Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1663

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
418711 ha za 16-504
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

legitimaris niet-erfgenaam heeft recht op informatie van de executeur artkel 4:78 BW, giften als bedoeld in artikel 4:67 BW, handelen in strijd met artikel 21 Rv, berekening legitieme

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0082
JERF 2018/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/418711 / HA ZA 16-504

Vonnis van 25 april 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. S.P. Bolweg te Haarlem, voorheen mr. M.L. Hamburger te Amstelveen

tegen

de erven van [gedaagde], zowel in zijn hoedanigheid van executeur als in zijn hoedanigheid van erfgenaam,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. S.H. van Os te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31 augustus 2016 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 29 november 2016,

  • -

    de akte overlegging producties met producties 18, 19 en 20 van [gedaagde] .

  • -

    de akte (zonder kopje, houdende vermeerdering van eis en overlegging producties) met bijlagen 1 tot en met 4 van [eiseres] ,

  • -

    de antwoordakte van de erven van [gedaagde] , met producties 18 en 19.

1.2.

Op de hierboven genoemde comparitie heeft [gedaagde] een door hem in hoedanigheid van executeur ondertekende volmacht aan [eiseres] afgegeven die ertoe strekt [eiseres] tot en met 28 februari 2017 te machtigen namens hem informatie van alle betrokken banken en instanties in Nederland betreffende het vermogen van erflaatster te verkrijgen.

1.3.

[gedaagde] is gedurende deze procedure, op [datum overlijden] 2017, overleden. De procedure wordt voortgezet door zijn echtgenote mevrouw [A] .

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), was de moeder van [eiseres] en [gedaagde] . Zij is overleden op [datum overlijden] 2015.

2.2.

Erflaatster heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt. In het testament heeft zij [eiseres] onterfd en [gedaagde] tot executeur benoemd. Voorts is in het testament bepaald dat bij overlijden van [gedaagde] , zijn echtgenote [A] tot executeur wordt benoemd.

2.3.

[gedaagde] en zijn zonen [erfgenaam 1] en [erfgenaam 2] zijn de erfgenamen van erflaatster.

2.4.

[eiseres] heeft bij de brief van haar advocaat van 25 augustus 2015 tijdig aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.

2.5.

[eiseres] heeft [gedaagde] in verband met de nalatenschap van erflaatster eerder in rechte betrokken. In september 2015 is zij een procedure begonnen bij de kantonrechter, waarna de kantonrechter [gedaagde] heeft veroordeeld tot – voor zover hier van belang – het verstrekken van:

1) de aangifte en de aanslag erfbelasting;

2) bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) van de ING betaal- en beleggingsrekening op de sterfdatum van erflaatster;

3) bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) van de schenkingen die binnen 180 dagen voor het overlijden zijn verricht ad € 9.499,-;

4) (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting 2014 en 2015;

5) informatie over giften als bedoeld in artikel 4:67 BW en indien verricht afschriften van bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) waaruit die giften blijken.

2.6.

In maart 2016 heeft [eiseres] een kortgedingprocedure gevoerd om – op straffe van verbeurte van een dwangsom – [gedaagde] te veroordelen tot naleving van de beslissing van de kantonrechter. Dit heeft geleid tot de veroordeling van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur om:

6.2.

binnen twee dagen na betekening van het kortgedingvonnis te voldoen aan de veroordeling van de kantonrechter in de beschikking van 8 januari 2016 op straffe van een dwangsom ten aanzien van de volgende bescheiden:

6.2.1.

de aangifte erfbelasting en zodra aanwezig, de aanslag erfbelasting;

6.2.2.

bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) van de schenkingen die binnen 180 dagen voor het overlijden zijn verricht ad € 9.499,-;

6.2.3.

de voorlopige aanslagen Inkomstenbelasting 2014 en 2015;

6.3.

binnen twee weken na betekening van het kortgedingvonnis te voldoen aan de veroordeling in de beschikking van de kantonrechter van 8 januari 2016 ten aanzien van het verstrekken van informatie over giften als bedoeld in artikel 4:67 BW en – indien beschikbaar – het verstrekken van afschriften van bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) waaruit die giften blijken.

