Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1479

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
6369000 UC EXPL 17-13000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen werkgever en werknemer over eenzijdige versobering van de leaseautoregeling. Beoordeling aan de hand van Stoof/Mammoet-rechtspraak. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0476
RAR 2018/104
Prg. 2018/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6369000 UC EXPL 17-13000 HV/1316

Vonnis van 11 april 2018

inzake

[gedaagde in verzet] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde in verzet] ,

gedaagde partij in het verzet,

oorspronkelijk eisende partij,

gemachtigde: mr. C.M.C. Hendriks,

tegen:

de naamloze vennootschap

Brocacef Groep N.V.,

gevestigd te Maarssen,

verder ook te noemen Brocacef,

eisende partij in het verzet,

oorspronkelijk gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.P.M. Wijnands.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 18 juli 2017 (met acht producties);

  • -

    het verstekvonnis van 9 augustus 2017 (met nummer 6176615 UC EXPL 17-9918);

  • -

    de verzetdagvaarding van 29 september 2017 (aan te merken als de conclusie van antwoord) met drie producties;

  • -

    het instructievonnis van 1 november 2017, waarbij een comparitie is gelast;

  • -

    de brief van de (gemachtigde van) [gedaagde in verzet] van 4 januari 2018 met een aanvullende productie.

1.2.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. [gedaagde in verzet] is in persoon verschenen, vergezeld door mr. Hendriks. Voor Brocacef zijn verschenen de heer [A] , HR-manager, en de heer [B] , adviseur arbeidszaken, vergezeld door mr. Wijnands. Partijen hebben geantwoord op vragen van de kantonrechter en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Brocacef heeft ter zitting nog twee nadere producties in het geding gebracht. Deze stukken zijn in overleg met [gedaagde in verzet] aan het dossier toegevoegd.

Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde in verzet] , geboren op [geboortedatum] 1966, is op 1 januari 2002 in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) Mediq Farma B.V. (hierna te noemen: Mediq Farma), een farmaceutische groothandelsorganisatie. Met ingang van 1 april 2009 is [gedaagde in verzet] voor Mediq Farma de functie van Adviseur Ketenlogistiek, met standplaats Utrecht, gaan vervullen. Dit is een buitendienstfunctie; [gedaagde in verzet] bezoekt aangesloten apotheken. Van de arbeidsovereenkomst van partijen maakt geen eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek (BW) deel uit.

2.2.

Artikel 18 van de in april 2009 door [gedaagde in verzet] en Mediq Farma getekende arbeidsovereenkomst bepaalt: ‘Aan werknemer wordt voor de uitoefening van zijn functie een auto ter beschikking gesteld onder de voorwaarden als opgenomen in de autoregeling. Voor werknemer is van toepassing categorie 3. Uw eigen bijdrage bedraagt thans € 28,50 per maand.’ De maandelijkse leasetermijn voor auto’s in categorie 3 was per januari 2016 € 925,-- voor diesel (en € 895,-- voor benzine). Voor dit bedrag kon een auto met een cataloguswaarde tussen € 35.000,-- en € 45.000,-- worden geleased. Op basis van dit beding en de toepasselijke Mediq Autoregeling heeft Mediq Farma aan [gedaagde in verzet] tot eind november 2012 een Skoda Octavia Combi, en vanaf 1 december 2012 (tot 6 december 2016) een Citroen DS5 ter beschikking gesteld, zijnde auto’s met een verschuldigd leasebedrag van € 969,-- respectievelijk € 994,-- per maand. Met de hem ter beschikking gestelde leaseauto is [gedaagde in verzet] gewoon jaarlijks ongeveer 60.000 kilometer aan zakenreizen, woon-werkverkeer en privéritten - de auto mag ook privé worden gebruikt - te rijden.

2.3.

In juni 2016 heeft Brocacef Mediq Apotheken Nederland B.V., waarvan Mediq Farma toen onderdeel uitmaakte, overgenomen door middel van een aandelentransactie. De functie en arbeidsvoorwaarden van [gedaagde in verzet] wijzigden hierdoor niet.

2.4.

