Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1507

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
C/16/453692 / JE RK 18-167
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Er is een (voorlopige) zorgregeling vastgesteld door de kinderrechter. De GI is ook dan bevoegd een schriftelijke aanwijzingen te geven die het contact tussen de vader en het kind beperkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Zittingsplaats: Utrecht

zaakgegevens : C/16/453692 / JE RK 18-167

datum uitspraak: 1 maart 2018

beschikking conflictbehandeling schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[verzoeker] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. V.C.Th. van ’t Westende Meeder,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [2002] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam van minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[A] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J. van Andel,

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen de GI,

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) is betrokken op grond van artikel 810 Rechtsvordering.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 29 januari 2018. Nadien is nog binnengekomen:

- de brief van de zijde van de moeder van 12 februari 2018, ingekomen op 14 februari 2018.

Op 15 februari 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- mr. V.C.Th. van ’t Westende Meeder,

- mevrouw [B] namens de GI,

- mevrouw [C] namens de Raad.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de minderjarige [voornaam van minderjarige] en de vader.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 15 juni 2017 is de ondertoezichtstelling van [voornaam van minderjarige] verlengd tot 30 juni 2018.

Bij afzonderlijke beschikking, eveneens van 15 juni 2017, heeft de kinderrechter de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld: [voornaam van minderjarige] verblijft één weekend in de veertien dagen bij de vader, te weten de weekenden in de oneven weken; de vakantieregeling geldt zoals overeengekomen in de brief van 6 december 2016 en er is tussendoor geen contact tussen [voornaam van minderjarige] en de vader. De beslissing ten aanzien van een definitieve zorgregeling is aangehouden.

De GI heeft op 19 januari 2018 aan de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] . Hierin is -voor zover relevant- het volgende opgenomen:

- [voornaam van minderjarige] blijft het komende weekend van 19, 20 en 21 januari 2018 bij haar moeder en zal niet volgens de omgangsregeling bij u verblijven.

- U dient zich te onthouden van het contact zoeken met [voornaam van minderjarige] op welke manier dan ook. U bent er ook voor verantwoordelijk dat dat uw partner zich onthoudt van het contact zoeken met [voornaam van minderjarige] .

- Indien u zich niet aan deze aanwijzingen houdt, zijn wij genoodzaakt om de rechter te verzoeken een dwangsom op te laten leggen voor iedere keer dat u contact met [voornaam van minderjarige] zoekt

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2018 de vader de omgang met [voornaam van minderjarige] voor de duur van een jaar ontzegd en het verzoek van de GI om aan de vader een dwangsom op te leggen afgewezen. De rechtbank heeft voorts de behandeling van de zelfstandige verzoeken van de vader aangehouden en (terug) verwezen naar de kinderrechter.

Het verzoek


In het verweerschrift tevens verzoekschrift van 23 januari 2018 heeft de vader verzocht om de schriftelijke aanwijzing van 19 januari 2018 op grond van artikel 1: 264 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geheel vervallen te verklaren. Daarnaast is verzocht om de schriftelijke aanwijzing niet ontvankelijk te verklaren. Dit omdat de meervoudige kamer met de beslissing om de omgang van de vader met [voornaam van minderjarige] voor een jaar stop te zetten, de schriftelijke aanwijzing heeft ‘overruled’. De vader betreurt deze uitspraak omdat deze een heftige belasting met zich meebrengt voor hemzelf en voor [voornaam van minderjarige] . Zij kunnen elkaar niet zien, maar [voornaam van minderjarige] heeft ook geen contact met haar broertjes. De vader betwist dat [voornaam van minderjarige] door hem of zijn partner onder druk is gezet. Het is niet mogelijk dat de GI de partner van vader indirect een schriftelijke aanwijzing oplegt. De vader kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de handelwijze van zijn partner. Het kan de vader evenmin worden aangerekend dat hij contact had met [voornaam van minderjarige] . [voornaam van minderjarige] stuurde hem geregeld berichten, die de vader dan beantwoordde. Als de GI eerder had besproken dat dit niet wenselijk was, dan had de schriftelijke aanwijzing voorkomen kunnen worden. De klacht die [voornaam van minderjarige] heeft ingediend tegen de GI, is de directe aanleiding voor de schriftelijke aanwijzing. De vader vindt het zeer zorgelijk dat de GI op een klacht reageert door het contact met de vader te verbieden en [voornaam van minderjarige] onder druk te zetten om de klacht in te trekken.

Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. Er is een last van de schouders van [voornaam van minderjarige] gevallen nu er geen spanning meer is over de contactmomenten met de vader. Zij is verdrietig dat ze haar vader en haar broertjes niet kan zien, maar de duidelijkheid geeft haar rust. Gebleken is dat [voornaam van minderjarige] het contact met de vader en de daaruit voortvloeiende druk als belastend heeft ervaren. De vader had zijn verantwoordelijkheid moeten nemen om het contact af te houden en deze niet bij [voornaam van minderjarige] mogen leggen. Er is geen reden om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. De vader heeft zich niet aan de beschikking van 15 juni 2017 gehouden door veelvuldig tussendoor contact te hebben met [voornaam van minderjarige] en [voornaam van minderjarige] te belasten met wijzigingen in de zorgregeling. De moeder begrijpt dat de GI zich genoodzaakt zag om de aanwijzing te geven.

