Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1399

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
700078-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige. Bewezenverklaring van diefstal in vereniging met valse sleutel, diefstal in vereniging met braak, diefstal in vereniging met (bedreiging met) geweld en mishandeling. Veroordeeld tot o.a. een GBM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/700078-17; 16/052676-17 (tul); 16/181755-16 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kamper en van hetgeen verdachte en mr. N. Hendriksen, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

op 25 april 2017 te Almere samen met een ander of anderen uit een woning aan de [adres] een mobiele telefoon (Samsung) van [slachtoffer 1] heeft gestolen door middel van een valse sleutel;

2.

in de periode van 26 maart 2017 tot en met 27 maart 2017 te Almere samen met anderen uit een woning aan de [adres] een laptop en € 1.000,- van [slachtoffer 2] heeft gestolen door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

op 2 april 2017 te Almere samen met anderen uit een woning aan het [adres] heeft geprobeerd om goederen en/of geld van [slachtoffer 3] te stelen door middel van braak, verbreking en/of inklimming door één of meermalen bij voornoemde woning aan te bellen en vervolgens een steen door het raam van die woning te gooien;

4. primair

in de periode tussen 10 maart 2017 en 12 maart 2017 in Almere samen met anderen uit een woning aan de [straatnaam] onder andere een laptop en/of mobiele telefoon (Samsung met daarin een SD-kaart) en/of spelcomputer van [slachtoffer 4] heeft gestolen door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4. subsidiair

op 25 april 2017 te Almere een SD-kaart heeft geheeld;

5.

op 13 juni 2017 te Almere samen met anderen een laptop heeft geheeld;

6. primair

op 15 augustus 2017 te Kampen samen met een ander of anderen 125 rekenmachines van [bedrijfsnaam 1] heeft gestolen, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5] door hem meermalen althans eenmaal te slaan in het gezicht en/of hem de woorden toe te voegen ‘mijn neef schiet jou neer’;

6. subsidiair

op 15 augustus 2017 te Kampen samen met een ander of anderen 25 rekenmachines heeft geheeld;

7.

op 15 augustus 2017 te Kampen samen met een ander of anderen [slachtoffer 5] heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Zij acht het onder 1, 2, 3, 5, 6 primair en 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, met uitzondering van feit 6 subsidiair, vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Voor feit 1 (inbraak [straatnaam] ) geldt dat de lezing van verdachte, die inhoudt dat hij op verzoek van de stiefdochter van aangever de woning is binnengegaan om een naaktfoto van haar te zoeken en mee te nemen, onvoldoende wordt weerlegd en voorts, dat nergens uit blijkt dat verdachte wist dat zijn medeverdachte [medeverdachte 5] in die woning een telefoon had weggenomen. Op basis van de beelden die zich voor feit 2 (inbraak [straatnaam] ) in het dossier bevinden, kan niet tot een voor het bewijs bruikbare herkenning worden gekomen. Verdachte kan op basis van het dossier niet met de onder feit 3 ten laste gelegde poging tot inbraak ( [adres] ) in verband worden gebracht. Ditzelfde geldt voor de onder 4 primair ten laste gelegde inbraak ( [straatnaam] ). De verklaring van verdachte voor het voorhanden hebben van de SD-kaart (feit 4 subsidiair) is niet onaannemelijk. Voor feit 5 geldt dat de verklaring van [medeverdachte 3] ongeloofwaardig is, zodat verdachte in zijn verklaring moet worden gevolgd. Op basis van de voor feit 6 primair gegeven beschrijving van de daders kan verdachte niet betrokken zijn geweest bij de diefstal. Voor feit 7 geldt dat het opzet op de mishandeling ontbreekt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van de feiten 3, 4 (primair en subsidiair) en 5

Feit 3 (poging inbraak [straatnaam] )

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 3 ten laste gelegde poging tot woninginbraak aan het [straatnaam] heeft begaan en zal hem hiervan vrijspreken. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen met een beschrijving van de camerabeelden van 2 april 2017 tussen 21.00 en 23.30 uur van de [naam winkel] aan het [straatnaam] te [vestigingsplaats] , die op een afstand van zo’n 130 meter van de woning van aangeefster is gelegen. Drie van de vier personen op deze beelden zijn weliswaar rondom het tijdstip van de handelingen in kwestie door verschillende verbalisanten herkend als verdachte [verdachte] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar deze enkele herkenningen zijn niet toereikend voor het bewijs van feit 3. Immers, uit de beschrijving van wat op die beelden is vastgelegd noch anderszins uit het dossier blijkt dat zij, althans één van hen, het zijn/is geweest die op de avond van 2 april 2017 een steen door de ruit van de woning van aangeefster heeft/hebben gegooid.

Feit 4 (inbraak [straatnaam] /heling SD-kaart)

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de onder 4 primair ten laste gelegde woninginbraak aan de [straatnaam] niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken. Dat verdachte feitelijk of juridisch betrokken is geweest bij de diefstal van de laptop, telefoon en spelcomputer blijkt onvoldoende uit het dossier.