2.7.

[gedaagde] heeft de waarde van de nalatenschap van erflaatster berekend op € 34.551,-. Op 7 juli 2016 heeft hij hiervan één vierde deel, namelijk € 8.637,-, bij wijze van legitieme portie aan [eiseres] overgemaakt. [eiseres] heeft dit bedrag per ommegaande teruggestort.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na vermeerdering van eis – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. A) [gedaagde] te veroordelen om de advocaat van [eiseres] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis alle bescheiden ter hand te stellen met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster evenals alle daartoe strekkende inlichtingen die nodig zijn om de legitieme portie te berekenen, waaronder in ieder geval:

- de volledige en definitieve aangifte erfbelasting;

- alle bankafschriften van ING-bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] en ABN AMRO bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] ;

- stukken waarmee de schenkingen aan [gedaagde] , diens vrouw en kinderen onomstotelijk kunnen worden vastgesteld;

op straffe van een dwangsom ingaande direct na betekening van het vonnis van € 5.000,00 ineens en € 500,00 voor elk dagdeel dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke is en niet of niet volledig aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 100.000,00;

B) [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van een verklaring die een machtiging bevat, om informatie van alle betrokken/relevante banken en instanties in Nederland betreffende het vermogen van erflaatster te verkrijgen, en in het bijzonder om de aanwezige banksaldi op te vragen ten tijde van het overlijden van erflaatster, op straffe van een dwangsom ingaande direct na betekening van het vonnis van € 5.000,00 ineens en € 500,00 voor elk dagdeel dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke is en niet of niet volledig aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 100.000,00;

subsidiair de door de executeur ter comparitie overgelegde volmacht te verduidelijken en te verlengen met een termijn van minimaal drie maanden;

2. [gedaagde] te veroordelen om binnen een termijn van een week na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag van € 124.499,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, of zoveel meer als moge blijken uit de door de executeur op grond van het vonnis nog aan te leveren bescheiden, te betalen;

3. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten van [eiseres] , begroot op € 2.500,00 p.m. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, te betalen;

4. voor recht te verklaren dat [gedaagde] , die tevens handelt als executeur, toerekenbaar onrechtmatig en daarmee toerekenbaar onzorgvuldig jegens [eiseres] heeft gehandeld en jegens haar schadeplichtig is;

5. voor recht te verklaren dat [gedaagde] , die tevens handelt als executeur, een schadevergoeding van € 50.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, aan [eiseres] verschuldigd is;

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot nietigverklaring van de dagvaarding, althans tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, telkens met de veroordeling van haar in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft [gedaagde] gedagvaard zowel in hoedanigheid van executeur als in hoedanigheid van erfgenaam. Zij zal in haar vordering tegen [gedaagde] in zijn hoedanigheid van erfgenaam niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat uitsluitend de executeur de erfgenamen in rechte vertegenwoordigd op grond van artikel 4:145 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2.

Uit de hierboven onder 2.2. vermelde bepaling in het testament, blijkt dat de echtgenote van wijlen [gedaagde] de opvolgend executeur is. De rechtbank gaat ervan uit dat zij ook heeft bedoeld de procedure in die hoedanigheid voort te zetten. Voor zover mr. van Os heeft bedoeld de gezamenlijke erfgenamen van [gedaagde] als rechtsopvolgers in deze procedure aan te merken, zal de rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen jegens de erfgenamen van [gedaagde] omdat de verplichtingen van [gedaagde] als executeur niet door zijn overlijden onder algemene titel op zijn erfgenamen zijn overgegaan. De rechtbank zal hierna zowel [gedaagde] in hoedanigheid van executeur als zijn rechtsopvolger [A] verder aanduiden als de executeur.

