Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1441

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
UTR 17/1998
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende waarborgen voor tijdelijke inkomensschade bij planschade in natura voor gedupeerden Lelystad Airport

De rechtbank Midden-Nederland heeft twee uitspraken gedaan in zaken over besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Lelystad op planschadeverzoeken van agrarische bedrijven in de directe omgeving van Lelystad Airport. Deze bedrijven zitten ‘op slot’ door het bestemmingsplan Buitengebied 2009. Met dat plan heeft de gemeenteraad van Lelystad uitvoering gegeven aan destijds bestaande besluiten van de Minister van Verkeer en Waterstaat over de uitbreiding van Lelystad Airport. Vanwege veiligheidszones mogen de bedrijfswoningen en de agrarische bebouwing niet meer gebruikt worden. Dit leidt tot aanzienlijke planschade. In 2015 is er nieuw luchthavenbesluit genomen dat de oude besluiten over de uitbreiding van Lelystad Airport vervangt. Doordat in het nieuwe besluit verschillende veiligheidszones voor het vliegverkeer gewijzigd zijn, kunnen de twee agrarische bedrijven blijven bestaan. Het bestemmingsplan Buitengebied 2009 moet hier nog op aangepast worden en het gemeentebestuur heeft het voornemen om de planschade van de agrarische bedrijven op deze wijze ‘in natura’ te compenseren.

De rechtbank oordeelt dat compensatie van planschade in natura is toegestaan, maar dat daarvoor wel vereist is dat de besluiten voldoende waarborgen bevatten over het op een later moment kunnen vergoeden van de tijdelijke inkomensschade die de agrarische bedrijven mogelijk lijden in de periode dat ze op slot zitten. Deze waarborgen bevatten de besluiten nu niet. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door aan de besluiten van het college op de planschadeverzoeken een aantal voorwaarden toe te voegen. Op basis daarvan moet, als het nog vast te stellen nieuwe bestemmingsplan in rechte onaantastbaar is, door een onafhankelijke deskundige worden beoordeeld of inderdaad sprake is geweest van tijdelijke inkomensschade, waarna het college hierover een nader besluit moet nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0122
JOM 2018/437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/1998

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak tussen

maatschap [naam maatschap] en de maten [eiser 1] en [eiser 2] , te [vestigingsplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. G.J.I.M. Seelen)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder

(gemachtigde: W. Akster).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in de planschade toegewezen voor direct geleden nadeel in de vorm van compensatie in natura en de aanvraag voor indirect geleden nadeel afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2017. [eisers] zijn verschenen, bijgestaan door mr. M.N. van Amersfoort als waarnemer van de gemachtigde, en ing. P.A.J.H. Kindt, werkzaam als rentmeester bij LBP Sight. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mr. P. Scharenborg, deskundige bij Thorbecke B.V. (Thorbecke).

Overwegingen

1. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting ambtshalve geconstateerd dat zowel het primaire besluit als het bestreden besluit krachtens mandaat is genomen door

[A], teamleider van WABO en Bestemmingsplannen, afdeling dienstverlening. Gelet op het bepaalde in artikel 10:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank verweerder om een toelichting gevraagd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat sprake is van een ondertekeningsmandaat en niet van een beslismandaat en dat beide besluiten door verweerder zelf in een collegevergadering zijn genomen. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder de aan de besluiten ten grondslag liggende besluitenlijsten overgelegd. Hoewel de bewoordingen in de besluiten daar niet op duiden, ziet de rechtbank gelet op de overgelegde stukken geen aanleiding eraan te twijfelen dat de besluiten door verweerder zijn genomen. Dit betekent dat geen sprake is van strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb en dat het bestreden besluit bevoegd is genomen.

2. [eisers] zijn eigenaar van het perceel [het perceel] te [vestigingsplaats] (het perceel). Het perceel ligt direct ten noordenoosten van Lelystad Airport. Op dit perceel van ongeveer 46 hectare exploiteren zij hun bedrijf en wonen zij. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het telen van consumptieaardappelen, uien, bieten en graan. Daarnaast exploiteren zij ter plaatse een pluimveebedrijf. Verder verhuren zij een deel van het perceel aan een bedrijf voor de teelt van onderstammen van fruitbomen.

