Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1439

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/659696-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie jongens die eind 2016 en begin 2017 een spoor van inbraken, diefstallen en vernielingen achter zich lieten in onder andere Amersfoort, Harderwijk en Ermelo zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot taak- en leerstraffen. Daarnaast krijgen de verdachten een voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd.

Een 18-jarige verdachte uit Hoevelaken had volgens de rechtbank een leidende rol bij de inbraken, diefstallen en vernielingen in onder andere woningen, chalets en een container. Bij de inbraken nam het drietal onder andere computerapparatuur, identiteitsbewijzen en geld mee. De verdachte uit Hoevelaken is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 8 maanden, een taakstraf van 200 uur en een leerstraf van 35 uur.

De rechtbank veroordeelt een 18-jarige verdachte uit Bunschoten-Spakenburg tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 5 maanden en een taakstraf van 150 uur. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan 8 strafbare feiten. De derde verdachte, een 18-jarige verdachte uit Amsterdam is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden, een taakstraf van 100 uur en 34 uur leerstraf. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan 7 strafbare feiten.

Bij het opleggen van de straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming. Het jeugdstrafrecht is van toepassing. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachten tussen de feiten en de zitting niet opnieuw met de politie in contact zijn geweest. Het gaat om oude feiten en de verdachten hadden nog geen strafblad. Volgens de rechtbank zou een onvoorwaardelijke jeugddetentie onder deze omstandigheden de positieve lijn die de verdachten inmiddels sinds begin 2017 hebben ingezet te niet doen en het risico op herhaling vergroten. Dat is niet in het belang van de verdachten, maar ook niet van de maatschappij, zo oordeelt de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659696-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1999] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen achter gesloten deuren op 13 maart 2018 en 29 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken en van hetgeen verdachte en mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht, alsmede [A] namens benadeelde partij [benadeelde] B.V. naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 in de periode van 22 september 2016 tot en met 8 oktober 2016 in Amersfoort samen met anderen goederen heeft geheeld;

feit 2 in de periode van 15 december 2016 tot en met 29 december 2016 in Amersfoort samen met anderen goederen heeft vernield;

feit 3 op 13 december 2016 in Ermelo samen met anderen heeft ingebroken in een woning;

feit 4 op 14 januari 2017 in Hooglanderveen samen met anderen heeft ingebroken in een woning;

feit 5 in de periode van 11 december 2016 tot en met 12 december 2016 in Ermelo samen met anderen in een woning/chalet heeft ingebroken;

feit 6 in de periode van 11 december 2016 tot en met 21 februari 2017 in Ermelo samen met anderen in een woning/chalet heeft ingebroken;

feit 7 in de periode van 18 oktober 2016 tot en met 22 oktober 2016 in Renswoude samen met anderen heeft ingebroken in een container;

feit 8 in de periode van 5 januari 2017 tot en met 6 januari 2017 in Bunschoten-Spakenburg samen met anderen heeft ingebroken in een woning;

feit 9 op 29 januari 2017 in Bunschoten-Spakenburg samen met anderen heeft ingebroken in een school.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de aan verdachte ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het onder 2 ten laste gelegde feit, wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte dient volgens de officier van justitie vrijgesproken te worden van het onder 2 tenlastegelegde omdat zijn betrokkenheid bij dat feit niet kan worden vastgesteld.

Verdachte dient ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde partieel vrijgesproken te worden van de heling van muziekinstrumenten en de bijbehorende hoezen, omdat niet bewezen kan worden dat hij daarmee te maken heeft gehad. Voorts dient verdachte ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde partieel vrijgesproken te worden van de diefstal van de Xbox, omdat deze in de woning is achtergebleven. Gelet op de verklaring van verdachte kan ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde de periode beperkt worden tot 11 en 12 december 2016 en dient verdachte partieel vrijgesproken te worden voor de diefstal van diverse goederen uit het tweede chalet, met uitzondering van de diefstal van twee fietsen. Ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde dient, gelet op de gevorderde vrijspraak ten aanzien van de medeverdachte, partiële vrijspraak te volgen voor het tenlastegelegde medeplegen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte bij dit feit betrokken is geweest.

Niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte - ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde - de instrumenten en bijbehorende hoezen heeft geheeld en – ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde – de Xbox heeft weggenomen, nu deze is in de woning is achtergebleven. Verdachte dient partieel vrijgesproken te worden van deze onderdelen.

Ten aanzien van het onder 5 en 6 tenlastegelegde kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte, samen met zijn medeverdachten, meer goederen - anders dan diverse gereedschappen - heeft weggenomen. De rechtbank begrijpt dit verweer van de raadsman aldus dat is aangevoerd dat verdachte van het onder 5 tenlastegelegde partieel moet worden vrijgesproken van de andere goederen dan het gereedschap en dat verdachte ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde in het geheel dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om bewezen te achten dat verdachte bij deze vernielingen betrokken is geweest. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

4.3.2

Bewijsmiddelen 1

feit 1

Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , pagina 7 tot en met 9 van het zaakdossier zaak 2: [zaak] ;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 7 van het zaakdossier zaak 3: CEX.

Partiële vrijspraak van de muziekinstrumenten en de bijbehorende hoezen

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van heling van de muziekinstrumenten en bijbehorende hoezen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten waaruit volgt dat verdachte betrokken is geweest bij de heling van deze goederen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

feit 3

Verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina 6 en 7, met bijlagen op pagina 8 tot en met 10, van het zaakdossier, zaak 6: [zaak] .

feit 4

Verdachte heeft het onder 4 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , pagina 5 en 6, met bijlage op pagina 21 van het zaakdossier zaak 7: [zaak] ;

  • -

    het proces-verbaal verhoor aangever [aangever 3] , pagina 22 van het zaakdossier zaak 7: [zaak] .

Bewijsoverweging ten aanzien van de Xbox

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook de Xbox heeft weggenomen. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten ingebroken in de woning. De Xbox is door hen in een meegebrachte (sport)tas gestopt met het oogmerk om deze tas mee te nemen. Verdachte en zijn medeverdachten waren daarmee heer en meester geworden over de Xbox.

Dat de (sport)tas met de Xbox in de woning is achtergebleven omdat de verdachten de woning zijn uitgevlucht maakt dat niet anders.

feit 5

Verdachte heeft het onder 5 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , pagina 8, met bijlage op pagina 10 tot en met 12 van het zaakdossier zaak 11: Chalets.

feit 6

[aangever 5] heeft aangifte gedaan van een inbraak in zijn chalet aan de [adres] in [woonplaats] . Op 11 december 2016 was hij voor het laatst in het huisje geweest. Hij zag dat het slot van het tuinhuisje was vernield en dat uit dit schuurtje fietsen waren weggenomen.2

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond 11 december 2016 had ingebroken in twee chaletjes in [woonplaats] . Bij één van de chaletjes hadden zij twee fietsen meegenomen.3

Bewijsoverweging

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachten heeft ingebroken in de schuur van het chalet en daarbij twee fietsen heeft weggenomen.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat van dit feit alleen de diefstal van twee fietsen bewezen kan worden verklaard. De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van de diefstal van de overige in de tenlastelegging van feit 6 genoemde goederen.

feit 7

Verdachte heeft het onder 7 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2018:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , pagina 5 en 6, met bijlagen op pagina 7 en 8 van het zaakdossier zaak 12: [zaak] .

feit 8

Verdachte heeft het onder 8 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , namens [B] en [C] , pagina 5 en 6, met bijlagen op pagina 24 tot en met 26 van het zaakdossier zaak 13: [zaak] .