Met betrekking tot de van diefstal afkomstige SD-kaart stelt de rechtbank vast dat verdachte deze ruim een maand nadat die kaart aan de rechthebbende is ontstolen in zijn bezit heeft gehad. Verdachte heeft gesteld dat hij deze kaart op straat heeft gevonden. Wat daarvan zij, het enkele bezit van de SD-kaart brengt, gelet op het feit dat het een alledaags voorwerp betreft, niet mee dat daarmee is gegeven dat hij deze kaart verwijtbaar onvoorzichtig of opzettelijk heeft geheeld. De rechtbank zal verdachte daarom ook van feit 4 subsidiair vrijspreken.

Feit 5 (heling laptop)

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat door medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte aan het bedrijf [bedrijfsnaam 2] een van misdrijf afkomstige laptop is verkocht. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij door een voor hem onbekende jongen – de rechtbank begrijpt: verdachte – werd benaderd met de vraag of hij voor hem iets wilde verkopen omdat die jongen zelf nog geen 18 jaar oud was. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat hij die dag met [medeverdachte 3] was en dat [medeverdachte 3] een laptop had die hij wilde verkopen, waarna hij met hem is meegegaan naar [bedrijfsnaam 2] , niet meer en niet minder.

Dat verdachte wetenschap had van de misdadige herkomst van de laptop kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld. Evenmin kan worden vastgesteld dat wat is komen vast te staan omtrent verdachtes gedragingen toereikend is voor zijn strafbare betrokkenheid in de vorm van het ten laste gelegde medeplegen van de heling van de laptop. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van het onder 5 ten laste gelegde feit.

Bewijsmiddelen voor feit 1 (inbraak [straatnaam] ) 1

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 25 april 2017 omstreeks 05.30 uur vanuit zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] is vertrokken naar zijn werk. Zijn zoon is rond 10.30 uur uit de woning vertrokken. Toen aangever die dag om 18.15 uur terug kwam bij de woning, zag hij daar politiemensen staan. Hij probeerde met zijn sleutel de voordeur van zijn woning te openen, maar dit lukte niet. Hij heeft vervolgens de achterdeur van de woning geopend. Toen hij weer naar de voorzijde van de woning liep, zag hij dat twee jongens die uit zijn woning kwamen door de politie werden aangehouden. Op de eerste verdieping, in de slaapkamer van zijn dochter [voornaam van B] , waren kasten en lades overhoop gehaald. In de badkamer trof hij naast het toilet een aantal sieradendoosjes aan met daarin sieraden die daar niet horen te liggen. Op de tweede verdieping waren in de slaapkamer van aangever en zijn vrouw ook kasten en lades overhoop gehaald. Heel veel spullen waren op het bed gegooid.2 Zijn Samsung telefoon, die in een zwart hoesje zat, is weggenomen.3

Getuige [getuige 1] , woonachtig aan de [adres] , heeft verklaard dat zij, toen zij rond 16.45 uur aan het eten was, aan de overkant van de [straatnaam] een onbekende jongen zag staan. Hij liep langs de woningen en kwam halverwege weer terug lopen. Iets later zag zij hem met een andere onbekende jongen voorbij lopen. Daarna zag zij dat deze twee jongens weer aan de overzijde stonden en kennelijk aan het observeren waren. Toen zij omstreeks 17.20 uur de deur uitstapte om naar haar auto te lopen, zag zij rechts meteen de twee jongens staan ter hoogte van [adres] . Op het moment dat de jongens haar zagen, liepen zij direct weg van die woning. Toen zij in haar auto wegreed, zag zij deze twee jongens en nog een derde jongen op het schoolplein van de school de [naam school 1] staan.4

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 25 april 2017 omstreeks 17.00 uur een jongen zag lopen die aan het telefoneren was. Ongeveer vijf minuten later kwam er een andere jongen bij hem staan. Toen hij omstreeks 17.40 uur naar de achtertuin liep om de container naar voren te brengen, zag hij dat de poortdeur van de woning van [adres] open stond. Hij liep bij het passeren hiervan de twee jongens tegemoet. Het viel hem op dat jongen 1 een bos met sleutels in zijn hand hield. De jongens liepen in de richting van basisschool de [naam school 1] . Omstreeks 18.20 uur zag hij de twee jongens weer voorbijlopen richting nummer [nummeraanduiding] .5

Getuige [getuige 3] , woonachtig aan de [adres] , zag op enig moment dat de jongen met de gladde haren aanbelde bij de woning aan de [adres] . De jongen met het bobline-kapsel stond ervoor en keek duidelijk in de richting van de straat. De jongen met het gladde haar deed ook iets bij de brievenbus. Zij zag dat beide jongens weer wegliepen. Vanuit haar slaapkamer zag zij dat de twee jongens via de voordeur van de woning [adres] binnen gingen.6

