Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1610

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
16/195574-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zes krakers die vorig jaar oktober de watertoren op de Amsterdamsestraatweg in Utrecht kraakten zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld. Eén van hen heeft een gevangenisstraf opgelegd gekregen, de overige vijf moeten een boete van 500 euro betalen.

Op 1 oktober heeft de groep waartoe de krakers behoorden het hek en de deuren van de watertoren geforceerd waarna ze naar binnen zijn gegaan. De krakers hebben vanuit het gebouw een spandoek opgehangen met de tekst “Fuck het kraakverbod”. Na nog geen vier uur zijn de zes door een speciale eenheid van de politie gearresteerd en overgebracht naar het politiebureau.

De rechtbank is het niet eens met de stelling dat het kraken van de watertoren niet moet worden bestraft omdat dit onderdeel zou zijn geweest van een demonstratie. Het staat de krakers vrij om deel te nemen aan demonstraties en op te komen voor hun idealen, maar die idealen vormen geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank meegewogen dat er geen sprake is van ernstige schade aan de gekraakte watertoren. Omdat één van de krakers eerder veroordeeld is voor kraken krijgt hij een gevangenisstraf van 7 dagen opgelegd. Ook moet hij een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf uitzitten. De rest moet een boete betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/195574-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboortedatum en geboorteplaats onbekend (geboortejaar 1997),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.J.J.S. Visser en van hetgeen mr. T. Urbanus, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 1 oktober 2017 te [woonplaats] tezamen en in vereniging een gebouw aan de [adres] heeft gekraakt.

3 VOORVRAGEN

3.1

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw van verdachte heeft primair bepleit het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat hetgeen zij ter onderbouwing van haar niet-ontvankelijkheidsverweer naar voren heeft gebracht, dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging omdat het feit niet strafbaar is wegens strijd met hogere regelgeving.

Zoals uit het navolgende zal blijken, acht de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. Om herhaling te voorkomen heeft de rechtbank ervoor gekozen deze verweren van de raadsvrouw pas te bespreken in paragraaf 6 van dit vonnis, na de waardering van het bewijs.

3.3

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (partiële) vrijspraak bepleit van het medeplegen van het ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten of anderen. Uit het dossier kan immers niet worden afgeleid of overleg heeft plaatsgevonden en daarnaast blijft onduidelijk wie de deur van de [object] heeft opengebroken en wat zich in de [object] heeft afgespeeld. Het enkele feit dat verdachte met meerdere mensen in de [object] is aangetroffen, is volgens de raadsvrouw onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen 1

Getuige [getuige] woont tegenover de [object] in [woonplaats] en heeft - voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat – het volgende verklaard:

‘Op 1 oktober 2017 omstreeks 13:17 uur zag ik voor de [object] zes á zeven man staan met een wit spandoek. Zij hielden het spandoek voor de toegang van de [object] .2 Ik hoorde het geluid van een slijptol waarmee geslepen werd van achter het spandoek vandaan komen. Ik zag na een tijdje dat het hek en de deuren van de [object] waren geforceerd. Ik zag dat een man de [object] binnenging.’3

Verbalisant [verbalisant 1] kwam op 1 oktober 2017 ter plaatse en heeft – voor zover hier van belang – het volgende geverbaliseerd:

‘Ik zag dat er voor de ingang van de [object] mensen stonden die een spandoek vasthielden. Ik hoorde achter het spandoek allerlei bonk-, zaag- en timmergeluiden.4
Ik zag dat door aanwezige personen in de [object] tussen de tweede en de vierde verdieping een spandoek werd opgehangen aan de buitenzijde van de [object] . Ik zag hierop de tekst 'fuck het kraakverbod'.’5

Verbalisant [verbalisant 2] kwam op 1 oktober 2017 omstreeks 13.50 uur ter plaatse en heeft – voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat – het volgende geverbaliseerd:

‘Ik werd aangesproken door mevrouw [A] . Zij gaf aan dat zij het woord voerde namens de krakers binnen en vertelde dat het pand gekraakt was omdat er woonrecht op zou zitten.6 Omstreeks 16.45 uur werd het pand daadwerkelijk betreden door de BRATA (de brand en traangas eenheid). In het pand werden zes verdachten aangetroffen, die werden aangehouden en overgebracht naar het politie bureau Utrecht-Centrum.’7

