboden. Deze onduidelijkheid wordt veroorzaakt door het gebruik van het woord “c.q.” in de eerder geciteerde zin. Eiser heeft erop gewezen dat hij heeft begrepen dat sprake is van nevenschikking. De rechtbank volgt het betoog niet. Eiser heeft terecht gesteld dat sprake is van nevenschikking, waarmee dus vaststaat dat er geen toestemming is verleend voor én het hebben van een eigen sportschool én het meer uren lesgeven dan was toegestaan. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen dat het besluit onduidelijk was en ziet in de tekst van het besluit geen aanleiding om het betoog van eiser te volgen. Voor zover eiser het besluit inderdaad anders heeft geïnterpreteerd, had het op zijn weg gelegen om daarover in contact te treden met verweerder. Dat heeft hij nooit gedaan en het betoog is eerst ter zitting naar voren gebracht.

De rechtbank betrekt bij dit oordeel voorts dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat er steeds ruimte is geweest voor overleg over de nevenwerkzaamheden van eiser en dat verweerder hem tegemoet heeft willen komen als dat nodig was, waarbij verweerder ter illustratie heeft gewezen op het feit dat er op enig moment problemen ontstonden voor het bedrijf in verband met ziekte van zijn echtgenote en dat verweerder hem toen ook tegemoet is gekomen door zijn werkrooster aan te passen.

De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat eiser zich niet aan het (duidelijke) verbod van verweerder heeft gehouden.

Van het ontbreken van toerekenbaarheid zou sprake zijn geweest als eiser ten tijde van zijn gedraging niet in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien, dan wel niet in staat zou zijn geweest overeenkomstig dit inzicht te handelen en derhalve de gedraging achterwege te laten. Eiser heeft zich niet op zodanige omstandigheden beroepen. Voor zover eiser zijn betoog met betrekking tot de onduidelijkheid van het eerder genoemde besluit in dit kader heeft willen aanvoeren, is reeds overwogen dat het betoog niet slaagt.

b) het verrichten van nevenwerkzaamheden gedurende een periode dat eiser als ziek geregistreerd stond

11. De rechtbank is van oordeel dat het verrichten van nevenwerkzaamheden gedurende een periode dat eiser bij verweerder ziek gemeld was als plichtsverzuim te beschouwen is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser in het besluit van 8 maart 2004 er door verweerder uitdrukkelijk op is gewezen dat het uitoefenen van zijn nevenfunctie gedurende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid niet meer is toegestaan. Door dit toch te doen en verweerder hier ook niet over te informeren heeft eiser zich niet gedragen zoals een goed politieambtenaar betaamt.

De rechtbank is verder van oordeel dat het plichtsverzuim toerekenbaar is. Eisers stelling dat hij sinds 2009 minder is gaan werken, hij daardoor meer vrije tijd had die hij zelf kon indelen en niet in strijd heeft gehandeld met het verbod om nevenwerkzaamheden uit te oefenen tijdens ziekte volgt de rechtbank niet. Eiser heeft zich immers ziek gemeld en hem was bij besluit van 8 maart 2004 uitdrukkelijk verboden om zijn nevenfunctie tijdens ziekte uit te oefenen. De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van het ontbreken van toerekenbaarheid. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het uitvoeren van zijn nevenwerkzaamheden herstel bevorderend was, overweegt de rechtbank dat eiser deze stelling in het geheel niet heeft onderbouwd. Bovendien overweegt de rechtbank ten aanzien van de (eerst ter zitting aangevoerde) stelling dat het feit dat hij ziek was voor zijn politiewerk nog niet betekent dat hij ziek was voor zijn nevenwerkzaamheden, dat het op de weg van eiser had gelegen om aan te tonen dat dit in zijn geval geldt. Daarnaast had eiser in contact had kunnen treden met verweerder om te bespreken of er aanleiding was om het onderhavige verbod te herzien, indien hij meende dat dit verbod in de gegeven omstandigheden onterecht was. Zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 10 was daar ook ruimte voor. Eiser heeft dit, blijkens hetgeen hij heeft verklaard tijdens het verhoor van 14 juni 2016, nagelaten ondanks dat ook de bedrijfsarts hem had aangegeven dat hij het verrichten van zijn nevenwerkzaamheden tijdens ziekte met verweerder moest bespreken. Eiser heeft in dit kader verklaard dat hij wist dat verweerder het niet goed zou vinden en dat hij ook wist dat het niet slim was om zijn nevenwerkzaamheden uit te voeren tijdens ziekte, gelet op de meningen bij verweerder. Eiser heeft desondanks toch zonder enige afstemming zijn nevenwerkzaamheden uitgevoerd terwijl hij ziek was.

Conclusie ten aanzien van toe te rekenen plichtsverzuim

12. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen genoemd onder a) en b) zowel afzonderlijk als tezamen zijn aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim. De rechtbank is van oordeel dat verweerder reeds gelet op deze gedragingen op grond van artikel 76 van het Barp bevoegd was om eiser disciplinair te straffen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van (de beroepsgronden gericht tegen) de gedraging genoemd onder c.

Is de opgelegde straf evenredig?

13. Nu de rechtbank van oordeel is dat de gedragingen genoemd onder a) en b) zowel afzonderlijk als tezamen zijn aan te merken als zeer ernstig toerekenbaar plichtsverzuim was verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, op grond van artikel 76, eerste lid, van het Barp bevoegd om eiser een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid aan eiser de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag heeft kunnen opleggen. Bij de beoordeling van de vraag of de opgelegde sanctie evenredig is aan het plichtsverzuim zijn onder meer de aard en ernst van het plichtsverzuim van belang. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 12 juli 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX1233).

14. Verweerder heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om een straf op te leggen, gekozen voor de zwaarste sanctie van ontslag.

15. De rechtbank overweegt dat eiser zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Eiser is er reeds bij besluiten van 10 november 2003 en 8 maart 2004 op gewezen dat het hem niet is toegestaan om een eigen sportschool te hebben en nevenwerkzaamheden te verrichten gedurende ziekte. Verweerder heeft eiser verder al in 2009 de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd, omdat hij onder andere nevenwerkzaamheden gedurende zijn ziekmelding bij verweerder had verricht. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser tijdens het verhoor van 14 juni 2016 dat hij wist dat hij alvorens over te gaan tot het verrichten van nevenwerkzaamheden tijdens ziekte, in contact moest treden met zijn leidinggevende en blijkt verder dat eiser dit niet heeft gedaan omdat hij wist dat ze het niet goed zouden vinden en hij voor zichzelf wilde kiezen. Eiser heeft hiermee het vertrouwen van verweerder beschadigd en hieruit blijkt geen integere en transparante houding, hetgeen juist van een politieambtenaar gevraagd wordt. De eerst ter zitting ingenomen stelling dat het ontslag onevenredig is, omdat de inhoud en omvang van zijn nevenwerkzaamheden niet tegenstrijdig waren met zijn werk bij verweerder, volgt de rechtbank niet. De rechtbank benadrukt in dit kader dat eiser een gewaarschuwd man was. De rechtbank overweegt verder dat eiser ter zitting ook heeft verklaard dat zijn nevenwerkzaamheden de toegestane duur van in totaal 2,5 uur per week (buiten ziekmelding) hebben overschreden. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door eiser gepleegde plichtsverzuim het disciplinaire ontslag rechtvaardigt.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzitter, en mr. C.M. Dijksterhuis en mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.