4.3.

[eiseres] stelt dat ze recht heeft op de door haar verlangde stukken om de omvang van haar legitieme vordering vast te stellen. Zij bestrijdt de juistheid van het door de executeur verstrekte overzicht bij zijn brief van 7 oktober 2015. Volgens haar heeft de executeur haar onjuist en onvolledig geïnformeerd. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de twee verschillende successieaangiften die [eiseres] heeft ontvangen waarop van elkaar verschillende te verdelen saldi staan vermeld. Daarbij komt dat in de laatste aangifte een post “andere schulden” is opgenomen die niet gespecificeerd is en die in omvang afwijkt van diezelfde post op de eerdere successieaangifte. Voorts ontbreken bij de boedelbeschrijving bepaalde door [eiseres] in de dagvaarding genoemde goederen. Niet genoemd wordt de ring met saffier en briljanten die [eiseres] aan erflaatster had geschonken en de goudenmuntencollectie (of een equivalent van de waarde daarvan) uit de nalatenschap van de vader van partijen. De executeur heeft alleen door hemzelf opgestelde brieven en lijstjes overgelegd, zonder onderbouwing daarvan met stukken. Voorts voert [eiseres] aan dat het onwaarschijnlijk is dat het vermogen waarover erflaatster beschikte in januari is gereduceerd tot € 27.640,-, zoals uit de laatste successieaangifte zou blijken. Volgens [eiseres] bedroeg dit vermogen in 2001 afgerond € 380.000,- en werd dat jaarlijks met AOW/ABP ten bedrage van € 20.000,- vermeerderd. Daarvan is weinig opgesoupeerd omdat erflaatster een sobere levensstijl had. Dit betekent volgens haar dat [gedaagde] bedragen opgenomen of overgeboekt heeft. Zij stelt dat de giften die erflaatster aan [gedaagde] en aan zijn kinderen heeft gedaan (door haar begroot op € 135.959,58 aan [gedaagde] en € 139.746,05 aan ieder kind van hem), zijn geschonken en aanvaard kennelijk met de bedoeling om haar als legitimaris te benadelen. Ook indien rekening wordt gehouden met deze giften, is er nog een bedrag van afgerond € 235.000,- verdwenen. Daarom verlangt zij inzage in de aanslagen IB en schenkingsbelasting over de jaren 2000-2014, zodat inzichtelijk wordt waaraan het vermogen van erflaatster is besteed. Sinds het overlijden van hun vader, beheerde [gedaagde] de financiën van erflaatster. [eiseres] stelt dat [gedaagde] bedragen van de bankrekening van erflaatster zonder haar toestemming naar zichzelf en/of zijn kinderen heeft overgemaakt.

Omdat de executeur niet aan zijn verplichting heeft voldaan om haar te informeren, verzoekt [eiseres] hieraan de gevolgen te verbinden die de rechtbank geraden acht, in die zin dat de rechtbank de door [eiseres] berekende legitieme portie van € 124.499,16 zal toewijzen. Zij is op dit bedrag uitgekomen op grond van de door haar gereconstrueerde financiële gegevens.

4.4.

De executeur heeft ten eerste aangevoerd dat de dagvaarding nietig verklaard dient te worden, omdat de stellingen van [eiseres] niet onderbouwd zijn en zij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarop zij de berekening van de door haar gevorderde bedragen baseert.