Teneinde de arbeidsvoorwaarden in de verschillende onderdelen van haar groep te harmoniseren en de kosten terug te dringen, heeft Brocacef - als beheerder van de binnen de groep geldende autoregelingen - per 1 september 2016 een nieuwe, uniforme Brocacef Autoregeling ingevoerd. Hierdoor ging het personeel van Mediq Farma erop achteruit. Zo zou [gedaagde in verzet] op basis van de nieuwe regeling, na het verstrijken van de lopende leaseovereenkomst van de Citroën DS5, nog recht hebben op het gebruik van een leaseauto in categorie 5, zijnde een auto met een cataloguswaarde van maximaal € 25.000,--. Per 7 december 2016 is aan [gedaagde in verzet] achtereenvolgens een Renault Captur, een Ford Grand C-Max en een Peugeot 208 ter beschikking gesteld, zijnde leaseauto’s met een verschuldigd leasebedrag van € 710,-- per maand.

2.5.

[gedaagde in verzet] heeft niet ingestemd met de nieuwe autoregeling. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen de verslechtering van deze arbeidsvoorwaarde doordat hij nog slechts recht heeft op een leaseauto van ongeveer twee categorieën lager. Om de overgang voor hem geleidelijker te laten verlopen heeft de heer [A] , HR-manager van Brocacef, aangeboden dat [gedaagde in verzet] gedurende een leaseperiode van ongeveer vier jaar gebruik mag maken van een leaseauto in de tussenliggende categorie 4 (waarbij het gaat om een leaseauto met een maximale waarde van € 35.000,--). [gedaagde in verzet] heeft dit aanbod niet geaccepteerd. Hij heeft zelf voorgesteld genoegen te nemen met een leaseauto in categorie 4 (niet als overgangsmaatregel, maar als definitieve regeling), maar dit aanbod is van werkgeverszijde niet aanvaard.

2.6.

Nadat het verstekvonnis was gewezen en betekend, is in afwachting van de uitkomst van de verzetprocedure aan [gedaagde in verzet] per 15 september 2017 een leaseauto in categorie 3, en wel een Volvo V60, met een cataloguswaarde van ruim € 42.000,-- en een maandelijkse leasetermijn van € 990,--, ter beschikking gesteld.

3 De vordering van [gedaagde in verzet] en het verweer van Brocacef

3.1.

[gedaagde in verzet] vordert dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht wordt verklaard dat Brocacef gehouden is aan hem, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen, een leaseauto in categorie 3, ofwel een leaseauto met een consumentenwaarde tussen € 35.000,-- en € 45.000,--, ter beschikking te stellen. Voorts vordert [gedaagde in verzet] dat voor recht wordt verklaard dat Brocacef niet gerechtigd is de arbeidsvoorwaarde met betrekking tot de indeling van een leaseauto in categorie 3, ofwel een leaseauto met een consumentenwaarde tussen € 35.000,-- en € 45.000,--, eenzijdig te wijzigen. Tevens vordert [gedaagde in verzet] dat Brocacef wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen, aan hem een leaseauto in categorie 3, ofwel een leaseauto met een consumentenwaarde tussen € 35.000,-- en € 45.000,--, ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat Brocacef daarmee in gebreke blijft. Ten slotte vordert [gedaagde in verzet] dat Brocacef wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde in verzet] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Brocacef niet gerechtigd is om de arbeidsvoorwaarde, zoals opgenomen in artikel 18 van de in april 2009 gesloten arbeidsovereenkomst, eenzijdig te wijzigen. Gezien de wederzijdse, bij het geschil betrokken belangen kan in redelijkheid van [gedaagde in verzet] niet worden gevergd dat hij zich bij de nieuwe autoregeling neerlegt. Voor hem is de auto (een verlengstuk van) zijn werkplek, die gezien de lange afstanden die hij rijdt aan hoge veiligheids- en comforteisen moet voldoen.

3.3.

Brocacef betwist de vordering van [gedaagde in verzet] . Zij vordert - kortgezegd - dat het verstekvonnis van 9 augustus 2017 wordt vernietigd. Waar zij zich in de verzetdagvaarding nog op het standpunt stelde dat [gedaagde in verzet] de verkeerde partij aanspreekt, omdat van een overgang van onderneming medio 2016 geen sprake is geweest en Mediq Farma zijn werkgever is gebleven, daar heeft Brocacef dit (ontvankelijkheids)verweer ter zitting om proceseconomische redenen niet langer gehandhaafd.