Partiële vrijspraak medeplegen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander heeft ingebroken. De verklaring van verdachte dat hij samen met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] in de woning heeft ingebroken vindt onvoldoende steun in het dossier. Verdachte heeft in zijn verklaringen tegenstrijdig verklaard over wie zich aan de voorzijde en wie zich aan de achterzijde van de woning bevonden zou hebben. Voorts is op de beelden slechts één dader te zien. [medeverdachte 1] ontkent bij de inbraak betrokken te zijn. Het gegeven dat er op de avond van de inbraak een kortdurend telefonisch contact is geweest tussen verdachte en [medeverdachte 1] is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

feit 9

Verdachte heeft het onder 9 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2018;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [aangever 8] , namens [school] , pagina 5 en 6 van het zaakdossier zaak 15: [zaak] .

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

hij in de periode van 3 oktober 2016 tot en met 8 oktober 2016 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, een boormachine en twee bouwlasersets en een Apple iMac voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders telkens ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

op 13 december 2016 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen goederen (te weten diverse multimediasystemen, iPads, golfartikelen, sieraden, computer(apparatuur), fotocamera's en autosleutels) toebehorende aan [aangever 2] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

4.

op 14 januari 2017 te [woonplaats] (gemeente Amersfoort), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres] , heeft weggenomen goederen (te weten diverse camera's en een Xbox One) toebehorende aan [aangever 3] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

5.

in de periode van 11 december 2016 tot en met 12 december 2016 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een chalet gelegen aan de [adres] , chaletnummer [nummer] , heeft weggenomen goederen (te weten gereedschappen en professionele boren), toebehorende aan [aangever 4] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben door middel van braak;

6.

in de periode van 11 december 2016 tot en met 12 december 2016, te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schuur, gelegen aan de [adres] , behorende bij chaletnummer [nummer] , heeft weggenomen goederen (te weten fietsen), toebehorende aan [aangever 5] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

7.

in de periode van 18 oktober 2016 tot en met 22 oktober 2016 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een container gelegen achter het huis aan de [adres] , heeft weggenomen goederen (te weten diverse crossmotor(toebehoren/accessoires), gereedschappen, helmen, kledingstukken en een boordcomputer), toebehorende aan [aangever 6] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

8.

in de periode van 5 januari 2017 tot en met 6 januari 2017 te [woonplaats] (gemeente Bunschoten), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen goederen (te weten diverse telefoons, multimediasystemen, tablets, computers, een hoeveelheid geld, camera's en camera-accessoires), toebehorende aan [B] en/of [C] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

9.

op 29 januari 2017 te [woonplaats] (gemeente Bunschoten), tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een school gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een hoeveelheid geld (te weten 50 euro) en een gitaar, geheel of ten dele toebehorende aan [school] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1

opzetheling, meermalen gepleegd;

feit 3, 4, 5, 6, 7 en 9

telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 8

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van 18 weken, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde één jaar jeugdreclasseringstoezicht;

- een werkstraf van 120 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen jeugddetentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte - mede gelet op het tijdverloop in deze zaak - geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Verdachte heeft zijn leven op de rit en werkt aan zijn toekomst. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou het einde betekenen van zijn opleidingstraject bij defensie. Toezicht door de jeugdreclassering is niet nodig, want verdachte legt de schuld van hetgeen hij heeft gedaan niet buiten zichzelf en hij heeft zijn verantwoording genomen. De raadsman heeft verzocht verdachte een forse werkstraf op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten zoals hiervoor bewezen is verklaard. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan 3 woninginbraken, een inbraak in een school, een inbraak in een chalet, een inbraak in een schuur, een inbraak in een container en aan opzetheling.

