Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1684

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
457801 / HA RK 18-111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2018/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 457801 / HA RK 18-111

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

20 april 2018

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , (verder te noemen: de verzoekster),

gemachtigde: mr. L.F.P. Coehorst.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    een faxbericht van verzoekster van 3 april 2018 waarin verzoekster een verzoek tot wraking heeft ingediend;

  • -

    een schriftelijke reactie van 4 april 2018 van mr. J.J.M. de Laat.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 6 april 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder te noemen: de wrakingskamer).

1.3.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen de gemachtigde van verzoekster, mr. L.F.P. Coehorst en namens de belanghebbenden [A] , [B] en [C] , mevrouw [D] . Mr. J.J.M. de Laat is niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J.J.M. de Laat als behandelend rechter (verder te noemen: de rechter) in de zaak met het kenmerk 6480864 UC EXPL 17-14760 tussen verzoekster als eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie en [A] , [B] en [C] als gedaagde partijen in conventie en eisende partijen in reconventie.

2.2.

Namens verzoekster is – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan het verzoek tot wraking. In de procedure doet zich een uitzonderlijke omstandigheid voor die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster persoonlijk en/of haar standpunten in deze zaak een vooringenomenheid koestert. Tenminste is de vrees die daarover bij verzoekster bestaat gerechtvaardigd. De (schijnbare) vooringenomenheid van de rechter volgt, zowel individueel als in onderlinge samenhang bezien, uit het feit dat verzoekster op 29 maart 2018, op de dag voor het paasweekend, een tussenvonnis ontvangt waaruit blijkt dat zij uiterlijk 4 april 2018 een schriftelijke conclusie van antwoord in reconventie en aanvullende stukken moet indienen. Daarnaast is op basis van verouderde verhinderdata op zeer korte termijn een comparitie bepaald en ondanks klemmende redenen en de aangetoonde afwezigheid van de statutair bestuurder van verzoekster – zonder motivering – geweigerd om de comparitie te verplaatsen. Mede door het ontbreken van een motivering kan verzoekster niet verifiëren of aan de vereisten van artikel 6 EVRM is voldaan. Met deze handelwijze ontneemt de rechter verzoekster effectief het recht om een deugdelijke conclusie van antwoord in reconventie en eventuele aanvullende stukken te produceren. Tevens neemt de rechter verzoekster het recht op een deugdelijke voorbereiding van de comparitie af. Tot slot ontneemt de rechter verzoekster het recht om op de comparitie inlichtingen te verschaffen waardoor het recht op hoor- en wederhoor geweld wordt aangedaan. Verzoekster stelt vast dat voor de rechter de conclusie van antwoord in reconventie, eventuele aanvullende stukken zijdens verzoekster en de toelichting van verzoekster op de comparitie niet meer van belang zijn. De rechter heeft zijn oordeel kennelijk al klaar, althans heeft tenminste die schijn gewekt. Op deze grond bestaat bij verzoekster de vrees dat de rechter tegenover haar of haar stellingen in de procedure een vooringenomenheid koestert. Deze vrees is objectief gerechtvaardigd. Ook leveren voorgaande feiten zwaarwegende reden op voor twijfels over de partijdigheid van de rechter. Deze twijfels van verzoekster zijn objectief gerechtvaardigd.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij voorop te vermoeden dat het vonnis van 28 mei 2018 (de wrakingskamer leest: 28 maart 2018) niet door hem is gewezen. Verder voert hij– zakelijk weergegeven – het volgende aan. Het schrijven van een conclusie van antwoord moet aan de hand van de in het dossier al aanwezige stukken op korte termijn kunnen geschieden. De rechtbank kan er in dat verband niet veel aan kan doen dat mr. Coehorst, na een vakantie van twee weken, pas op 3 april op kantoor kwam. Bovendien kan de mondelinge behandeling ook gebruikt worden om opmerkingen te maken ter zake de eis in reconventie. Ook moet het zeker mogelijk zijn om de stukken waarop mr. Coehorst een beroep wil doen op tijd in te zenden. Daarnaast heeft mr. Coehorst niet aangegeven dat niet een ander dan de afwezige bestuurder de vennootschap zou kunnen vertegenwoordigen. De rechter ziet niet in op welke ontneming van het recht om op comparitie inlichtingen te verschaffen mr. Coehorst ziet. De rechter heeft de comparitie juist willen laten doorgaan om zo weinig mogelijk gaten in de planning van de rechtbank te laten ontstaan. Daarnaast heeft mr. Coehorst niet aangegeven de tegenpartij te hebben ingelicht bij het verzoek tot uitstel, hetgeen in het nadeel werkt, omdat hij daarmee de schijn wekt het geluid van zijn tegenpartij niet te willen horen. De rechter spreekt tot slot het sterke vermoeden uit dat mr. Coehorst de wraking vooral gebruikt om zijn zin te krijgen zodat de comparitie geen doorgang vindt en hij merkt dit aan als een vorm van misbruik van wrakingsbevoegdheid. Hij verzoekt de wrakingskamer nog op de zittingsdag uitspraak te doen, zodat de comparitie gewoon door kan gaan.

