Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1442

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
UTR 17/2681
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende waarborgen voor tijdelijke inkomensschade bij planschade in natura voor gedupeerden Lelystad Airport

De rechtbank Midden-Nederland heeft twee uitspraken gedaan in zaken over besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Lelystad op planschadeverzoeken van agrarische bedrijven in de directe omgeving van Lelystad Airport. Deze bedrijven zitten ‘op slot’ door het bestemmingsplan Buitengebied 2009. Met dat plan heeft de gemeenteraad van Lelystad uitvoering gegeven aan destijds bestaande besluiten van de Minister van Verkeer en Waterstaat over de uitbreiding van Lelystad Airport. Vanwege veiligheidszones mogen de bedrijfswoningen en de agrarische bebouwing niet meer gebruikt worden. Dit leidt tot aanzienlijke planschade. In 2015 is er nieuw luchthavenbesluit genomen dat de oude besluiten over de uitbreiding van Lelystad Airport vervangt. Doordat in het nieuwe besluit verschillende veiligheidszones voor het vliegverkeer gewijzigd zijn, kunnen de twee agrarische bedrijven blijven bestaan. Het bestemmingsplan Buitengebied 2009 moet hier nog op aangepast worden en het gemeentebestuur heeft het voornemen om de planschade van de agrarische bedrijven op deze wijze ‘in natura’ te compenseren.

De rechtbank oordeelt dat compensatie van planschade in natura is toegestaan, maar dat daarvoor wel vereist is dat de besluiten voldoende waarborgen bevatten over het op een later moment kunnen vergoeden van de tijdelijke inkomensschade die de agrarische bedrijven mogelijk lijden in de periode dat ze op slot zitten. Deze waarborgen bevatten de besluiten nu niet. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door aan de besluiten van het college op de planschadeverzoeken een aantal voorwaarden toe te voegen. Op basis daarvan moet, als het nog vast te stellen nieuwe bestemmingsplan in rechte onaantastbaar is, door een onafhankelijke deskundige worden beoordeeld of inderdaad sprake is geweest van tijdelijke inkomensschade, waarna het college hierover een nader besluit moet nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/2681

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak tussen

Farm-World Beheer B.V., te Lelystad, eiseres

(gemachtigde: drs. D.R. Zuidema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder

(gemachtigde: W. Akster).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om tegemoetkoming in de planschade toegewezen voor direct geleden nadeel in de vorm van compensatie in natura en de aanvraag voor indirect geleden nadeel afgewezen.

Bij besluit van 17 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2017. Namens eiseres is haar voormalige directeur [A] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. P. Scharenborg, deskundige bij Thorbecke B.V. (Thorbecke).

Overwegingen

1. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting ambtshalve geconstateerd dat zowel het primaire besluit als het bestreden besluit krachtens mandaat is genomen door

[B] , teamleider van WABO en Bestemmingsplannen, afdeling dienstverlening. Gelet op het bepaalde in artikel 10:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank verweerder om een toelichting gevraagd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat sprake is van een ondertekeningsmandaat en niet van een beslismandaat en dat beide besluiten door verweerder zelf in een collegevergadering zijn genomen. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder de aan de besluiten ten grondslag liggende besluitenlijsten overgelegd. Hoewel de bewoordingen in de besluiten daar niet op duiden, ziet de rechtbank gelet op de overgelegde stukken geen aanleiding eraan te twijfelen dat de besluiten door verweerder zijn genomen. Dit betekent dat geen sprake is van strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb en dat het bestreden besluit bevoegd is genomen.

2. Eiseres is eigenaar van het perceel [het perceel] te [vestigingsplaats] (het perceel) en de daarop aanwezige gebouwen. Het perceel ligt direct ten zuidoosten van Lelystad Airport. Eiseres exploiteerde op het perceel een groente- en fruitverwerkingsbedrijf. In 2012 zijn de toen op het perceel aanwezige bedrijfsgebouwen door brand verloren gegaan. Er heeft nog geen herbouw plaatsgevonden.

3. Ten behoeve van de beoogde uitbreiding van Lelystad Airport heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat in 2009 een aanwijzingsbesluit genomen op grond van de (toenmalige) Luchtvaartwet. Gelijktijdig heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een aanwijzingsbesluit genomen, op grond waarvan de raad van de gemeente Lelystad (de raad) verplicht was om bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met het aanwijzingsbesluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat (de aanwijzingsbesluiten 2009). De raad heeft aan deze verplichting uitvoering gegeven door het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” vast te stellen. In dat plan zijn met het oog op de beoogde nieuwe aanvliegroutes van het vliegveld diverse beperkingen opgenomen voor omliggende percelen. Deze beperkingen zijn deels ook van toepassing op het perceel van eiseres. In 2011 zijn de beide aanwijzingsbesluiten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) vernietigd. Het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” is onherroepelijk geworden, inclusief de hiervoor genoemde beperkingen voor het perceel van eiseres.