3.4.

Brocacef stelt zich op het standpunt dat zij de eerdere Mediq Autoregeling heeft mogen versoberen en dat [gedaagde in verzet] , als goed werknemer, in redelijkheid de wijziging van de arbeidsvoorwaarde die ziet op de verstrekking van een auto in een bepaalde leasecategorie niet heeft mogen afwijzen. De wijziging van de autoregeling maakt onderdeel uit van een breder harmonisatietraject dat Brocacef heeft ingezet om de arbeidsvoorwaarden in de verschillende onderdelen van de groep te uniformeren. Dit belang bij harmonisering van de arbeidsvoorwaarden, die op onevenwichtige wijze verschilden, weegt zwaar omdat Brocacef het wagenpark (met ongeveer 600 leaseauto’s) daardoor eenvoudiger, efficiënter en goedkoper kan beheren. Omdat de eerdere Mediq Autoregeling voor de werknemers gunstiger was, leidt harmonisatie tot besparing van kosten. Op jaarbasis wordt een bezuiniging van € 216.000,-- gerealiseerd. Brocacef wijst er voorts op dat zij als goed werkgever gehouden is haar werknemers gelijkelijk te behandelen. Daartegenover is het belang aan de zijde van [gedaagde in verzet] beperkt, omdat ook een leaseauto in categorie 5, mede gezien de technologische ontwikkelingen in de auto-industrie, ook bij lange reisafstanden voldoet aan de daaraan te stellen veiligheids- en comforteisen. De aan [gedaagde in verzet] aangeboden overgangsregeling was dan ook redelijk.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het verzet is tijdig gedaan, zodat Brocacef daarin kan worden ontvangen.

4.2.

Het draait in dit geding om de vraag of Brocacef verplicht is aan [gedaagde in verzet] een leaseauto in categorie 3, waaronder is te verstaan een auto met een cataloguswaarde tussen € 35.000,-- en € 45.000,-- (in 2016), ter beschikking te (blijven) stellen, zoals in artikel 18 van de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde in verzet] en Mediq Farma is bepaald, of dat zij gerechtigd was om deze arbeidsvoorwaarde eenzijdig te versoberen, in die zin dat [gedaagde in verzet] met ingang van 7 december 2016 nog slechts recht heeft op het gebruik van een leaseauto in categorie 5, zijnde een auto met een cataloguswaarde van niet meer dan € 25.000,-- (in 2016). Nu in de bedoelde arbeidsovereenkomst geen eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen, moet deze vraag worden beantwoord aan de hand van de regels die de Hoge Raad daarvoor in het arrest van 11 juli 2008 (JAR 2008, 204 inzake Stoof/Mammoet) heeft gegeven. Voor zover Brocacef, net als de heer [A] deed in zijn e-mail van 11 mei 2017 aan de gemachtigde van [gedaagde in verzet] , zich heeft willen beroepen op haar instructierecht van artikel 7:660 BW, wordt zij daarin niet gevolgd, omdat een eenzijdige wijziging van een arbeidsvoorwaarde als de onderhavige niet kan worden bereikt door de werknemer te houden aan ‘voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goed orde in de onderneming’, als bedoeld in die wetsbepaling. Overigens moet ook bedoeld instructierecht worden uitgeoefend binnen de grenzen van de arbeidsovereenkomst. Deze bepaalt in artikel 18 dat [gedaagde in verzet] recht heeft op het gebruik van een leaseauto in categorie 3.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat, bij het ontbreken van een eenzijdig wijzigingsbeding, de werknemer zijn werkgever mag houden aan hetgeen in de arbeidsovereenkomst is bedongen en in beginsel niet verplicht is om voorstellen van de werkgever tot wijziging van overeengekomen arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Onder omstandigheden kan dit anders zijn en kan op grond van het goed werknemerschap (in de zin van artikel 7:611 BW) van de werknemer gevergd worden dat hij een door zijn werkgever voorgestelde wijziging van (een) arbeidsvoorwaarde(n) accepteert. Zoals uit de Stoof/Mammoet-rechtspraak volgt, moet bij de toetsing aan artikel 7:611 BW allereerst worden onderzocht of de werkgever, als goed werkgever, aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede - naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming - de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarde. Vervolgens dient te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. De kantonrechter overweegt het volgende.