Ten tweede voert de executeur aan dat [eiseres] in strijd handelt met de waarheidsplicht zoals neergelegd in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door opzettelijk informatie achter te houden of de rechtbank verkeerd voor te lichten. De executeur stelt zich daarbij op het standpunt dat de rechtbank de vorderingen van [eiseres] dient af te wijzen vanwege deze onwaarheden. Volgens de executeur heeft [eiseres] in de procedure voor de kantonrechter en in de kortgedingprocedure doen voorkomen alsof zij de zogenoemde verantwoordingsbrief van de executeur van 7 oktober 2015 niet heeft ontvangen – waarin hij inzicht geeft in de samenstelling van de nalatenschap en uitleg geeft over de kosten – terwijl zij wel bekend blijkt met deze brief nu zij deze zelf bij de dagvaarding heeft overgelegd (productie 5 bij de dagvaarding). Ook heeft zij stukken (die zij van de executeur heeft ontvangen) in het geding gebracht met weglating van belangrijke punten of bladzijden waarmee zij bewust een verkeerd beeld schetst. Verder laat zij na de giften die zij van erflaatster heeft ontvangen in mindering te brengen op haar legitieme portie.

Voorts heeft de executeur inhoudelijk verweer gevoerd tegen de stellingen van [eiseres] .

4.5.

De rechtbank overweegt dat nietigheid van de dagvaarding niet aan de orde is. Zowel voor de executeur als voor de rechtbank is het duidelijk welke vorderingen [eiseres] heeft ingediend, ongeacht of zij deze voldoende heeft onderbouwd of niet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de executeur inhoudelijk verweer heeft kunnen voeren.

Ten aanzien van de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht overweegt de rechtbank dat indien bij de inhoudelijke beoordeling van de stellingen blijkt dat [eiseres] daarmee in strijd heeft gehandeld, de rechtbank daaraan de gevolgen zal verbinden die zij geraden acht.

4.6.

Voordat de rechtbank tot de inhoudelijke beoordeling overgaat, zal zij eerst stilstaan bij de consequenties van de eerder tussen partijen gevoerde procedures. Voor zover [eiseres] in de huidige procedure verstrekking van bepaalde inlichtingen of stukken vordert waarover al is beslist door de kantonrechter, zal de rechtbank evenals de voorzieningenrechter destijds, niet in de beoordeling daarvan treden. De rechtbank zal ten aanzien van deze inlichtingen of stukken alleen beoordelen of de gevorderde dwangsom kan worden toegewezen. Daarvoor is relevant of de executeur deze stukken inmiddels heeft verstrekt.

4.7.

Ten aanzien van de overige inlichtingen of stukken waarop [eiseres] aanspraak maakt, geldt het volgende. Op grond van artikel 4:78 BW kan een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft. Vanwege de eerder genoemde privatieve bevoegdheid van de executeur, gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres] in dit verband alleen de executeur kan aanspreken.

4.8.

Voor de bepaling van de legitieme vordering is ook van belang welke giften de legitimaris van erflater heeft ontvangen; deze komen op grond van artikel 4:70 lid 1 BW in mindering op zijn legitieme portie. [eiseres] is daarom op grond van de redelijkheid en de billijkheid gehouden inzichtelijk te maken welke giften zij van erflaatster heeft ontvangen, zoals hierna nog aan de orde zal komen.

naleving beslissing kantonrechter

4.9.

De rechtbank stelt vast dat de kantonrechter al heeft geoordeeld over de nu door [eiseres] onder A gevorderde volledige en definitieve aangifte erfbelasting. Dit is door de voorzieningenrechter onder oplegging van een dwangsom herhaald. De executeur heeft zich tegen de vordering verweerd met de stelling dat hij deze aangifte al heeft overgelegd, nog vóór de procedure voor de voorzieningenrechter. Zoals hiervoor onder 4.3. is weergegeven stelt [eiseres] zich op het standpunt dat zij twee verschillende aangiftes heeft ontvangen en dat dit vragen oproept. Wat daar verder ook van zij, ter zitting is tussen partijen overeengekomen dat de executeur aan [eiseres] de volledige definitieve aangifte voor successie zal verstrekken en dat de executeur hieraan inmiddels heeft voldaan door deze als productie 18 bij akte in het geding te brengen. Dat betekent dat dit verzoek dient te worden afgewezen bij gebrek aan belang.