4. Eiseres heeft op 13 februari 2015 bij verweerder een aanvraag om een tegemoetkoming in de planschade ingediend. Daarbij is onder meer aangegeven dat door het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” minder bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn, met waardevermindering van het bedrijf en omzetderving als gevolg. Verweerder heeft vervolgens Thorbecke gevraagd om een planschadeadvies en overeenkomstig dit advies de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

5. In 2015 is ten behoeve van de beoogde uitbreiding van Lelystad Airport bij algemene maatregel van bestuur een luchthavenbesluit vastgesteld op grond van de Wet luchtvaart (het luchthavenbesluit 2015). De raad heeft op grond hiervan de verplichting om bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met het luchthavenbesluit. Met het oog op de uitvoering van deze verplichting is in 2017 een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage gelegd. In het ontwerpbestemmingsplan zijn diverse beperkingen voor omliggende percelen opgenomen, die verschillen van de eerder vastgelegde beperkingen en waarmee wordt beoogd het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” in zoverre te herzien. Dit ontwerpbestemmingsplan is nog niet vastgesteld door de raad.

6. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het advies van Thorbecke van 17 februari 2016 ten grondslag gelegd. Een belangrijk onderdeel van het advies van Thorbecke is dat de uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” voor eiseres voortvloeiende planschade in natura gecompenseerd kan worden, door een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Dit is volgens Thorbecke en verweerder mogelijk, omdat het luchthavenbesluit 2015 voor het perceel van eiseres minder beperkingen kent dan de aanwijzingsbesluiten 2009. Compensatie van de schade in natura is op grond van het advies van Thorbecke alleen mogelijk als wordt voldaan aan de waarborgen die de rechtspraak van de ABRvS daaraan stelt. Thorbecke heeft daarnaast vastgesteld dat sprake is van een aanzienlijk verlies aan bouwmogelijkheden dat niet gecompenseerd wordt door een geringe toename aan bouwhoogten voor de bedrijfswoning.

7. De rechtbank stelt voorop dat Thorbecke is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat verweerder in beginsel op een door deze deskundige uitgebracht advies mag afgaan. De rechtbank zal beoordelen of de gronden die eiseres aanvoert reden geven tot twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van Thorbecke.

8. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat zij niet blij is met de bedrijfsbestemming zoals die nu voor het perceel geldt. De bedrijfsactiviteiten zijn recent overgegaan van [A] op zijn zoon, die zich meer wil gaan richten op agrarische activiteiten waarvoor bouwwerken voor opslag nodig zijn. Daarvoor is een brede agrarische bestemming geschikter.

9. In het advies heeft Thorbecke de passieve risicoaanvaarding van de planologische maatregel ten aanzien van de verloren bouwmogelijkheden beoordeeld. Daartoe is uiteengezet dat het voorontwerpbestemmingsplan “Buitengebied” op 3 maart 2006 is vastgesteld, waarna het ter inzage heeft gelegen en dat het ontwerpbestemmingsplan vanaf 2 juli 2009 ter inzage heeft gelegen. Volgens Thorbecke kon het eiseres vanaf 3 maart 2006 duidelijk zijn dat de bouwmogelijkheden op het perceel in nadelige zin zouden wijzigen en had zij een periode van veertig maanden om de bouwmogelijkheden te benutten. Onder verwijzing naar rechtspraak van de ABRvS komt Thorbecke tot de conclusie dat de schade als gevolg van deze verloren bouwmogelijkheden vanwege passieve risicoaanvaarding voor rekening en risico van aanvrager dient te blijven en het nadeel daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komt.

10. De rechtbank overweegt het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat in november 2016 overleg heeft plaatsgevonden tussen eiseres en verweerder over de toekomstplannen die eiseres met het perceel heeft, na de brand in 2012. De vraag of verweerder wil meewerken aan de door eiseres gewenste bouwmogelijkheden, valt echter buiten het bestek van deze procedure, zodat wat eiseres daarover heeft aangevoerd niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres het advies van Thorbecke op het punt van de passieve risicoaanvaarding niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat de schade als gevolg van de verloren bouwmogelijkheden wegens passieve risicoaanvaarding voor rekening van eiseres dient te blijven.