3. Ten behoeve van de beoogde uitbreiding van Lelystad Airport heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat in 2009 een aanwijzingsbesluit genomen op grond van de (toenmalige) Luchtvaartwet. Gelijktijdig heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een aanwijzingsbesluit genomen, op grond waarvan de raad van de gemeente Lelystad (de raad) verplicht was om bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met het aanwijzingsbesluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat (de aanwijzingsbesluiten 2009). De raad heeft aan deze verplichting uitvoering gegeven door het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” vast te stellen. In dat plan zijn met het oog op de beoogde nieuwe aanvliegroutes van het vliegveld diverse beperkingen opgenomen voor omliggende percelen. Deze beperkingen zijn deels ook van toepassing op het perceel van eisers. In 2011 zijn de beide aanwijzingsbesluiten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) vernietigd. Het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” is onherroepelijk geworden, inclusief de hiervoor genoemde beperkingen voor het perceel van eisers.

4. Eisers hebben op 15 december 2014 bij verweerder een aanvraag om een tegemoetkoming in de planschade ingediend, omdat het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” volgens hen grote gevolgen heeft voor de waarde van de woning en het bedrijf, en de toekomstperspectieven van het bedrijf. Verweerder heeft Thorbecke gevraagd om een planschadeadvies en overeenkomstig dit advies de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

5. In 2015 is ten behoeve van de beoogde uitbreiding van Lelystad Airport bij algemene maatregel van bestuur een luchthavenbesluit vastgesteld op grond van de Wet luchtvaart (het luchthavenbesluit 2015). De raad heeft op grond hiervan de verplichting om bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met het luchthavenbesluit. Met het oog op de uitvoering van deze verplichting is in 2017 een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage gelegd. In het ontwerpbestemmingsplan zijn diverse beperkingen voor omliggende percelen opgenomen, die verschillen van de eerder vastgelegde beperkingen en waarmee wordt beoogd het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” in zoverre te herzien. Dit ontwerpbestemmingsplan is nog niet vastgesteld door de raad.

6. Eisers kunnen zich niet verenigen met de planvergelijking van Thorbecke. Zij stellen dat het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” een uitbreiding van de vliegbewegingen mogelijk maakt waardoor sprake is van een toename van geluidsbelasting. Daarbij wijzen zij erop dat het vorige planologische regime alleen nationaal luchtverkeer toestond, terwijl het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” ook internationaal luchtverkeer toestaat. Bovendien had in de plangevergelijking niet mogen worden uitgegaan van de maximale invulling van het vorige planologische regime. Volgens eisers kan realisering van de maximale mogelijkheden van het voorafgaande planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten, omdat uit dwingendrechtelijke wet- en regelgeving beperkingen voortvloeien ten aanzien van het toegestane aantal vliegbewegingen en de geluidsbelasting.

7. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het advies van Thorbecke van 17 februari 2016 ten grondslag gelegd. Thorbecke heeft voor de beoordeling van de directe planschade een planvergelijking gemaakt tussen de maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Lelystad (gedeeltelijk Oostelijk Flevoland)” en het bestemmingsplan “Buitengebied 2009”. Thorbecke heeft vastgesteld dat als gevolg van de aanduiding ‘veiligheidszone – bevi’ die in het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” over het bouwvlak van het perceel ligt, sprake is van een groot nadeel, omdat de bedrijfswoning en –gebouwen daardoor niet meer gebruikt kunnen worden. Volgens Thorbecke leiden de buiten het bouwvlak geldende aanduidingen ‘geluidszone industrie’ en ‘Geluidszone Vliegverkeer’ uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” niet tot planologisch nadeel, omdat onder het oude regime geen sprake was van een beperking in vliegbewegingen. De uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” voortvloeiende planschade kan volgens het advies in natura gecompenseerd worden door een nieuw bestemmingsplan vast te stellen, waarin de genoemde ‘veiligheidszone – bevi” komt te vervallen.

8. Thorbecke heeft naar aanleiding van vragen van de commissie bezwaarschriften in een brief van 16 oktober 2016 uiteengezet dat de omstandigheid dat Lelystad Airport onder het oude planologische regime bestemd was voor nationaal luchtverkeer niet betekent dat het aantal vliegbewegingen in planologisch opzicht beperkt was. Het planologisch onbegrensde gebruik, werd ingeperkt door de maximale hoeveelheid vliegbewegingen die theoretisch mogelijk zijn op een enkele start- en landingsbaan.
Verweerder schaart zich achter Thorbecke en stelt in aanvulling hierop dat het inlezen van beperkingen uit andere wet- en regelgeving in strijd is met vaste rechtspraak over de maximale invulling van planologische mogelijkheden.