Namens de GI is ter zitting als volgt verklaard. Een schriftelijke aanwijzing kan vervallen worden verklaard als die onterecht gegeven is. De GI is van mening dat hiervan geen sprake is omdat er geen andere mogelijkheid meer was om [voornaam van minderjarige] te beschermen tegen het steeds groter wordende loyaliteitsconflict waarin zij terechtgekomen is. In de voorlopige zorgregeling was bepaald dat de vader tussendoor geen contact mocht hebben en dat aanpassingen in de zorgregeling via de gezinsvoogd zouden worden besproken. De vader heeft zich hier niet aan gehouden en is hier meermalen op aangesproken. Op het moment dat [voornaam van minderjarige] volledig overstuur opbiechtte dat zij een klacht tegen de GI had ingediend en dat zij daar spijt van had, was het duidelijk dat contact tussen de vader en [voornaam van minderjarige] niet mogelijk was zonder [voornaam van minderjarige] te belasten. [voornaam van minderjarige] durfde het contact met haar vader na het intrekken van de klacht niet aan. Vandaar dat met een schriftelijke aanwijzing de omgang onmiddellijk is stopgezet in afwachting van de beslissing van de rechtbank. Dat de meervoudige kamer inmiddels aan de vader de omgang heeft ontzegt, is een bevestiging dat de schriftelijke aanwijzing terecht is gegeven.

Ter zitting is namens de Raad opgemerkt dat de werkwijze van de GI vanuit de Raad gesteund wordt. Het is belangrijk dat [voornaam van minderjarige] nu rust heeft en het zou goed zijn als de vader gaat samenwerken met de GI.

De beoordeling

Nu het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing binnen twee weken na toezending of uitreiken daarvan bij de griffie van deze rechtbank is ingediend, is de vader ontvankelijk in zijn verzoek.

De kinderrechter overweegt dat de GI ter uitvoering van haar taak op grond van artikel 1:263 lid 1 BW aan de met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing betreffende de opvoeding en verzorging van minderjarigen kan geven. De GI kan dit (onder meer) doen indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:264 BW kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren op verzoek van een met het gezag belaste ouder.

Een aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat de aanwijzing ook moet worden getoetst aan de voor deze maatregel relevante bepalingen van de Awb. Het gaat daarbij in elk geval om de daarin opgenomen vereisten voor de totstandkoming van beschikkingen en in het bijzonder om de regels over de aan de besluitvorming te stellen zorgvuldigheidseisen en over de aan de beschikking te stellen motiveringseisen.

De kinderrechter overweegt dat de vader niet heeft aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd.

De kinderrechter is van oordeel dat de GI terecht heeft besloten dat de omgang in het weekend van 19, 20 en 21 januari geen doorgang kon vinden. [voornaam van minderjarige] had in de week daarvoor aan de GI gemeld dat zij door de vader onder druk was gezet om een klacht tegen de GI in te dienen en had die klacht inmiddels weer ingetrokken. [voornaam van minderjarige] was bang voor de reactie van haar vader hierop. De vader had in de periode daarvoor al laten blijken geen inzicht te hebben in de wijze waarop hij [voornaam van minderjarige] door haar telkens in zijn strijd tegen de moeder en de GI te betrekken. De GI was daarom terecht bezorgd voor de reactie van de vader op het intrekken van de klacht. Dat de meervoudige kamer vervolgens aan de vader de omgang heeft ontzegd, is geen grond om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.

De GI heeft eveneens aan de vader de aanwijzing mogen geven dat hij geen contact met [voornaam van minderjarige] zou zoeken. Dat was al bepaald in de beslissing van 15 juni 2017. De vader heeft zich daar meermalen niet aan gehouden en legt de verantwoordelijkheid daarvoor buiten zichzelf. De kinderrechter is tenslotte met de GI van oordeel dat van een ouder verwacht kan worden dat die zijn partner weerhoudt van het onderhouden van ongewenste contacten met zijn kind. Ook dat deel van de aanwijzing is daarom terecht gegeven.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van de vader tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing moet worden afgewezen.

Het verzoek de schriftelijke aanwijzing niet ontvankelijk te verklaren wordt afgewezen omdat daarvoor geen grond is te vinden in de wet.

De kinderrechter overweegt - ten overvloede, omdat dat verweer niet is gevoerd - dat de GI bevoegd was om een schriftelijke aanwijzing inhoudende beperking van het contact tussen [voornaam van minderjarige] en haar vader met gezag te geven, ook nu al een zorgregeling door een rechter was vastgesteld. Een ondertoezichtstelling is er omdat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van een kind. De GI kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven, onder andere om concrete bedreigingen in de ontwikkeling weg te nemen. Als, zoals in casu, contact met een ouder een bedreiging voor het kind oplevert, is de GI bevoegd om, los van de vraag of er een door een rechter vastgestelde regeling bestaat, het contact tussen ouder en kind te beperken.

De beslissing


De kinderrechter:

wijst de verzoeken van de vader af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J.C. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2018.

Mr. Hermans is buiten staat om deze beschikking te ondertekenen.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

+