Op 1 oktober 2017 heeft [aangever] aangifte gedaan. [aangever] heeft – voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat – het volgende verklaard:

‘Ik ben eigenaar van de [object] aan de [adres] , te [woonplaats] . De [object] is een leegstaand pand in verbouwing. Op 1 oktober 2017 kreeg ik bericht dat personen de [object] hadden gekraakt. Ik was ongeveer een week geleden voor het laatst bij de [object] . Ik heb de [object] toen afgesloten achtergelaten. Ik had de toegang van de [object] afgesloten met een hek. Het hek zat op slot met 3 tot 4 hangsloten en was voor niemand toegankelijk.’8

Op 3 april 2018 heeft [aangever] (aanvullend) verklaard dat hij voor 1 oktober 2017 nog niet was begonnen met de verbouwing. Het pand [de rechtbank begrijpt: de [object] ] was geheel leeg. Er was geen aansluiting meer van gas, water en licht en er was geen werkend toilet.9

Uit een proces-verbaal van aanhouding, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , blijkt dat verdachte [verdachte] (eerder aangeduid als [verdachte] ) op 1 oktober 2017 is aangehouden op de [adres] in [woonplaats] en ter geleiding is overgebracht naar het politie bureau Utrecht.10

4.3.2

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, stelt de rechtbank vast dat verdachte het tenlastegelegde feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake was van een gezamenlijk plan en van een nauwe en bewuste samenwerking. Dat het onduidelijk is wie van de verdachten dan vervolgens de sloten van de [object] heeft verbroken, zoals de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, is niet relevant. Bovendien blijkt uit het pleidooi van de raadsvrouw dat sprake was van een vooropgezet plan om juist dit gebouw op exact deze datum te kraken.

Gelet op het bovenstaande en op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 1 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van kraken van de [object] in [woonplaats] .

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 1 oktober 2017 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, in een gebouw, gelegen aan de [adres] (perceelnummer [nummer] ), waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd, wederrechtelijk is binnengedrongen en wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Zoals in paragraaf 3 vermeld, wordt zowel het primaire als het subsidiaire verweer van de raadsvrouw hieronder besproken.

6.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Verdachte heeft het ten laste gelegde begaan in het kader van een vreedzame demonstratie tegen de Wet kraken en leegstand, hetgeen blijkt uit het dossier en de persberichten over deze zaak.

Met verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) stelt de verdediging zich op het standpunt dat bepaalde gedragingen die buiten een demonstratie om strafbare feiten opleveren, begaan tijdens een demonstratie moeten worden aangemerkt als een vorm van meningsuiting of vergadering. Daarbij is van belang dat artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) volgens het EHRM niet alleen de inhoud, maar ook de vorm van de uiting beschermt. Wanneer een strafbaar feit wordt gepleegd in het kader van een vreedzame demonstratie, mag gelet op deze vrijheden dan ook niet zomaar worden ingegrepen, nu daarmee inbeuk wordt gemaakt op het demonstratierecht. Het bezetten van de [object] was evident onderdeel van een betoging, namelijk een uiting van protest tegen de Wet kraken en leegstand. Het ten laste gelegde heeft het vreedzame karakter van de demonstratie niet aangetast en kan hoogstens worden gezien als een wanordelijkheid tijdens een demonstratie.

Nu verdachte toch is aangehouden, is inbreuk gemaakt op het recht van vrijheid van meningsuiting en het recht op vreedzame vergadering, zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM en artikel 9 van de Grondwet. Uit jurisprudentie van het EHRM over deze artikelen volgt dat de discretionaire bevoegdheid van een lidstaat tot het bestraffen van met expressie of vergadering verweven strafbaar gedrag weliswaar ruim, maar niet ongelimiteerd is.