4.4.

De primaire aanleiding voor de wijziging van de autoregeling was voor Brocacef, na de overname van de Mediq-aandelen, gelegen in de beoogde harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de groepsvennootschappen. Waar Brocacef betoogt dat op haar de verplichting rust om de betrokken werknemers gelijkelijk te behandelen, volgt de kantonrechter haar niet, voor zover dit althans zou meebrengen dat niet per individueel geval zou kunnen worden beoordeeld of eenzijdige wijziging van een arbeidsvoorwaarde gerechtvaardigd is. Uit de Stoof/Mammoet-jurisprudentie volgt dat het aankomt op een belangenafweging in het licht van alle relevante omstandigheden van het geval. Zoals de Hoge Raad in het arrest inzake Parallel Entry/KLM (30 januari 2004

NJ 2008, 536) heeft uitgemaakt kunnen werknemers jegens hun werkgever niet zonder meer aanspraak maken op gelijke arbeidsvoorwaarden. Nu het bij het beginsel ‘gelijke arbeid, gelijke beloning’ niet gaat om een onderscheid dat door de wet of een rechtstreeks werkende verdragsbepaling wordt verboden, moet de vraag of sprake is van een ongeoorloofd onderscheid in beloning worden beantwoord aan de hand van de eisen van goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW, in welke bepaling de algemene eisen van redelijkheid en billijkheid, zoals neergelegd in de artikelen 6:2 en 6:248 BW, voor het arbeidsrecht uitdrukking vinden. Bedoeld beginsel is niet doorslaggevend, maar moet in een afweging worden betrokken naast andere omstandigheden van het geval, terwijl voor een bevestigende beantwoording van de vraag of onderscheid ongeoorloofd is, vereist is dat de ongelijkheid in beloning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is een erg strenge toets, die zeker ruimte laat om in een geschil als het onderhavige te concluderen dat voor eenzijdige wijziging van een contractueel beding als dat van artikel 18 van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde in verzet] onder de gegeven omstandigheden geen plaats is, óók als de afweging voor (een) collega(‘s) anders zou uitvallen.

4.5.

Onder omstandigheden kan een streven naar harmonisatie en bezuiniging een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden rechtvaardigen. Dit hangt evenwel af van de waardering van de over en weer bij die wijziging betrokken belangen. Brocacef heeft het door haar aangevoerde belang van een eenvoudiger en efficiënter beheer van het wagenpark niet nader onderbouwd. De kantonrechter houdt het er daarom voor dat de toewijzing van een leaseauto aan de betrokken werknemers, net als voorheen, telkens een individuele beoordeling vergt. Niet gebleken is dat het bedoelde beheer aanmerkelijk makkelijker of sneller kan plaatsvinden doordat de personeelsafdeling nog maar aan één uniforme autoregeling hoeft te toetsten.

4.6.

Het belang van Brocacef dat de harmonisatie als een versobering van de eerdere Mediq-regeling is vormgegeven en dus tot kostenbesparing leidt, moet worden afgewogen tegen het belang dat [gedaagde in verzet] heeft bij het ongewijzigd blijven van zijn recht op een leaseauto in categorie 3 van de Mediq Autoregeling. Volgens Brocacef gaat het om een wagenpark van 600 leaseauto’s en is de totale besparing jaarlijks € 216.000,--. Brocacef heeft zich evenwel niet uitgelaten over het aantal werknemers dat zich - net als [gedaagde in verzet] - niet heeft kunnen verenigen met de nieuwe autoregeling en bij wie het - zoals bij hem - gaat om een teruggang in twee leasecategorieën. Ook het personeelsverloop sinds de tweede helft van 2016 heeft zij niet gekwantificeerd (het staat de Brocacef-werkgevers uiteraard vrij nieuw personeel aan de nieuwe autoregeling te binden). Daarmee is ongewis welke precedentwerking de uitkomst van dit geding kan hebben. De besparing die Brocacef met de wijziging van de autoregeling in het geval van (alleen) [gedaagde in verzet] kan realiseren, bedraagt niet meer dan € 280,-- aan leasekosten per maand.