9. De rechtbank stelt voorop dat Thorbecke is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat verweerder in beginsel op een door deze deskundige uitgebracht advies mag afgaan. De rechtbank zal beoordelen of de gronden die eisers aanvoeren reden geven tot twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van Thorbecke.

10. De rechtbank overweegt dat op grond van vaste rechtspraak bij de planvergelijking niet de feitelijke situatie van belang is, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Een uitzondering hierop kan aan de orde zijn, als realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.
Zoals hiervoor uiteengezet heeft Thorbecke gemotiveerd toegelicht waarom de omstandigheid dat Lelystad Airport onder het oude planologische regime bestemd was voor nationaal luchtverkeer er niet toe heeft geleid dat in de planvergelijking van een beperking van het aantal vliegbewegingen is uitgegaan. De enkele stelling van eisers dat de planvergelijking niet juist is, omdat het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” met het toestaan van internationaal vliegverkeer planologisch een uitbreiding van de vliegbewegingen en toename van de geluidsbelasting mogelijk maakt, geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding om het advies van Thorbecke niet te volgen. Het had op de weg van eisers gelegen op dit standpunt nader te onderbouwen.

Verder vinden eisers dat de planvergelijking onjuist is, omdat volgens hen de realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten, nu uit de aanwijzingsbesluiten uit 1991 en 2001 gebruiksbeperkingen voor het luchtverkeer voortvloeien. De rechtbank overweegt in dit verband dat aanwijzingsbesluiten gewijzigd kunnen worden. Aan deze besluiten liggen politieke overwegingen mede ten grondslag. Gelet op de grote belangen van een nationale luchthaven, kan niet uitgesloten worden dat aanwijzingsbesluiten worden gewijzigd ten behoeve van bijvoorbeeld een uitbreiding of wijziging van (het toegelaten gebruik van) de luchthaven. Door deze wijzigingsmogelijkheid was een maximale planinvulling niet met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten. Gelet hierop en omdat eisers dit punt niet anderszins hebben onderbouwd, slaagt het beroep op de uitzondering niet. Dit betekent dat Thorbecke bij de planvergelijking terecht is uitgegaan van planologisch onbegrensd gebruik van de luchthaven onder het oude planologische regime.

11. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfswoning en –gebouwen niet meer gebruikt mogen worden door de aanduiding ‘veiligheidszone – bevi’ die in het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” deels op deze gebouwen ligt. In geschil is de vraag of de schade van de vervallen gebruiksmogelijkheden in natura gecompenseerd kan worden en zo ja, of het bestreden besluit daarvoor voldoende waarborgen bevat.

12. Volgens Thorbecke en verweerder kan de planschade in natura gecompenseerd worden, omdat het luchthavenbesluit 2015 voor het perceel minder beperkingen kent dan de aanwijzingsbesluiten 2009 en de ‘veiligheidszone – bevi’ verwijderd kan worden. Compensatie van de schade in natura is op grond van het advies van Thorbecke alleen mogelijk als wordt voldaan aan de waarborgen die de rechtspraak van de ABRvS daaraan stelt.

13. Eisers zijn van mening dat compensatie in natura geen reële mogelijkheid is. Zij hebben daartoe uiteengezet dat de beperkingen alleen kunnen worden weggenomen als de gronden niet langer binnen zogenoemde 10-6 contour liggen of als binnen deze contour minder strenge beperkingen gaan gelden, maar beide scenario’s zijn volgens hen niet mogelijk.

14. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS kan tegemoetkoming in planschade in voorkomende gevallen bestaan uit compensatie in natura, in welk geval schadevergoeding in geld achterwege kan blijven, omdat tegemoetkoming in de schade anderszins is verzekerd. De voorkeur van degene die schade lijdt voor een bepaalde wijze van compenseren is daarbij niet doorslaggevend. Het is niet noodzakelijk dat de schade reeds ten tijde van het ontstaan daarvan in natura is gecompenseerd. Het gaat erom of ten tijde van de beslissing op het verzoek om tegemoetkoming in planschade die tegemoetkoming voldoende anderszins is verzekerd. Verder volgt uit deze vaste rechtspraak dat tegemoetkoming in schade door compensatie in natura niet voldoende anderszins is verzekerd, wanneer deze afhankelijk is van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Wanneer het gelet op de planologische procedures die moeten worden gevoerd ten behoeve van het planologische regime dat voorziet in compensatie in natura niet geheel zeker is of dit planologische regime in werking zal treden, betekent dit niet zonder meer dat compensatie in natura zinledig is, indien het bestuursorgaan zodanige toezeggingen heeft gedaan dat de onzekerheid over de planologische procedures voldoende is ondervangen. Daarbij komt in voorkomende gevallen betekenis toe aan de omstandigheid of met deze toezeggingen met voldoende zekerheid vaststaat dat, mocht blijken dat compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, de hoogte van het alsnog uit te betalen bedrag na inwinning van advies bij ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs, zal worden vastgesteld en dat dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag. Voor de diverse uitspraken waarin deze vaste rechtspraak is opgenomen verwijst de rechtbank naar de overzichtsuitspraak van de ABRvS over planschade van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582), vanaf overweging 5.41.

15. De rechtbank ziet zich gelet op de beroepsgrond van eisers gesteld voor de vraag of op voorhand evident is dat compensatie van de schade in natura niet mogelijk is. Zoals al eerder in de uitspraak vermeld zijn de gebruiksbeperkingen het gevolg van de aanduiding ‘veiligheidszone – bevi’. Verweerder wil deze aanduiding in een nieuw vast te stellen bestemmingsplan “Luchthavencontouren” laten vervallen, waardoor de bron van de planschade wordt weggenomen. In het ontwerpbestemmingsplan “Luchthavencontouren” dat ter inzage heeft gelegen is hier ook uitvoering aangegeven. Volgens eisers staat het luchthavenbesluit 2015 en de verplichte uitwerking daarvan in een bestemmingsplan hieraan in de weg, omdat uit het luchthavenbesluit 2015 nieuwe beperkingen voortvloeien.

De rechtbank overweegt hierover dat in het verweerschrift uiteen is gezet dat in het luchthavenbesluit 2015 twee nieuwe plaatsgebonden risicocontouren zijn vastgelegd, te weten de contouren 10-5 en 10-6 . Het perceel van eisers is in het luchthavenbesluit 2015 niet meer gelegen in de 10-5 contour, maar een deel van het perceel en een deel van het bouwvlak liggen wel binnen de 10-6 contour. Het luchthavenbesluit 2015 kent binnen deze contour niet de beperking dat geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan, zoals bij de aanduiding ‘veiligheidszone – bevi’.

Verder heeft verweerder toegelicht dat op grond van het luchthavenbesluit 2015 voor het perceel een beperking geldt voor de zone gelegen tussen de 10-5 en 10-6 contour. Deze beperking houdt in dat geen nieuwbouw van een gebouw, niet zijnde een bedrijfswoning is toegestaan. Dit leidt er volgens verweerder niet toe dat compensatie in natura niet mogelijk is, want Thorbecke heeft geen planologisch nadeel ten aanzien van de bouwmogelijkheden vastgesteld en daarbij komt dat de maximale bouwmogelijkheden op grond van het oude planologische regime al benut zijn. De rechtbank kan de door verweerder gegeven toelichting volgen en ziet in het aangevoerde geen aanleiding om te oordelen dat het op voorhand evident is dat compensatie in natura niet mogelijk is.

16. Eisers hebben naar voren gebracht dat de wijze van compenseren in natura in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften voeren zij aan dat verweerder in het bestreden besluit niet in algemene zin naar de randvoorwaarden uit de rechtspraak van de ABRvS over compensatie van planschade in natura had mogen verwijzen. De randvoorwaarden hadden in het bestreden besluit opgenomen moeten worden met daaraan gekoppeld een specifieke periode. Daarnaast stellen eisers dat de in het bestreden besluit opgenomen zinsnede ‘buiten de macht van aanvragers’ onbegrijpelijk is.

17. In het bestreden besluit heeft verweerder, anders dan in het primaire besluit, vier randvoorwaarden die volgen uit uitspraken van de ABRvS over compensatie in natura uitgeschreven. In de eerste twee randvoorwaarden staan ook termijnen vermeld. Verder is de voorwaarde opgenomen dat het bestreden besluit de toezegging moet bevatten dat indien de compensatie in natura niet mogelijk zal blijken om redenen gelegen buiten de macht van aanvragers dan wel hun rechtsopvolgers, alsnog zal worden overgegaan tot vergoeding/compensatie van de planschade in geld, vermeerderd met de wettelijke rente over het schadebedrag vanaf de dag van ontvangt van het verzoek om planschadevergoeding. De omvang van deze compensatie zal dan worden vastgesteld naar aanleiding van de reeds uitgevoerde taxatie.

18. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat het onduidelijk is of eisers, gelet op de bewoordingen ‘buiten de macht van aanvragers’, de mogelijkheid verliezen om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het bestemmingsplan waarmee beoogd wordt de planschade in natura te compenseren. De rechtbank is van oordeel dat de zinsnede daaraan niet in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank is deze zinsnede bedoeld om duidelijk te maken dat als verweerder voor de besluitvorming over het wegnemen van de planschade medewerking van eisers nodig heeft, waarbij te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie dat een aanvraag moet worden ingediend, dit in het kader van compensatie in natura ook van eisers verwacht mag worden. Anders zou degene die schade lijdt met het niet meewerken kunnen bereiken dat de schade alsnog geldelijk vergoed gaat worden, terwijl het aan het bestuursorgaan is om een keuze te maken van de wijze van compensatie van planschade. De rechtbank vindt het bestreden besluit op dit punt niet in strijd met de eisen die de het beginsel van rechtszekerheid stelt.

19. Eiseres stellen zich verder op het standpunt dat inkomensschade ten onrechte niet is vastgesteld. Vanwege de door verschillende overheden gewekte verwachtingen over uitkoop/bedrijfsverplaatsing hebben zij afgezien van investeringen, zoals het plaatsen van een uitloop aan de stallen en het installeren van zonnepanelen. Bovendien stellen eisers dat zij in ieder geval inkomensschade hebben geleden en zullen leiden in de periode van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” tot het moment dat de beperkingen in een nieuw bestemmingsplan zijn komen te vervallen.

20. De rechtbank stelt vast dat Thorbecke ten aanzien van de directe planschade heeft geconcludeerd dat het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” tot een aanzienlijke planologisch nadeliger situatie heeft geleid. In de schadeanalyse heeft Thorbecke de inkomensschade niet meegenomen. Ter zitting heeft de deskundige van Thorbecke toegelicht dat er bij inkomensschade van uit wordt gegaan dat het gebruik kan worden voortgezet, maar dat door de planologische maatregel minder inkomen wordt gegenereerd. In dit geval is niet toegekomen aan de beoordeling van de inkomensschade, omdat het bedrijf als gevolg van de ‘veiligheidszone – bevi’ planologisch niet meer was toegestaan. Hierdoor is de schade als gevolg van de gebruiksbeperkingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” zodanig groot dat de inkomensschade daarbij in het niet valt, aldus de deskundige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Thorbecke, gelet op de reeds vastgestelde aanzienlijke schade, de inkomensschade niet bij de schadeanalyse hoeven te betrekken.

21. Ten aanzien van het aangevoerde over de tijdelijke inkomensschade tot het moment dat compensatie in natura heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank als volgt. Het is inherent aan de gekozen wijze van compenseren dat enige tijd zal verstrijken voordat de planologische situatie is hersteld of de planschade is gecompenseerd. Hoewel daartoe een ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, is nog niet duidelijk wanneer dit plan wordt vastgesteld. In het licht van de door Thorbecke vastgestelde schade is het niet ondenkbaar dat eisers als gevolg daarvan tijdelijke inkomensschade zullen lijden. Op het perceel kan immers geen bedrijf meer uitgeoefend worden zolang het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” met de daarin opgenomen beperkingen van kracht blijft. Dit op slot zitten van het bedrijf kan schade tot gevolg hebben. Deze eventuele schade is een direct gevolg van de keuze om de daadwerkelijke planschade in natura te compenseren, omdat daarmee tijd gemoeid gaat. Als achteraf wordt vastgesteld dat deze schade daadwerkelijk is geleden, zal moeten worden geconstateerd dat niet de gehele schade is weggenomen door het nieuwe bestemmingsplan en dat de planschade in zoverre niet voldoende anderszins is verzekerd. De mogelijke tijdelijke inkomensschade zal dan alsnog vergoed moeten worden. In het verlengde van de aangehaalde rechtspraak moet naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende gewaarborgd zijn dat er een voorziening wordt getroffen om ook deze schade te vergoeden, als vast komt te staan dat deze daadwerkelijk bestaat. Het bestaan van deze schade en de omvang ervan kan echter pas vastgesteld worden op het moment dat de planschade in natura – in de vorm van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan – is uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dat in dit geval tot de noodzaak dat de beslissing over het planschadeverzoek waarborgen bevat over de vaststelling van deze mogelijke schade. Die waarborgen moeten ertoe strekken dat op voorhand duidelijk is dat deze schade, indien geleden, voor vergoeding in aanmerking komt.