Het is volgens de raadsvrouw op zichzelf denkbaar dat de politie ter plaatse een verkeerde belangenafweging maakt en een deelnemer aan een demonstratie aanhoudt. Het Openbaar Ministerie heeft echter de tijd om een zorgvuldige vervolgingsbeslissing te nemen. De beslissing van het Openbaar Ministerie om verdachte in dit geval te dagvaarden is volgens de raadsvrouw in strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, nu met de aanhouding van verdachte reeds fundamentele rechten waren geschonden. Daarnaast was bekend dat verdachte een blanco strafblad heeft en na haar aanhouding geruime tijd op het politiebureau heeft moeten verblijven.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de officier van justitie ontvankelijk is, dient het voorgaande volgens de raadsvrouw te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Het ten laste gelegde kan niet als strafbaar worden gekwalificeerd. De beoogde strafbepaling is in het onderhavige geval in strijd is met hogere regelgeving en dient buiten toepassing te worden gelaten.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk moet worden verklaard. Daarnaast acht de officier van justitie het tenlastegelegde feit strafbaar. De officier heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte terecht is aangehouden en vervolgd. De politie heeft met de aanhouding geen einde gemaakt aan de demonstratie, die buiten de [object] gewoon is doorgegaan, maar aan het strafbare feit, te weten het kraken van de [object] . Van schending van de artikelen 10 en 11 van het EVRM is dan ook geen sprake. De duur van de inverzekeringstelling van verdachte was eveneens gerechtvaardigd, omdat verdachte haar identiteit niet kenbaar wilde maken en de politie tijd nodig had voor onderzoek naar haar identiteit.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging en overweegt daartoe als volgt.

Het Openbaar Ministerie kan slechts dan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van een verdachte indien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Van een dergelijke inbreuk is in het onderhavige geval niet gebleken.

De verdediging heeft ter onderbouwing van haar verweer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging had mogen overgaan, omdat het strafbare feit was gepleegd in het kader van een demonstratie. De raadsvrouw heeft echter pas voor het eerst ter terechtzitting gesteld dat het ten laste gelegde is begaan als onderdeel van een demonstratie. Op het moment dat de politie ter plaatse kwam is op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat het pand was gekraakt in het kader van een demonstratie. Sterker nog, een opsporingsambtenaar werd er door de woordvoerster van de krakers op gewezen dat het pand gekraakt was, omdat er woonrecht op zou zitten en er werd vanuit de [object] een spandoek met de tekst “Fuck het kraakverbod” opgehangen. Dat de politie dit volgens de raadsvrouw had moeten afleiden uit het feit dat een groep sympathisanten voor de [object] stond met een spandoek met daarop de tekst “People over profit”, ziet de rechtbank gelet op het voorgaande dus anders.

Op het moment dat het Openbaar Ministerie besloot verdachte te vervolgen, was nog steeds op geen enkele manier door of namens verdachte aangevoerd dat het kraken onderdeel was van een demonstratie. Alle verdachten hebben tijdens het verhoor bij de politie een beroep gedaan op hun zwijgrecht. Ook uit het dossier of berichten op de verschillende nieuwssites had het Openbaar Ministerie niet zonder meer hoeven afleiden dat het bezetten van de [object] een onderdeel of uitingsvorm was van een demonstratie tegen de Wet leegstand en kraken was.

De rechtbank overweegt dat, ook als aangenomen wordt dat het strafbare feit is gepleegd als onderdeel of uiting van een demonstratie, de aanhouding, vervolging en veroordeling van verdachte kunnen worden aangemerkt als gerechtvaardigde inbreuken op de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging, zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM.
Deze vrijheden zijn namelijk niet absoluut en kunnen op grond van het tweede lid worden beperkt, mits bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving met het oog op – onder meer – het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten of met het oog op de bescherming van de rechten en vrijheden van een ander.

De beperking is in het onderhavige geval bij wet voorzien, nu verdachte is aangehouden en vervolgd voor het medeplegen van kraken, strafbaar gesteld in de artikelen 47 juncto 138a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
De inbreuk op artikelen 10 en 11 van het EVRM kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als noodzakelijk in een democratische samenleving met het oog op het beëindigen van een strafbaar feit, welk strafbaar feit als doel heeft om het eigendomsrecht van de eigenaar van een leegstand pand te beschermen. De vergelijking van de raadsvrouw met de jurisprudentie van het EHRM, waarbij betogingen gepaard gingen met strafbare feiten, gaat mank. De volgens de verdachte gekozen uitingsvorm van de demonstratie, te weten het wederrechtelijk betreden van de [object] , zijnde privébezit, gaat niet gepaard met het strafbare feit, maar is in dit geval het strafbare feit zelf. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beperking die werd gesteld proportioneel was ten aanzien van het nagestreefde doel, nu de politie slechts een einde heeft gemaakt aan het strafbare feit en niet aan de demonstratie. De politieagenten hebben de demonstranten met hun spandoeken voor de [object] immers ongemoeid gelaten. Gelet op het voorgaande hebben verdachte en haar medeverdachten de grens van het toelaatbare overschreden en het vreedzame karakter van de demonstratie aangetast. Daar komt nog bij dat verdachte, net als de andere demonstranten, de mogelijkheid had om haar boodschap voor het voetlicht te brengen zonder over te gaan tot het plegen van strafbare feiten.