4.10.

De kantonrechter heeft de executeur ook veroordeeld tot het verstrekken van informatie over giften als bedoeld in artikel 4:67 BW en, indien verricht, afschriften van bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) waaruit die giften blijken. Voor de volledigheid stelt de rechtbank voorop dat in artikel 4:67 BW is bepaald dat voor de bepaling van de legitieme vordering de volgende door erflater gedane giften in aanmerking worden genomen a) giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld b) giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard c) giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten d) giften door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is e) andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaar voor zijn overlijden is geschied. In beginsel geldt dat de legitimaris recht heeft op een overzicht van alle giften van de erflater. Als deze allemaal in kaart zijn gebracht, kan vervolgens bezien worden of deze vallen onder het bereik van artikel 4:67 BW en van belang zijn voor de vaststelling van de legitieme portie.

4.11.

In de onderhavige procedure vordert [eiseres] verstrekking van stukken waarmee de schenkingen aan [gedaagde] , diens vrouw en kinderen onomstotelijk kunnen worden vastgesteld. Voor de giften van erflaatster aan [gedaagde] geldt bij voorbaat dat deze vallen onder artikel 4:67 BW onder d, zodat deze stukken zijn begrepen in de veroordeling van de kantonrechter. De rechtbank stelt vast dat de executeur bij zijn conclusie van antwoord als productie 8 een overzicht van (onder meer) de aan hem geschonken bedragen heeft ingediend en de daarmee corresponderende bankafschriften, zodat [eiseres] geen belang meer heeft bij haar vordering tot informatie over de schenkingen aan [gedaagde] .

4.12.

In ditzelfde overzicht heeft de executeur ook schenkingen vermeld die erflaatster aan anderen (dan aan hem) heeft gedaan in de vijf jaar voor haar overlijden, eveneens voorzien van de onderliggende bankafschriften. Dit zijn de giften die vallen onder artikel 4:67 lid 1 onder e zodat hij in zoverre ook heeft voldaan aan de veroordeling van de kantonrechter. De executeur stelt zich op het standpunt, zo begrijpt de rechtbank, dat giften aan zijn vrouw en kinderen alleen relevant zijn voor zover zij zijn gedaan in het tijdvak tot vijf jaar vóór het overlijden van erflaatster en dat hij, voor zover daarvan sprake is geweest, deze giften heeft vermeld in het overzicht. [eiseres] stelt dat álle giften aan zijn vrouw en kinderen moeten worden vermeld omdat erflaatster aan [gedaagde] en zijn kinderen giften heeft gedaan met het oogmerk haar als legitimaris te benadelen, zodat deze giften vallen onder het bepaalde in artikel 4:67 lid 1 onder a BW. Zij stelt daartoe dat [gedaagde] de relatie tussen erflaatster en [eiseres] “blijkbaar” “sterk negatief” heeft beïnvloed. De rechtbank ziet daar geen aanknopingspunten voor. Daartoe overweegt zij het volgende.

4.13.

De hiervoor genoemde productie 8 van de executeur, bestaat uit 12 bladzijden, waarvan de eerste bladzijde identiek is aan die door [eiseres] als productie 3 bij de dagvaarding is overgelegd. Bovenaan deze bladzijde, zowel die door [eiseres] als productie 3 is ingediend als die behoort bij productie 8 van de executeur, staat:

Vonnis kort geding van 18 maart 2016

6.3.

bepaalt dat de executeur binnen twee weken na betekening van dit vonnis moet voldoen aan de veroordeling in de beschikking van de kantonrechter van 8 januari 2016 ten aanzien van het verstrekken van informatie over giften als bedoeld in artikel 4:67 BW en – indien beschikbaar – het verstrekken van afschriften van bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) waaruit die giften blijken”