22. De hiervoor bedoelde waarborgen bevat het bestreden besluit nu niet. Daardoor staat onvoldoende vast dat de planschade van eisers voldoende anderszins is verzekerd. De beroepsgrond slaagt. Gelet hierop is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vernietigen voor zover daarin niets is bepaald over de beoordeling van tijdelijke inkomensschade.

23. Het is in het licht van het voorgaande voldoende duidelijk dat het gebrek in het bestreden besluit kan worden hersteld door daarin alsnog de vereiste waarborgen op te nemen. Dat vereist geen nadere bestuurlijke afweging. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan het bestreden besluit wordt toegevoegd dat, nadat het besluit waarmee compensatie in natura is geboden onherroepelijk is geworden, door een onafhankelijk deskundige moet worden beoordeeld of sprake is geweest van tijdelijk inkomensschade en zo ja, in welke mate. Verder bepaalt de rechtbank dat aan het bestreden besluit ook wordt toegevoegd dat verweerder naar aanleiding van de uitkomst van de beoordeling van een onafhankelijk deskundige een besluit neemt over wat dit betekent voor het planschadeverzoek en of dit tot een geldelijke tegemoetkoming leidt. Het primaire besluit wordt hiermee op deze punten herroepen.

24. Verder voeren eisers aan dat de geldelijke vergoeding ten onrechte niet is begroot. De toezegging in de bestreden besluit dat indien alsnog tot een geldelijke vergoeding van de planschade wordt overgegaan, de omvang van de planschade zal worden vastgesteld naar aanleiding van de reeds uitgevoerde taxatie vinden zij onvoldoende, omdat Thorbecke de directe planschade niet heeft getaxeerd. Onder verwijzing naar de taxatieverslagen behorende bij de WOZ-aanslagen van 2016 en 2017 stellen zij dat de waarde van het object met ruim 25% is gedaald.

25. Thorbecke heeft op basis van de conclusies van de planvergelijking een taxatie uitgevoerd. Voor de indirecte planschade heeft Thorbecke de waardevermindering vastgesteld, maar Thorbecke is niet overgegaan tot het begroten van de omvang van de directe planschade, omdat verweerder de planschade in natura wil gaan compenseren.

Gelet hierop kan in beroep ook niet worden vastgesteld hoe de verlaging van de WOZ-waarde zich verhoudt tot de directe planschade, aldus verweerder.

26. Ter zitting heeft de deskundige van Thorbecke toegelicht dat het goed mogelijk is om op basis van het advies en de taxatie de directe planschade te waarderen en dat dat zal worden gedaan als het compenseren van de planschade in natura niet of niet volledig mogelijk is. In het bestreden besluit is weliswaar opgenomen dat de omvang van de compensatie zal worden vastgesteld naar aanleiding van de reeds uitgevoerde taxatie, maar naar het oordeel van de rechtbank biedt dit in het licht van het in 21. overwogene onvoldoende waarborgen over de vaststelling van schade. Een onafhankelijk deskundige zal aan de hand van een taxatie de omvang van de directe planschade moeten waarderen en vaststellen als compensatie in natura niet mogelijk blijkt. In het bestreden besluit komt deze laatste stap die nodig is voor het vaststellen van de planschade onvoldoende tot uitdrukking, zodat het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende waarborgen biedt. Dit betekent dat ook deze beroepsgrond van eisers slaagt. Daarom zal de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel ook vernietigen voor zover daarin niet is bepaald dat een onafhankelijk deskundige aan de hand van een taxatie de omvang van het planologisch nadeel vaststelt als compensatie in natura niet mogelijk blijkt. De rechtbank ziet aanleiding om ook op dit punt zelf in de zaak voorzien en te bepalen dat dit aan het bestreden besluit wordt toegevoegd. Ook op dit punt wordt het primaire besluit aldus herroepen.