11. De zaak spitst zich vervolgens toe op de mogelijkheid om de schade van de vervallen gebruiksmogelijkheden in natura te compenseren. Het bedrijf en de woning liggen in het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” binnen de aanduiding ‘veiligheidszone – bevi’ en binnen deze zone zijn geen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten toegestaan. Partijen zijn het erover eens dat de bedrijfswoning en -gebouwen hierdoor niet meer gebruikt mogen worden en dat dit voor eiseres tot aanzienlijke schade leidt. Het is ook niet in geschil dat de noodzaak voor deze beperkingen er niet meer is door de vernietiging van de aanwijzingsbesluiten 2009 en dat de raad aan het luchthavenbesluit 2015 kan voldoen zonder deze vergaande beperkingen voor het perceel van eiseres opnieuw op te nemen. Partijen zijn het er in het licht hiervan over eens dat het in beginsel mogelijk is dat deze planschade in natura wordt gecompenseerd, als de raad een nieuw bestemmingsplan vaststelt waarmee de beperkingen worden weggenomen.

12. Het geschil gaat nog over de schade die eiseres mogelijk lijdt in de periode vanaf de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” tot het moment waarop compensatie in natura plaatsvindt. Eiseres heeft ter zitting uiteengezet dat deze schade er met name uit bestaat dat haar bedrijf op slot zit. Deze situatie duurt voort zolang de schade niet in natura is gecompenseerd. Ook wijst zij erop dat de WOZ-waarde voor het object [het perceel] vanwege de gewijzigde geluids- en veiligheidscontouren uit het luchthavenbesluit 2015 voor het jaar 2016 met € 115.000,- is verlaagd. Omdat de beperkingen die het luchthavenbesluit 2015 oplegt veel kleiner zijn dan de beperkingen die volgden uit de aanwijzingsbesluiten 2009, moet het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” volgens eiseres tot veel meer schade hebben geleid dan waarvan Thorbecke is uitgegaan.

13. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS kan tegemoetkoming in planschade in voorkomende gevallen bestaan uit compensatie in natura, in welk geval schadevergoeding in geld achterwege kan blijven, omdat tegemoetkoming in de schade anderszins is verzekerd. De voorkeur van degene die schade lijdt voor een bepaalde wijze van compenseren is daarbij niet doorslaggevend. Het is niet noodzakelijk dat de schade reeds ten tijde van het ontstaan daarvan in natura is gecompenseerd. Het gaat erom of ten tijde van de beslissing op het verzoek om tegemoetkoming in planschade die tegemoetkoming voldoende anderszins is verzekerd. Verder volgt uit deze vaste rechtspraak dat tegemoetkoming in schade door compensatie in natura niet voldoende anderszins is verzekerd, wanneer deze afhankelijk is van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Wanneer het gelet op de planologische procedures die moeten worden gevoerd ten behoeve van het planologische regime dat voorziet in compensatie in natura niet geheel zeker is of dit planologische regime in werking zal treden, betekent dit niet zonder meer dat compensatie in natura zinledig is, indien het bestuursorgaan zodanige toezeggingen heeft gedaan dat de onzekerheid over de planologische procedures voldoende is ondervangen. Daarbij komt in voorkomende gevallen betekenis toe aan de omstandigheid of met deze toezeggingen met voldoende zekerheid vaststaat dat, mocht blijken dat compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, de hoogte van het alsnog uit te betalen bedrag na inwinning van advies bij ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs, zal worden vastgesteld en dat dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag. Voor de diverse uitspraken waarin deze vaste rechtspraak is opgenomen verwijst de rechtbank naar de overzichtsuitspraak van de ABRvS over planschade van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582), vanaf overweging 5.41.

14. De rechtbank overweegt dat de verwijzing van eiseres naar de WOZ-waarde niet tot het oordeel kan leiden dat het advies van Thorbecke onjuist of onvolledig is. Thorbecke heeft immers vastgesteld dat de aanduiding ‘veiligheidszone – bevi’ uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” aanzienlijke schade tot gevolg heeft voor de gebruiksmogelijkheden. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Deze schade wil verweerder compenseren in natura. Om die reden is Thorbecke niet aan de begroting van de omvang van de schade toegekomen, zodat in beroep ook niet kan worden vastgesteld hoe de verlaging van de WOZ-waarde zich verhoudt tot de planschade. Uit de hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak volgt dat compensatie in natura onder voorwaarden mogelijk is. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiseres niet zozeer bezwaar heeft tegen deze wijze van compensatie, maar dat het (erg) lang duurt voordat dit gerealiseerd is en dat in de tussenliggende periode inkomensschade wordt geleden.

15. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog over mogelijke schade in de tijd dat haar bedrijf op slot zit. Het is inherent aan de gekozen wijze van compenseren dat enige tijd zal verstrijken voordat de planologische situatie is hersteld of de planschade is gecompenseerd. Hoewel daartoe een ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, is nog niet duidelijk wanneer dit plan wordt vastgesteld. In het licht van de door Thorbecke vastgestelde schade is het niet ondenkbaar dat eiseres als gevolg daarvan tijdelijke inkomensschade zal lijden. Zij kan op het perceel immers geen bedrijf meer uitoefenen zolang het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” met de daarin opgenomen beperkingen van kracht blijft en die beperkingen staan ook in de weg aan herbouw van de afgebrande bedrijfsopstallen. Deze eventuele schade is een direct gevolg van de keuze om de daadwerkelijke planschade in natura te compenseren, omdat daarmee tijd gemoeid gaat. Als achteraf wordt vastgesteld dat deze schade daadwerkelijk is geleden, zal moeten worden geconstateerd dat niet de gehele schade is weggenomen door het nieuwe bestemmingsplan en dat de planschade in zoverre niet voldoende anderszins is verzekerd. De mogelijke tijdelijke inkomensschade zal dan alsnog vergoed moeten worden. In het verlengde van de aangehaalde rechtspraak moet naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende gewaarborgd zijn dat er een voorziening wordt getroffen om ook deze schade te vergoeden, als vast komt te staan dat deze daadwerkelijk bestaat. Het bestaan van deze schade en de omvang ervan kan echter pas vastgesteld worden op het moment dat de planschade in natura – in de vorm van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan –is uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dat in dit geval tot de noodzaak dat de beslissing over het planschadeverzoek waarborgen bevat over de vaststelling van deze mogelijke schade. Die waarborgen moeten ertoe strekken dat op voorhand duidelijk is dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt.

16. De hiervoor bedoelde waarborgen bevat het bestreden besluit nu niet. Daardoor staat onvoldoende vast dat de planschade van eiseres voldoende anderszins is verzekerd. De beroepsgrond slaagt. Gelet hierop is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vernietigen voor zover daarin niets is bepaald over de beoordeling van tijdelijke inkomensschade.

17. Het is in het licht van het voorgaande voldoende duidelijk dat het gebrek in het bestreden besluit kan worden hersteld door daarin alsnog de vereiste waarborgen op te nemen. Dat vereist geen nadere bestuurlijke afweging. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan het bestreden besluit wordt toegevoegd dat, nadat het besluit waarmee compensatie in natura is geboden onherroepelijk is geworden, door een onafhankelijk deskundige moet worden beoordeeld of sprake is geweest van tijdelijk inkomensschade en zo ja, in welke mate. Verder bepaalt de rechtbank dat aan het bestreden besluit ook wordt toegevoegd dat verweerder naar aanleiding van de uitkomst van de beoordeling van een onafhankelijk deskundige een besluit neemt over wat dit betekent voor het planschadeverzoek en of dit tot een geldelijke tegemoetkoming leidt. Het primaire besluit wordt hiermee op deze punten herroepen.

18. Tot slot betoogt eiseres dat verweerder ten onrechte de gemaakte kosten voor ondersteuning bij deze planschadeprocedure niet heeft vergoed. Zij vindt het onredelijk en onbillijk dat verweerder niet tot vergoeding is overgaan vanwege de in bezwaar overgelegde machtiging, omdat haar gemachtigde haar zonder deze machtiging niet had mogen bijstaan. Eiseres is bovendien van mening dat de gemaakte kosten voor de onderbouwing van de inkomstenderving bij de aanvraag voor vergoeding in aanmerking moeten komen, omdat de gederfde inkomsten niet door verweerder in beeld kunnen worden gebracht.

19. Verweerder heeft in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften besloten om de gemaakte kosten niet te vergoeden. De kosten hebben deels betrekking op de periode vóór het uitbrengen van het conceptadvies, zodat zij niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast stelt verweerder dat de kosten voor de gemachtigde niet als deskundigenkosten vergoed kunnen worden voor zover deze het optreden als deskundige betreffen, omdat een deskundige in tegenstelling tot een gemachtigde geacht wordt onpartijdig te adviseren.