Uit het feit dat deze twee bladzijden identiek zijn (op de bladzijdenummering na die in de productie van [eiseres] is weggelaten) en de hierboven aangehaalde veroordeling van de kortgedingrechter leidt de rechtbank af dat productie 3 van [eiseres] de eerste bladzijde is van het overzicht van giften – met kopieën van de met de bedragen corresponderende bankafschriften – dat de executeur op 1 april 2016 naar aanleiding van het kortgedingvonnis aan [eiseres] heeft verstrekt en dat de executeur terecht heeft aangevoerd dat [eiseres] in de dagvaarding heeft doen voorkomen dat zij nog niet over een dergelijk overzicht beschikte.

Naast de negatieve indruk die [eiseres] hiermee heeft willen wekken, heeft zij gesuggereerd dat [gedaagde] zo’n € 235.000,- heeft weggesluisd van de rekening van erflaatster sinds het overlijden van de vader van partijen omdat [gedaagde] erflaatster sinds dat overlijden hielp bij het doen van de financiën. Opvallend voor de redeneringen van [eiseres] die leiden tot haar conclusie dat zij door erflaatster en door [gedaagde] benadeeld is, is dat zij uitgaat van de veronderstellingen 1) dat erflaatster in januari 2001 beschikte over een saldo van € 379.236,- op haar (niet nader genoemde) bankrekeningen 2) dat zij daar bovenop jaarlijks een bedrag van € 20.000,- AOW/ABP ontving dat zij niet of nauwelijks hoefde aan te breken omdat zij sober leefde sinds haar opname in het verpleeg-huis in 2010 zodat 3) een banksaldo van € 650.000,- deel zou moeten uitmaken van de nalatenschap van erflaatster en dat 4) erflaatster aan [gedaagde] een bedrag van

€ 135.959,58 en zijn beide zoons ieder € 139.746,05 heeft geschonken. De executeur heeft al deze veronderstellingen gemotiveerd weersproken waarna [eiseres] daar niet nader op is ingegaan.

Verder heeft [eiseres] in haar akte van 10 februari 2017 gesteld dat zij naar aanleiding van de na de comparitie ingewonnen inlichtingen heeft ontdekt dat er gelden door de executeur zijn doorgesluisd naar en ten behoeve van zijn kinderen, welke giften niet zijn vermeld op het eerder door hem overlegde overzicht van productie 8. De door haar (in bijlage 6 bij haar akte) omcirkelde bedragen zijn echter terug te vinden op het eerder genoemde overzicht van de executeur (productie 8).

De rechtbank houdt het ervoor dat [eiseres] de executeur in deze procedure in diskrediet heeft willen brengen door de suggestieve stellingen die zij verder niet onderbouwd en door het indienen van incomplete stukken. Gelet op de door de executeur verstrekte overzichten en stukken en het tussen partijen gevoerde debat, komt de rechtbank tot het oordeel dat de executeur aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat er geen grond is om aan te nemen dat er nog giften zijn gedaan door erflaatster die niet door de executeur zijn genoemd maar die wel van belang zouden zijn voor de bepaling van de legitieme vordering van [eiseres] . Hieruit volgt dat de vordering onder A met betrekking tot “de stukken waarmee de schenkingen aan [gedaagde] , diens vrouw en kinderen onomstotelijk kunnen worden vastgesteld”, afgewezen zal worden.

4.14.

Onder B heeft [eiseres] de verstrekking van een machtiging door de executeur gevorderd om informatie te verkrijgen betreffende het vermogen van erflaatster, in het bijzonder over de banksaldi ten tijde van het overlijden van erflaatster. Voor zover dit bankafschriften of een print van de internetpagina’s van de ING betaal- en beleggings-rekening op de sterfdatum van erflaatster betreft, betreft dit ook het voldoen door de executeur aan de veroordeling van de kantonrechter.