27. Tot slot betwisten eisers het standpunt van verweerder dat eisers geen recht hebben op vergoeding van de gemaakte kosten van LBP Sight. Zij hebben alleen verzocht om vergoeding van de kosten van P.A.J.H. Kindt van LBP Sight vanaf het moment dat Thorbecke een conceptadvies heeft uitgebracht.

28. Verweerder stelt dat de kosten van LBP Sight niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, omdat LBP Sight geen onafhankelijk deskundige is maar een gemachtigde. In het bestreden besluit is een bedrag van € 790,23 aan deskundigenkosten gemaakt door Flynt vergoed. Daarnaast is uit oogpunt van coulance een vergoeding van € 3.478,75 toegekend.

29.
Op grond van artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vergoedt het bestuursorgaan, indien het een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 6.1 toekent, daarbij tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

30. Uit de stukken volgt dat P.A.J.H. Kindt van LBP Sight eisers aan het begin van deze procedure heeft bijgestaan en namens hen de aanvraag heeft ingediend. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat Kindt vaker als rechtsbijstandverlener optreedt, maar ook als deskundige. Niet gebleken is dat Kindt in deze zaak tevens als deskundige heeft gefungeerd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor een vergoeding van kosten van rechtsbijstand dan ook aanleiding. Deze beroepsgrond slaagt.

31. Vervolgens rijst de vraag welke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS (bijvoorbeeld de eerdergenoemde uitspraak van 28 september 2016) kunnen kosten die de aanvrager heeft gemaakt vanaf het moment dat de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige een conceptadvies dan wel advies over de aanvraag aan het bestuursorgaan heeft uitgebracht tot het moment dat het bestuursorgaan op de aanvraag een besluit heeft genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld, voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn.

32. In het dossier bevindt zich een specificatie van de door LBP Sight verrichtte werkzaamheden, tijdsbesteding en kosten. LBP Sight heeft in de periode vanaf 14 december 2015 (datum conceptadvies Thorbecke) tot het primaire besluit (3 mei 2016)

€ 3.650,87, inclusief btw, in rekening gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank was het inroepen van rechtsbijstand in dit geval redelijk en de rechtbank acht ook de hoogte van de gemaakte kosten redelijk. Gelet op het voorgaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6.5 van de Wro, voor zover het verzoek om vergoeding van kosten gemaakt door de gemachtigde is afgewezen en stelt het door verweerder te vergoeden bedrag vast op € 3.650,87. Nu het door verweerder uit coulance toegekende bedrag ook ziet op kosten in deze periode kan verweerder een eventueel uit coulance al uitbetaald bedrag op het te vergoeden bedrag in mindering brengen.

33. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart en het primaire besluit herroept, veroordeelt zij verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift,

1. punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

34. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin niets is bepaald over de beoordeling van tijdelijke inkomensschade;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin niet is bepaald dat een onafhankelijk deskundige aan de hand van een taxatie de omvang van het planologisch nadeel vaststelt als compensatie in natura niet mogelijk blijkt;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand is afgewezen;

- voorziet zelf in de zaak,

door toevoeging van de volgende waarborgen aan het bestreden besluit:

  1. Nadat het besluit waarmee compensatie in natura wordt geboden in rechte onaantastbaar is geworden, moet door een onafhankelijk deskundige worden beoordeeld of sprake is geweest van tijdelijk inkomensschade en zo ja, in welke mate.

  2. Naar aanleiding van de uitkomst van de beoordeling onder 1. neemt verweerder een besluit over wat dit betekent voor het planschadeverzoek en of dit tot een geldelijke tegemoetkoming leidt.

  3. Aan de voorwaarde in het bestreden besluit dat indien de compensatie in natura geheel of gedeeltelijk niet mogelijk zal blijken om redenen gelegen buiten den macht van aanvragers dan wel hun rechtsopvolgers, alsnog zal worden overgegaan tot vergoeding/compensatie van de planschade in geld, vermeerderd met de wettelijke rente over het schadebedrag vanaf de dag van ontvangt van het verzoek om planschadevergoeding, wordt toegevoegd dat in dat geval een onafhankelijk deskundige aan de hand van een taxatie de omvang van het planologisch nadeel moet vaststellen.

met veroordeling van verweerder tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand aan eisers van € 3.650,87 inclusief btw en
met herroeping van het primaire besluit in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,-- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzitter, en mr. K. de Meulder en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.