20. Op grond van artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vergoedt het bestuursorgaan, indien het een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 6.1 toekent, daarbij tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

21. Volgens vaste rechtspraak komen in de regel de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de aanvrager kan weten dat het bestuursorgaan gehouden is advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige en het niet redelijk is, zonder dat advies af te wachten, een eigen adviseur in te schakelen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4690), waarnaar ook door verweerder is verwezen.

22. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat de kosten voor de onderbouwing van de inkomstenderving inderdaad niet voor vergoeding in aanmerking komen. Zij overweegt in dit verband dat een aanvraag op grond van artikel 6.3, derde lid, van de Wro een motivering en een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde tegemoetkoming in schade moet bevatten, maar dat het niet nodig is om bij de aanvraag al uitvoerige berekeningen in te dienen. Dit kan dus zonder het inschakelen van een deskundige of gemachtigde. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de kosten die zijn gemaakt voor het indienen van de aanvraag te vergoeden.

23. Uit de stukken volgt dat de gemachtigde van eiseres haar vanaf het begin van deze procedure heeft bijgestaan en namens haar de aanvraag heeft ingediend. Niet gebleken is dat de gemachtigde in deze zaak tevens als deskundige heeft gefungeerd. De situatie zoals aan de orde in de uitspraak van de ABRvS van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2148) waarnaar verweerder verwijst is hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Dat de gemachtigde zichzelf als deskundige ziet en geen jurist is, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, maakt niet dat hij in deze zaak geen rechtsbijstand in de zin van artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro heeft verleend. Voor een vergoeding van kosten van rechtsbijstand is dan ook aanleiding.

24. Vervolgens rijst de vraag welke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld de eerdergenoemde uitspraak van 28 september 2016) kunnen kosten die de aanvrager heeft gemaakt vanaf het moment dat de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige een conceptadvies dan wel advies over de aanvraag aan het bestuursorgaan heeft uitgebracht tot het moment dat het bestuursorgaan op de aanvraag een besluit heeft genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld, voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en voor zover de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn.

25. Uit het door de gemachtigde per e-mail van 1 februari 2017 aangeleverde overzicht blijkt dat hij in de periode van 14 december 2015 (datum conceptadvies) tot het primaire besluit in totaal twaalf uur heeft besteed aan de beoordeling van het conceptadvies en het opstellen van een zienswijze. Ter zitting heeft de deskundige van verweerder opgemerkt dat twaalf uur best ruim is, maar niet bijzonder gelet op de aard en omvang van de zaak.

26. Naar het oordeel van de rechtbank was het inroepen van rechtsbijstand voor het opstellen van een zienswijze redelijk en staan de gedeclareerde uren in verhouding tot de verrichtte werkzaamheden. Ook acht de rechtbank het uurtarief van de gemachtigde van € 135,- exclusief btw niet onevenredig hoog. Dit betekent dat verweerder een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand van € 1.960,20 inclusief btw had behoren toe te kennen. Deze beroepsgrond slaagt ook. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6.5 van de Wro, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand is afgewezen. De rechtbank zal ook op dit punt zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verweerder aan eiseres een bedrag van € 1.960,20 inclusief btw aan kosten voor rechtsbijstand dient te vergoeden.

27. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

28. Eiseres heeft ook verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand in de beroepsprocedure. Op dat verzoek is niet artikel 6.5 van de Wro van toepassing, maar de algemene regeling voor proceskostenvergoeding, die is neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Anders dan in de regeling in de Wro is daarbij een vereiste dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verlenen van rechtsbijstand vormt echter geen vast onderdeel van de werkzaamheden van de gemachtigde, zoals hij op de zitting ook heeft erkend. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin niets is bepaald over de beoordeling van tijdelijke inkomensschade;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van kosten gemaakt door de gemachtigde is afgewezen;

- voorziet zelf in de zaak door toevoeging de volgende waarborgen aan het bestreden besluit:

  1. Nadat het besluit waarmee compensatie in natura wordt geboden in rechte onaantastbaar is geworden, moet door een onafhankelijk deskundige worden beoordeeld of sprake is geweest van tijdelijk inkomensschade en zo ja, in welke mate.

  2. Naar aanleiding van de uitkomst van de beoordeling onder 1. neemt verweerder een besluit over wat dit betekent voor het planschadeverzoek en of dit tot een geldelijke tegemoetkoming leidt.

met veroordeling van verweerder tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand aan eiseres van € 1.960,20 inclusief btw en,
met herroeping van het primaire besluit in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.