Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1674

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
UTR 17/3758
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek; besluit afbreken mediationtraject; hoorplicht; ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3758

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigden: mr. A. van Schaik-van Dijk en C. Mars)

Procesverloop

Bij het besluit van 20 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek

van eiser tot openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) van een

mogelijk genomen besluit inzake een mediationtraject.

Bij het besluit van 15 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar

van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Eiser is verschenen,

vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door mr. E. Rost van Tonningen. Verweerder

heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in navolging van het advies van zijn vaste commissie voor de bezwaarschriften het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaargronden niet zijn gericht tegen de inhoud van het besluit op het Wob-verzoek. Verweerder heeft overwogen dat er indertijd geen besluitvorming heeft plaatsgevonden over het afbreken van het mediationtraject zoals blijkt uit de meegezonden besluitenlijst van 2 februari 2010. Voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaar bestaat volgens verweerder geen actueel en reëel belang meer, omdat dit niet kan leiden tot het indertijd niet plaatsvinden van besluitvorming.

2. Eiser heeft in zijn beroepschrift en aangevuld bij brief van 10 november 2017 de gronden van zijn beroep vermeld. Eiser heeft hierin, zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat zijn Wob-verzoek van 27 april 2017 ziet op het boven tafel krijgen van een besluit van verweerder over het afbreken van een mediationtraject en dat verweerder in het primaire besluit heeft erkend dat hierover geen besluitvorming heeft plaatsgevonden. Eiser wijst op de ontvangstbevestiging bezwaarschrift van 10 augustus 2017 waarin staat dat eerst wordt onderzocht of mediation mogelijk is en dat hierover telefonisch contact wordt opgenomen. Eiser stelt dat verweerder de mogelijkheid tot voortzetting van mediation niet heeft onderzocht en hierover met hem geen contact heeft opgenomen. Evenmin is eiser in de gelegenheid gesteld om tijdens een hoorzitting zijn bezwaarschrift toe te lichten. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig genomen en bovendien onrechtmatig. Eiser verzoekt daarom te bepalen dat verweerder de indertijd ongemotiveerd afgebroken mediation alsnog moet voortzetten.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Verweerder heeft op zitting naar voren gebracht dat de ontvangstbevestiging bezwaarschrift van 10 augustus 2017 een standaardbrief is en dat de daarin vermelde zin ‘Eerst onderzoeken wij of mediation mogelijk is. In verband hiermee wordt op korte termijn contact met u opgenomen’ standaard procedure is, maar dat in dit geval het bezwaarschrift niet volgens de standaardprocedure is afgehandeld. Verweerder heeft toegelicht dat het eerst onderzoeken van mediaton bij wijze van service wordt gedaan maar dat verweerder onder omstandigheden van de standaard procedure kan afwijken. De rechtbank is van oordeel dat hoewel verweerder in dit geval het bezwaarschrift gericht tegen het Wob-verzoek niet conform de procedure in de brief van 10 augustus 2017 heeft behandeld, dit niet betekent dat het bestreden besluit daarom onzorgvuldig is genomen. Evenmin leidt dit tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Ook in het geval wel telefonisch contact met eiser was opgenomen, dan zou dat gesprek zijn beperkt tot het Wob-verzoek en niet hebben kunnen leiden tot voortzetting van het indertijd afgebroken mediationtraject zoals eiser beoogt.

5. Voor zover eiser heeft beoogd dat hij in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is gehoord, overweegt de rechtbank als volgt. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Van het horen kan slechts met toepassing van artikel 7:3 van de Awb worden afgezien, indien er naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de inhoud van het Wob-verzoek en het bezwaarschrift verweerder heeft kunnen concluderen dat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb heeft verweerder daarom van het horen kunnen afzien. Voor zover eiser suggereert dat de voorzitter van de vaste commissie bezwaarschriften om persoonlijke redenen heeft geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, acht de rechtbank voor deze conclusie geen grond aanwezig.

6. De rechtbank is van oordeel dat de overige beroepsgronden en de aanvullende informatie van eiser zich richten tegen het indertijd afbreken van het mediationtraject en daarmee niet zijn gericht tegen argumenten genoemd in het bestreden besluit. De aanvraag van eiser betreft immers een Wob-verzoek en op die grondslag zijn het primaire besluit en het bestreden besluit genomen. De gronden vallen daarom buiten de beoordeling van dit beroep.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.