Ter zitting heeft de executeur aan [eiseres] een volmacht verleend voor een periode van drie maanden, om namens hem informatie van alle betrokken/relevante banken en instanties in Nederland betreffende het vermogen van erflaatster te verkrijgen. In zoverre heeft de executeur voldaan aan de vordering onder B en aan de veroordeling door de kantonrechter. Uit de akte van [eiseres] van 10 februari 2017, blijkt dat zij daarmee echter niet de door haar gewenste informatie heeft kunnen verkrijgen. Argenta, ABN-AMRO en SNS bank weigeren de bankafschriften te verstrekken en verwijzen naar de executeur. Volgens [eiseres] zouden de banken aan hem de bankafschriften hebben verstrekt. De rechtbank kan dit echter niet opmaken uit de bijlagen waarnaar [eiseres] verwijst ter toelichting van deze stelling. De redenen die daarin worden genoemd houden verband met het ontbreken van een omschrijving in de volmacht van wat onder “vermogen” wordt verstaan, wiens nalatenschap het betreft, het ontbreken van een verklaring van erfrecht, het feit dat er sinds 2012 geen producten meer aanwezig zijn op de naam van erflaatster of dat de gevraagde informatie geen betrekking heeft op een bankrekening ten name van erflaatster. De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van de (subsidiaire) vordering onder B, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de executeur al aan zijn verplichting heeft voldaan om [eiseres] te voorzien van de benodigde informatie over de omvang van de nalatenschap door de verstrekking van de definitieve aangifte voor successie en de zogenoemde verantwoordingsbrief van 7 oktober 2015.

de overige stukken waarvan [eiseres] verstrekking vordert

4.15.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de executeur aan [eiseres] de definitieve successieaanslag zal verstrekken. Daaraan heeft de executeur in zoverre voldaan door een brief van de belastingdienst van 16 december 2016 over te leggen (productie 10 van de executeur) die is toegespitst op de situatie van [eiseres] als legitimaris. De brief houdt in dat het saldo van de nalatenschap blijkens zowel de eerste aangifte als de aanvullende aangifte (die is opgesteld na het beroep op de legitieme portie door legitimaris) € 34.551,- bedraagt, dat de legitieme portie van [eiseres] door de executeur is berekend op € 8.637,- (en daarmee binnen de geldende kind-vrijstelling valt zodat er geen erfbelasting daarover verschuldigd is door [eiseres] ). De rechtbank zal daarom de onder A gevorderde overlegging van de definitieve aangifte erfbelasting afwijzen.

Aan de op zitting gemaakte afspraak dat de executeur de aangiften inkomstenbelasting van erflaatster tot vijf jaar teruggerekend van het moment van haar overlijden zal overlijden, heeft de executeur overigens ook gevolg gegeven.

4.16.

Ten aanzien van de vordering onder A tot verstrekking van alle bankafschriften van ING-bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] en ABN AMRO bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] , heeft [eiseres] niet nader toegelicht wat daarvan de relevantie is, zodat er geen grond is om deze vordering toe te wijzen. Voor zover dit bankrekeningen betreft die ten name van erflaatster waren gesteld, valt de vordering samen met de hiervoor beoordeelde vordering onder B.

vaststelling legitieme portie

4.17.

Zoals hiervoor is overwogen, gaat de berekening van [eiseres] uit van (financiële) veronderstellingen die niet houdbaar zijn gebleken. Daarbij komt dat zij bij de berekening van haar legitieme portie ten onrechte de giften die zij van erflaatster heeft ontvangen buiten beschouwing heeft gelaten. Zij heeft in dit verband onvoldoende weersproken dat de giften die zij heeft ontvangen, € 110.184,96 bedragen zoals de executeur heeft berekend. Ondanks de expliciete uitnodiging van de rechtbank daartoe op de zitting, heeft zij nagelaten te onderbouwen dat de aan haar overgeboekte bedragen leningen betroffen (zoals zij ter comparitie aanvoerde).