Op grond van het bovenstaande en gelet op het verhandelde ter terechtzitting, acht de rechtbank het bewezenverklaarde feit strafbaar. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van kraken.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op haar verweren in het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de strafbaarheid van het feit. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de schade aan de [object] minimaal was, dat verdachte slechts een paar uur in de [object] heeft vertoefd en niet de gelegenheid heeft gekregen deze vrijwillig te verlaten. Tot slot heeft verdachte reeds enkele dagen vastgezeten op het politiebureau.

De raadsvrouw heeft de rechtbank subsidiair verzocht verdachte een geldboete op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Bewezen is verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van kraken. De wetgever heeft voor kraken als strafmaximum een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie vastgesteld. Voor dit feit zijn geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. Daarom heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare zaken.

Verdachte en haar medeverdachten hebben de [object] in [woonplaats] gekraakt. Kraken is een hinderlijk en overlastgevend feit waarbij een onaanvaardbare vorm van eigenrichting wordt gehanteerd. Door het handelen van verdachte is schade veroorzaakt en inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar van de [object] . De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat verdachte de [object] heeft gekraakt uit protest tegen het kraakverbod. Het staat verdachte vrij om deel te nemen aan demonstraties en op te komen voor haar idealen. Deze idealen vormen echter geen vrijbrief voor het plegen van feiten als het bewezen verklaarde.
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 maart 2018, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.


Gelet op de aard van het feit en de schade en overlast die verdachte daarmee heeft veroorzaakt, ziet de rechtbank - anders dan de verdediging - geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a Sr. De stelling dat het kraken moet worden gezien als onderdeel van een demonstratie en daarom niet moet worden bestraft, gaat niet op. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, valt niet in te zien waarom het kraken in het kader van een demonstratie nodig was. Verdachte had immers de mogelijkheid zijn gedachtengoed uit te dragen zonder dat te doen in de vorm van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij ervoor heeft gekozen geen gebruik te maken van die mogelijkheid.
Voorts acht de rechtbank een gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, niet passend, nu verdachte niet eerder is veroordeeld voor kraken en geen sprake is van ernstige schade aan het gekraakte pand.

Het voorgaande in ogenschouw genomen, acht de rechtbank passend en geboden een geldboete van 500 euro.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 47 en 138a Sr, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

-veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van 500 euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee , voorzitter, mrs. C.A.M. van Straalen en

mr. E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 april 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 1 oktober 2017 te [woonplaats] , althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, in een woning en/of gebouw, gelegen aan de

[adres] (perceelnummer [nummer] ), waarvan het gebruik door de

rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of

wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.

(art 138a lid 1, art 138a lid 3, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 31 oktober 2017, genummerd PL0900-2017300214, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 141. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 1 oktober 2017, pagina 22.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 1 oktober 2017, pagina 23.

4 Een proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2017, opgesteld door [verbalisant 1] , pagina 11.

5 Een proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2017, opgesteld door [verbalisant 1] , pagina 12.

6 Een proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2017, opgesteld door [verbalisant 2] , pagina 8.

7 Een proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2017, opgesteld door [verbalisant 2] , pagina 9.

8 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , pagina 16.

9 Een proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2018 (ter terechtzitting aan dossier toegevoegd,
niet genummerd, opgesteld door [verbalisant 5] ).

10 Een proces-verbaal van aanhouding van 1 oktober 2017, opgesteld door [verbalisant 3] en [verbalisant 6]
, pagina 45.