4.7.

Het financiële belang van Brocacef moet worden afgewogen tegen het belang van [gedaagde in verzet] bij het kunnen blijven rijden in een duurdere, comfortabeler en veiligere auto. De kantonrechter oordeelt dit een zwaarwegend belang, omdat [gedaagde in verzet] maarliefst 60.000 kilometer per jaar in de bedrijfsauto pleegt te rijden. Daarmee brengt hij, ook zakelijk, veel tijd in de auto door. Het is van algemene bekendheid dat het rijden van lange afstanden het nodige vergt van de autobestuurder. Ook als de technologische verbeteringen in de productie van personenauto’s in aanmerking worden genomen, blijft gelden dat een auto in het duurdere segment (met een cataloguswaarde tussen € 35.000,-- en € 45.000,--) beduidend meer comfort en veiligheid biedt dan een goedkopere (die niet meer dan € 25.000,-- kost). Als dat door de verbeterde techniek niet meer zo - of minder het geval - zou zijn, zoals Brocacef heeft betoogd, zouden dergelijke prijsverschillen eenvoudig niet langer te handhaven zijn. Voor [gedaagde in verzet] is de teruggang in leasecategorie dan ook, gezien de aard van zijn functie en het belang dat aan de auto als werkplek toekomt, zodanig ingrijpend, dat daartegenover het belang van Brocacef moet wijken. Haar voorstel om een overgangsperiode in te bouwen, maakt dit niet anders. [gedaagde in verzet] hoefde, als goed werknemer, niet in te stemmen met de wijziging van artikel 18 van de arbeidsovereenkomst.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde in verzet] in het gelijk wordt gesteld. Dat brengt evenwel niet mee dat zijn vordering in alle onderdelen toewijsbaar is. De gevorderde verklaringen voor recht zijn niet toewijsbaar, omdat deze ertoe zouden leiden dat Brocacef, bij voortduren van het dienstverband, ook in de toekomst de leasecategorie voor [gedaagde in verzet] niet zou mogen wijzigen. Niet uitgesloten is dat wijzigende omstandigheden op enig moment ertoe leiden dat de belangenafweging in het voordeel van Brocacef uitvalt. Bij een in dier voege beperkte verklaring voor recht heeft [gedaagde in verzet] geen belang, omdat een veroordeling van Brocacef om aan hem een leaseauto in categorie 3 ter beschikking te stellen, aan zijn belang reeds voldoende recht doet. Brocacef zal daarvoor veertien dagen na betekening van dit vonnis de gelegenheid krijgen. De veroordeling zal met een dwangsom worden versterkt, zoals hierna omschreven. De in totaal te verbeuren dwangsommen zullen aan een maximum worden gebonden. Het verstekvonnis van 9 augustus 2017 wordt dienovereenkomstig vernietigd.

4.9.

Brocacef wordt, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van de verstek- en de verzetprocedure. Deze proceskosten worden, tot dit vonnis, aan de zijde van [gedaagde in verzet] begroot op € 680,55, bestaande uit € 103,11 aan dagvaardingskosten, € 99,44 aan kosten van betekening van het verstekvonnis, € 78,-- aan vastrecht en € 400,-- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

vernietigt het verstekvonnis van 9 augustus 2017 en, opnieuw rechtdoende, veroordeelt Brocacef om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde in verzet] een leaseauto in categorie 3 van de Mediq Autoregeling, derhalve met een cataloguswaarde (per januari 2016) tussen € 35.000,-- en € 45.000,--, ter beschikking te (blijven) stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij daarmee in gebreke blijft;

5.2.

stelt het maximum van de te verbeuren dwangsommen op € 5.000,--;

5.3.

veroordeelt Brocacef in de kosten van de verstek- en verzetprocedure aan de zijde van [gedaagde in verzet] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 680,55, waarin begrepen € 400,-- aan salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.