Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1486

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
UTR 17/2998
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo, begeleiding individueel, bestreden besluit na schorsing ter zitting alsnog toereikend gemotiveerd, beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit en rechtsgevolgen in stand gelaten, proceskostenvergoeding plus griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/2998

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: W. van Beveren).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een maatwerkvoorziening voor ambulante begeleiding individueel toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB) van totaal € 5.214,29 per 12 maanden, gebaseerd op 5 uur per week tegen een tarief van € 20,- per uur.

Bij besluit van 15 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] en [B] .

Het onderzoek is ter zitting aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere motivering te geven over de door eiseres genoemde zorgmomenten in het kader van de begeleiding individueel. Verweerder heeft op 8 november 2017 een nadere motivering ingebracht. Eiseres heeft op 14 december 2017 hierop gereageerd.

De rechtbank heeft partijen vervolgens bij brief van 5 januari 2018 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 2 februari 2018 aan te geven dat zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Bij het uitblijven van een reactie hierop, heeft de rechtbank op 5 februari 2018 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft primair progressieve MS. Zij woont samen met haar minderjarige zoon.

1.2.

Eerder heeft verweerder haar een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo voor begeleiding individueel in de vorm van een PGB toegekend, laatstelijk per 28 november 2015 gebaseerd op 11 uur per week. Daarnaast ontvangt eiseres een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo voor hulp bij het huishouden in de vorm van zorg in natura, per 10 oktober 2016 gebaseerd op 5 uur per week, en per 21 augustus 2017 gebaseerd op 6 uur per week.

Ook ontvangt zij een PGB op grond van de Zorgverzekeringswet voor verpleging en verzorging, vanaf 17 oktober 2017 gebaseerd op totaal 40 uur en 35 minuten per week.

1.3.

Ter evaluatie van de maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel heeft op

27 oktober 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en [C] , medewerkers van het buurtteam, en eiseres. In het daarvan opgemaakte formulier staat dat de medewerkers van het buurtteam een maatwerkvoorziening van 5 uur per week voor begeleiding individueel passend achten. Dit formulier, inhoudende een aanvraag om PGB, heeft eiseres op 27 oktober 2016 ondertekend.

Per email van 31 oktober 2016 heeft eiseres [A] verzocht om uitleg over de 5 uur per week. Op 3 november 2016 heeft [A] eiseres per mail uitleg gegeven. Vervolgens heeft eiseres op 6 november 2016 een formulier met de begroting voor begeleiding individueel in de omvang van 5 uur per week en met een tarief van € 20,- per uur ondertekend.

1.4.

Vervolgens is verweerder overgegaan tot de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluiten.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de toegekende 5 uur per week ontoereikend is. Zij heeft al vóór het primaire besluit aangegeven het niet eens te zijn met de aangevraagde 5 uur per week. Verweerder heeft haar individuele zorgbehoefte onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Ook heeft verweerder voldoende onderbouwd dat de toegekende uren toereikend zijn.

Aanvullend heeft eiseres aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft beoordeeld of sprake is van een situatie waarin eiseres, gelet op haar wensen, in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Naast de toegekende 5 uur per week, is volgens eiseres 7 uur per week nodig voor begeleiding bij koken, boodschappen doen en participeren om voor haar een situatie van zelfredzaamheid en participatie te bereiken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat hierin in voldoende mate kan worden voorzien met de toegekende uren en overige voorzieningen. Dat de wijkverpleging ook de broodmaaltijd verzorgt is een aanname die verweerder niet heeft geverifieerd. Het doen van de administratie is een privéaangelegenheid, waarvoor de door verweerder gehanteerde algemene norm ontoereikend is. Ten slotte gaat het, aldus eiseres, ook bij het vervullen van de ouderrol, om de beperkingen van eiseres waarvoor wel degelijk een maatwerkvoorziening kan worden getroffen.

3. In artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat conform de aanvraag is beslist. Voor zover het toegekende urenaantal lager uitvalt dan de eerder toegekende uren voor individuele begeleiding, komt dit door de duidelijkere scheiding tussen de persoonlijke verzorging en de begeleiding individueel. Het voert voor verweerder echter te ver dit in het bestreden besluit aan de hand van de door eiseres in bezwaar genoemde zorgmomenten te onderbouwen. Verweerder volstaat in het bestreden besluit met een verwijzing naar de eerder gegeven uitleg van de buurtteammedewerker [A] .

5. Naar aanleiding van de schorsing ter zitting heeft verweerder een nadere motivering gegeven, waarin aan de hand van de door eiseres genoemde zorgmomenten aangegeven wordt of deze vallen onder de begeleiding individueel en in hoeverre daar bij de toegekende 5 uur per week rekening mee is gehouden. Ten aanzien van hulp bij het maken van het ontbijt en de lunch, bij het maken van een boodschappenlijstje, boodschappen doen en het bereiden van eten heeft verweerder gemotiveerd dat deze activiteiten vallen onder de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden en dus buiten het beoordelingskader vallen. De gevraagde ‘hulp om de dag in te delen en de dingen te ondernemen’ en de ‘hulp bij de administratie, post en financiën’ vallen volgens verweerder onder de maatwerkvoorziening begeleiding individueel. Voor deze activiteiten is respectievelijk 30 minuten per week en 60 minuten per week toegekend. Daarnaast heeft verweerder, gebaseerd op de ervaringen van eiseres zelf, 90 minuten per week toegekend voor onplanbare zorg en 90 minuten per week voor het activeren/meegaan naar afspraken. Dit leidt tot een totaal van 4 uur en 30 minuten, afgerond 5 uur, per week voor begeleiding individueel.