Verdachte heeft enkel gehandeld vanuit zijn behoefte aan geld en spullen en heeft laten zien geen enkel respect voor de eigendommen van anderen te hebben. Dergelijke feiten zorgen voor (financiële) schade, overlast en ergernis bij de benadeelden. De rechtbank rekent verdachte in het bijzonder de inbraken in de woningen zwaar aan. Inbraken in woningen zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij. Het is voor de slachtoffers vaak bijzonder onaangenaam om te moeten leven met de wetenschap dat een ander in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Woningen zijn bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Door zijn handelen heeft verdachte dit gevoel van veiligheid aangetast.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor minderjarigen gaan voor een woninginbraak in vereniging uit van een taakstraf van 120 uren en voor inbraken in vereniging in een school of andere gebouwen een taakstraf van 80 uren, dan wel een dienovereenkomstige jeugddetentie. Voor opzetheling is het oriëntatiepunt een taakstraf vanaf 30 uren of een overeenkomstige geldboete.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 februari 2018. F.L. de Jong heeft ter terechtzitting het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming toegelicht. F.L. de Jong heeft ter terechtzitting het advies van de Raad voor de Kinderbescherming bijgesteld. Zij heeft geadviseerd, mede gelet op het aantal feiten en de ernst van de feiten, verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Voor het eventueel opleggen van begeleiding door de jeugdreclassering heeft de Raad voor de Kinderbescherming zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Verdachte heeft, zoals volgt uit voornoemd rapport en hetgeen besproken is ter terechtzitting, sinds zijn aanhouding zijn leven een andere, positieve wending gegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven oprecht spijt te hebben van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. Verdachte heeft inmiddels zijn opleiding afgerond en is bezig met de selectie voor een volgende opleiding.

De rechtbank houdt voorts ten voordele van verdachte rekening met het tijdsverloop tussen de feiten en de terechtzitting van heden. Verdachte heeft in de tussenliggende periode geen nieuwe politie contacten gehad en is ook niet eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou de positieve lijn die verdachte inmiddels heeft ingezet te niet doen en het risico op recidive vergroten, hetgeen niet in het belang is van verdachte, maar ook niet in het belang van de maatschappij.

Gelet hierop acht de rechtbank het niet wenselijk dat verdachte gedetineerd komt te zitten.

De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie, maar zal verdachte wel een langere voorwaardelijke jeugddetentie - met ook een langere proeftijd - en een hogere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een werkstraf van 150 uren, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie, opleggen. De rechtbank zal verdachte ook begeleiding door de jeugdreclassering voor de duur van één jaar opleggen. Niet zeker is of verdachte de opleiding die hij voor ogen heeft ook echt kan gaan volgen. Daarnaast is verdachte (deels) geneigd de schuld buiten zichzelf te leggen en niet de volledige verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen. De rechtbank acht daarom begeleiding en toezicht door de jeugdreclassering noodzakelijk.

9 BENADEELDE PARTIJEN

9.1

[benadeelde] B.V.

[benadeelde] B.V. heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.500,00. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

9.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting geen standpunt ingenomen over de vordering van de benadeelde partij.

9.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, afgewezen dient te worden.

9.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde] B.V. niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

9.2

[aangever 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.750,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

9.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel en hoofdelijk toe te wijzen met daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaart dient te worden in de vordering nu de aanschaf van extra camera’s geen rechtstreekse schade betreft. Voorts ontbreekt een onderbouwing van de vordering.

9.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu niet, althans onvoldoende is gebleken van een direct verband tussen de gestelde schade en het onder 3 bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt.

9.3

[aangever 6]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.450,00. Dit bedrag bestaat uit € 1.200,00 materiële schade en € 250,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 7 ten laste gelegde feit.

9.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel en hoofdelijk toe te wijzen met daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaart dient te worden in de vordering nu deze niet is onderbouwd. De raadsman kan zelf niet inschatten wat de waarde van de weggenomen goederen is en welke goederen terug zijn gegeven aan de benadeelde partij.

9.3.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 13 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank acht de gevorderde schade onder de post “gereedschap” voor een bedrag van

€ 500,00 onvoldoende onderbouwd. In de aangifte heeft de benadeelde partij een bedrag van € 100,00 opgegeven. Het is aannemelijk dat de benadeelde partij op het moment van de aangifte geen volledig beeld had van de exacte schade, maar het verschil is voor deze post erg groot. Nu enige nadere onderbouwing van het grote verschil tussen € 100,00 en € 500,00 ontbreekt begroot de rechtbank deze schade op € 250,00.