2.4.

De wrakingskamer heeft na afloop van de behandeling aan mr. Coehorst, mevrouw [D] en de rechter laten weten dat zij het verzoek van de rechter om terstond uitspraak te doen afwijst, omdat zij daartoe geen grond ziet.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek niet ziet op de beslissing in het vonnis van 28 maart 2018, zodat niet relevant is of de rechter dat vonnis heeft gewezen. Het wrakingsverzoek richt zich tegen de rechter omdat hij op 3 april 2018 het na het vonnis ingediende verzoek van mr. Coehorst tot verplaatsing van de zitting ongemotiveerd zou hebben afgewezen. Dat de rechter deze beslissing heeft genomen volgt uit diens schriftelijke reactie.

3.4.

De wrakingskamer overweegt dat de beslissing van de rechter om de bij vonnis bepaalde comparitiedatum niet uit te stellen is aan te merken als procesbeslissing. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking, tenzij die beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert – objectief gezien – gerechtvaardigd is.

3.5.

De wrakingskamer overweegt dat in artikel 2.11 van het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton is bepaald dat rolbeslissingen, voor zover zij niet dadelijk worden genomen, ten hoogste twee weken worden uitgesteld. In onderhavige zaak heeft mr. Coehorst op 5 februari 2018 zijn verhinderdata en die van verzoekster tot en met augustus 2018 doorgegeven. De datumbepaling van de comparitie is verschillende keren uitgesteld door de rechtbank. De comparitiedatum is uiteindelijk op 21 maart 2018 bepaald met gebruikmaking van de inmiddels meer dan zes weken oude verhinderdata. Gelet op het voornoemde artikel uit het landelijk procesreglement voor rolzaken kanton hoeven justitiabelen er niet op te rekenen dat zij ook na die twee weken hun agenda nog geheel beschikbaar dienen te houden.

3.6.

Nu namens verzoekster een gemotiveerd verzoek tot uitstel is ingediend, waar onder meer uit bleek dat de directeur van verzoekster van 29 maart 2018 tot en met 12 april 2018 niet in het land was en dat de gemachtigde van mening was te weinig tijd te krijgen voor het aanleveren van stukken en het opstellen van een conclusie van antwoord in reconventie , had de rechter moeten inzien dat de rechtbank het procesreglement niet had gerespecteerd bij het bepalen van de comparitiedatum. Het ligt voor de hand dat de rechter in een dergelijk geval, juist met het oog op een evenwichtige procesvoering met gelijke kansen voor alle partijen, een gemotiveerd verzoek tot uitstel, binnen bepaalde door de rechter te stellen grenzen, zal honoreren of een afwijzing motiveert. De rechter heeft zijn afwijzing van dat verzoek tot uitstel niet gemotiveerd. In de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek gaat hij hier niet op in. Wel voert de rechter aan dat een partij in staat moet zijn op korte termijn een processtuk te concipiëren en zich daarbij te bedienen van al in het dossier aanwezige stukken. Dit standpunt geeft blijk van de afweging die de rechter bij zijn beslissing heeft gemaakt. Die afweging rechtvaardigt naar het oordeel van de wrakingskamer de conclusie dat de bij verzoekster ontstane vrees van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. Een rechter kan immers in het algemeen vooraf geen zicht hebben op de tijd die een procespartij nodig heeft voor het opstellen van een processtuk en kan ook geen zicht hebben op de aard en omvang van de producties waarvan een partij zich wil bedienen. Daarbij komt dat de inschatting van de rechter in ieder geval geen rechtvaardiging kan vormen voor het afwijken van de termijnen waarvan partijen op grond van het procesreglement mogen uitgaan dat die hen worden gegeven. De opvatting van de rechter dat verzoekster misbruik van wrakingsbevoegdheid maakt, deelt de wrakingskamer dan ook niet. Ook noemt de rechter het kwalijk dat verzoekster de wederpartij niet heeft gekend in de verzoeken tot uitstel. Uit het dossier blijkt echter dat verzoekster de wederpartij steeds op de hoogte heeft gesteld van deze uitstelverzoeken en dat de wederpartij ook heeft gereageerd op het uitstelverzoek. De wrakingskamer is van oordeel dat de rechter met deze toelichting de gewekte schijn van vooringenomenheid niet heeft weg genomen, maar heeft versterkt.

3.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking gegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking gegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civielrecht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

Deze beslissing is gegeven door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. M.J. Slootweg en

mr. G.J.J.M. Essink als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.