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Dit volgt ook uit de schorsing ter zitting en wat in het verkort proces-verbaal is neergelegd. Er is in het bestreden besluit, zoals weergegeven in overweging 4, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd of de toegekende uren voor individuele begeleiding toereikend zijn, gelet op de door eiseres genoemde zorgmomenten.

7. Het bestreden besluit is dus niet van een deugdelijke motivering voorzien en moet daarom wegens strijd met artikel 3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Het beroep is om die reden gegrond.

8. De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder naar aanleiding van de schorsing ter zitting en de daarbij gemaakte afspraken, een nadere motivering heeft overgelegd, waarop eiseres heeft kunnen reageren. Daarom ziet de rechtbank aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit mogelijk met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank zal het beroep hierna dan ook verder inhoudelijk beoordelen.

9. De rechtbank ziet in wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de toegekende maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel in haar situatie ontoereikend is. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht uitgegaan van de aanvraag van 5 uur per week. Eiseres heeft op 27 oktober 2016 en 6 november 2016 hiervoor getekend. Dat eiseres vóór het primaire besluit heeft aangegeven het hiermee niet eens te zijn, is niet nader onderbouwd en blijkt niet uit de dossierstukken.

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit en de aanvullende motivering deugdelijk gemotiveerd welke zorgmomenten precies onder de maatwerkvoorziening begeleiding individueel vallen en dat, op basis van de zorgmomenten van eiseres, de toegekende 5 uur per week toereikend zijn.

Eiseres heeft niet betwist dat de door haar gevraagde hulp bij het maken van het ontbijt en de lunch, bij het maken van een boodschappenlijstje, boodschappen doen en het bereiden van eten activiteiten zijn die vallen onder de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Aangezien het bestreden besluit zich beperkt tot de maatwerkvoorziening begeleiding individueel, vallen deze activiteiten buiten de omvang van het geding. De stellingen van eiseres daaromtrent laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd ten aanzien van de toegekende 90 minuten per week voor het activeren/meegaan naar afspraken.

Ten aanzien van de gevraagde ‘hulp om de dag in te delen en de dingen te ondernemen’ heeft verweerder 60 minuten per week, zijnde 8,5 minuten per dag toegekend. Volgens verweerder kan een week- of maandschema gemaakt kan worden, wat op slechte dagen aangepast kan worden op advies van de ergotherapeut of in overleg met de zus van eiseres. Dat hiervoor meer tijd nodig is, vanwege het wisselende karakter van haar ziekte en de mindere dagen, heeft eiseres niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Bij gebrek daaraan, kan de rechtbank niet vaststellen in welke mate de mindere dagen aanwezig zijn en in welke mate overleg over de dagindeling nodig is met de ergotherapeut of haar zus. De rechtbank ziet dan geen aanknopingspunt de toegekende 60 minuten ontoereikend te achten. Daarbij merkt de rechtbank op dat juist vanwege het wisselende karakter van de ziekte van eiseres aanvullend

90 minuten per week is toegekend voor onplanbare zorg.

Ten aanzien van de gevraagde ‘hulp bij de administratie, post en financiën’ heeft verweerder 30 minuten per week toegekend, zodat de zus van eiseres haar hierin kan bijstaan in plaats van de vrijwilligers vanuit het buurtteam. Volgens verweerder is dit aantal minuten gebaseerd op de expertise van het buurtteam, waarbij komt dat veel betalingen van eiseres automatisch worden overgemaakt. Dat eiseres hiervoor meer tijd nodig heeft, heeft zij niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Bij gebrek daaraan, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt de toegekende minuten ontoereikend te achten. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder deze minuten heeft toegekend, juist vanwege de wens van eiseres de administratie samen met haar zus te kunnen doen. De rechtbank begrijpt dat de vrijwilligers van het buurtteam hiertoe ook beschikbaar zijn, maar eiseres deze hulp om haar moverende redenen heeft geweigerd. Dat eiseres als gevolg van haar weigering wellicht hulp misloopt, komt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor rekening en risico van eiseres. De beroepsgronden slagen niet.

10. Het voorgaande betekent dat verweerder het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld en dat het bestreden besluit (alsnog) van een toereikende motivering is voorzien. Op basis daarvan heeft verweerder de maatwerkvoorziening van eiseres voor begeleiding individueel terecht gebaseerd op 5 uur per week. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zoals volgt uit overweging 7, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 46,-vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op de nadere motivering van verweerder met een waarde per punt van

€ 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.