De rechtbank acht de vordering voor het overige, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

De raadsman heeft de immateriële schade niet betwist.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.200,00, bestaande uit € 950,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 oktober 2016 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

veroordeelt verdachte tot:

- een jeugddetentie van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarde/voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van Toezicht en Begeleiding zoals die worden gegeven door Samen Veilig Midden-Nederland;

- geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan de begeleiden;

- een taakstraf van 150 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen jeugddetentie;

Benadeelde partijen

[benadeelde] B.V.

- verklaart [benadeelde] B.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

[aangever 2]

- verklaart [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

[aangever 6]

- wijst de vordering van [aangever 6] toe tot een bedrag van € 1.200,00, bestaande uit € 950,00 materiële schade en € 250,00 immateriële schade;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangever 6] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2016 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- verklaart [aangever 6] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever 6] aan de Staat € 1.200,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2016 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 22 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. A.R. Creutzberg en D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 april 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 september 2016 tot en met 8 oktober 2016 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten twee ukeleles en/of een elektrische gitaar en/of een akoestische gitaren en/of bijbehorende hoezen en/of een boormachine en/of twee bouwlasersets en/of een Apple iMac, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 december 2016 tot en met 29 december 2016 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk goederen, te weten (onder andere)

-een goederenlift en/of

-een rolhek voor de liftdeuren en/of

-een beveiligingscamera en/of

-twee, althans een of meer, deuren en/of

-twintig, althans een of meer, hanglampen en/of

-een of meer airco's, inclusief de bediening en buitendelen en/of

-twee, althans een of meer, buitenruiten

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , althans aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft/hebben vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 13 december 2016 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Oost-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ), heeft weggenomen goederen (te weten diverse multimediasystemen, IPads, golfartikelen, sieraden, computer(apparatuur), fotocamera's en/of autosleutels), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 14 januari 2017 te [woonplaats] (gemeente Amersfoort), althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres] ), heeft weggenomen goederen (te weten diverse camera's en/of een Xbox One), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 11 december 2016 tot en met 12 december 2016, te [woonplaats] , althans in het arrondissement Oost-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning/chalet (gelegen aan de [adres] , chaletnummer [nummer] ), heeft weggenomen goederen (te weten gereedschappen en/of professionele boren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4] ,

in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

hij in of omstreeks de periode van 11 december 2016 tot en met 21 februari 2017, te [woonplaats] , althans in het arrondissement Oost-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning/chalet en/of de daarbij horende schuur (gelegen aan de [adres] , chaletnummer [nummer] ), heeft weggenomen goederen (te weten diverse multimediasystemen en/of multimedia-accessoires, koffiezetapparatuur en/of fietsen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

7.

hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2016 tot en met 22 oktober 2016, te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een container (gelegen achter het huis aan de [adres] ), heeft weggenomen goederen (te weten diverse crossmotor(toebehoren/accessoires), gereedschappen, helmen, kledingstukken en/of boordcomputers),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

8.

hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2017 tot en met 6 januari 2017, te [woonplaats] (gemeente Bunschoten), althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres] ), heeft weggenomen goederen (te weten diverse telefoons,

multimediasystemen, tablets, computers, een hoeveelheid geld, camera's en/of camera-accessoires),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B] en/of [C] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

9.

hij op of omstreeks 29 januari 2017 te [woonplaats] (gemeente Bunschoten), althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een school (gelegen aan de [adres] ), heeft weggenomen een hoeveelheid geld (te weten 50 euro) en een gitaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [school] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal in het onderzoek 031 VALUTA, dossiernummer 2017110683, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , pagina 15 van het zaakdossier zaak 11: Chalets.

3 Verklaring verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 5 maart 2018.