Het door haar gevorderde bedrag van € 124.499,16 zal aldus worden afgewezen.

4.18.

Ter comparitie is aan [eiseres] opgedragen op basis van de door haar ingewonnen informatie een berekening van haar legitieme portie in het geding te brengen, voorzien van een onderbouwing. Zij heeft dit echter nagelaten. De rechtbank zal de legitieme portie berekenen op grond van de door de executeur beschikbaar gestelde en door [eiseres] onvoldoende betwiste gegevens.

Voor de waarde van de nalatenschap gaat de rechtbank uit van € 34.551,- (conform het bericht van de belastingdienst). Deze waarde dient te worden vermeerderd met de giften aan de legitimarissen [eiseres] en [gedaagde] , en giften aan derden binnen vijf jaren voorafgaande aan het overlijden van erflaatster. Uit het overzicht (productie 8) van de executeur leidt de rechtbank af dat het totaal van de giften aan hem en aan derden binnen de genoemde vijfjaarstermijn € 313.791,81 (€ 317.391,42 minus € 3.559,61) bedraagt. De legitimaire massa kan dan worden becijferd op € 458.527,77 (€ 34.551,- + € 110.184,96 +

€ 313.791,81). De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de schulden, naast de in mindering gebrachte € 3.559,61, al zijn verdisconteerd in het saldo van de nalatenschap van € 34.551,-. De vordering van [eiseres] bedraagt daarvan een vierde: € 114.631,94. Daarvan heeft zij reeds € 110.184,96 ontvangen, zodat zij nog € 4.446,98 tegoed heeft. De rechtbank zal dit bedrag als het mindere van de vordering onder 2. van [eiseres] toewijzen. De daarover gevorderde rente kan worden toegewezen nu deze niet is weersproken en op de wet kan worden gegrond.

4.19.

Over de onder 3 tot en met 5 door [eiseres] ingestelde vorderingen heeft de rechtbank op de comparitie al laten weten dat deze vorderingen zullen worden afgewezen omdat [eiseres] ten aanzien daarvan niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

proceskosten

4.20.

De executeur heeft aangevoerd dat hij het overleg met [eiseres] heeft willen aangaan, maar dat zij telkens de gang naar de rechtbank verkoos. Hij heeft haar voorgehouden dat zij met het bedrag van € 8.637,- dat hij aan haar had overgemaakt, gunstiger was bedeeld dan met de uitkomst van een volledige berekening van de legitieme portie. Op zijn verzoek aan haar om hem een overzicht te verstrekken van de giften die zij van erflaatster heeft ontvangen, heeft zij niet gereageerd maar in plaats daarvan direct de dagvaarding in deze procedure uitgebracht. De rechtbank overweegt dat het [eiseres] uiteraard vrij stond om een procedure te beginnen in plaats van voor een minnelijke regeling te kiezen, maar acht het risicovol dat zij een zo hoge vordering heeft ingediend met zo weinig onderbouwing. Daarmee heeft zij niet alleen zichzelf maar ook haar wederpartij op onnodig hoge kosten gebracht. Bovendien heeft zij in strijd met artikel 21 Rv gehandeld door de rechtbank onvolledig en niet naar waarheid voor te lichten. De rechtbank ziet in deze wijze van procederen aanleiding [eiseres] te veroordelen in de kosten van de procedure, in afwijking van het uitgangspunt dat in familiekwesties zoals deze doorgaans tot een compensatie van kosten wordt beslist.

4.21.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de erven van [gedaagde] en de executeur worden begroot op:

- griffierecht € 1.548,00

- salaris advocaat 4.263,00 (3 punt × tarief € 1.421,00)

Totaal € 5.811,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen de erven van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van erfgenaam,

5.2.

veroordeelt de executeur aan [eiseres] het bedrag van € 4.446,98 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de erven van [gedaagde] en de executeur begroot op € 5.811,00,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Phaff en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.