Toen de politie bij de woning van aangever kwam, zag één van de verbalisanten dat de voordeur van de woning open ging en er twee jongens bij de deur stonden. Zij waren in het zwart gekleed en droegen zwarte handschoentjes.7 Bij verdachte werden onder meer drie sleutels aangetroffen, waarvan er één paste op de voordeur van de woning van de [adres] .8 Bij medeverdachte [medeverdachte 5] werd een zwarte Samsung telefoon aangetroffen die in een zwart hoesje zat.9 In deze telefoon bleken onder contacten twee namen te staan, namelijk [voornaam van A] en [voornaam van B] , naar is gebleken de namen van de vrouw en dochter van aangever. Toen verbalisant belde naar het nummer van de bij aangever weggenomen telefoon, kwam er een oproep binnen op de telefoon die onder [medeverdachte 5] in beslag was genomen.10

Bewijsoverweging voor feit 1

Op grond van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen in hun onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank de onder 1 ten laste gelegde diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van [voornaam van B] , de stiefdochter van aangever, in de woning aanwezig was om een naaktfoto van haar uit het huis weg te halen. Zij had hem daartoe de sleutel van de woning gegeven en aan hem dat weghalen van die foto toevertrouwd. [B] is zowel door de politie als ter terechtzitting als getuige gehoord. Zij heeft stellig verklaard verdachte niet te kennen en hem dit verzoek niet te hebben gedaan. De verklaring van verdachte wordt dus niet door deze getuige bevestigd, ook niet door enig ander gegeven in het dossier. Daarmee is de valsheid van de door de verdachte en zijn mededader gebruikte sleutel gegeven.

De uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en [medeverdachte 5] , namelijk dat verdachten door middel van een valse sleutel zich de toegang tot de woning hebben verschaft, met handschoenen aan samen in de woning aanwezig waren, het huis hebben doorzocht, sieradendoosjes hebben verplaatst en kennelijk klaargelegd om mee te nemen, en niet in de laatste plaats een aan aangever toebehorende telefoon hebben weggenomen, wijst erop dat verdachten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in de woning aanwezig en doende waren om een diefstal te plegen, en wat de telefoon betreft die diefstal ook hebben voltooid.

Bewijsmiddelen voor feit 2 (inbraak [straatnaam] )

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 26 maart 2017 omstreeks 18.00 uur zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] heeft verlaten, nadat hij deze volledig had afgesloten. Op 27 maart 2017 rond 16.30 uur kwam hij thuis. Hij zag dat de woning overhoop was gehaald en dat het raam aan de achterzijde open stond. Met een breekvoorwerp was het kozijn vernield en op deze manier waren de sloten verbogen en geopend. Een laptop en een geldbedrag van € 1.000,- zijn weggenomen.11

Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek volgt dat in de sluitnaad van het woonkamerraam aan de achterzijde van de woning wriksporen zichtbaar waren die zijn veroorzaakt door breekvoorwerpen met een verschillende maatvoering. Verbalisant herkende de werktuigsporen als waarschijnlijk afkomstig van een breekijzer en een schroevendraaier. Als gevolg van het wrikken was de raamvergrendeling aan de binnenzijde verbogen waarna men door het geforceerde raam naar binnen kon klimmen en zich zo de toegang tot de woning kon verschaffen. In de woning was de inhoud van kasten en lades over de vloer en het bed verspreid.12

Door de bewoners van de [adres] is verklaard dat zij op 26 maart 2017 omstreeks 22.30 uur hun hond uitlieten. Zij zagen op de hoek van de [straatnaam] , nabij de [naam winkel] , een drietal jongens staan. Deze jongens waren donker gekleed en kwamen hen niet bekend voor. Toen zij terugkwamen, waren de jongens weg. Rond 22.45 uur hoorde de bewoner een harde knal toen hij een sigaret rookte in de tuin. Hij heeft hierbij verder niemand gezien. Toen hij op 27 maart 2017 van de buurman hoorde dat er bij hem was ingebroken heeft hij de beelden van de beveiligingscamera, die hij aan de voorzijde van zijn woning heeft hangen, bekeken. Hij zag de jongens die hij bij het uitlaten van de hond had gezien, meerdere keren rondom de woningen lopen. De jongens zijn aan hun kleding goed te herkennen. Hij zag op de beelden om 22.49 uur twee van de drie jongens over straat lopen, waarbij één van de jongens, naar het lijkt, een laptop in zijn hand heeft.

Ook de bewoners van de [adres] hebben tussen 22.30 en 22.45 uur een knal gehoord.13

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van 26 maart 2017 die waren aangeleverd door de bewoners van de [adres] op 11 april 2017 bekeken. Hij zag daarop dat om 22.19.20 uur drie personen aan de overzijde van de straat liepen, komende van de linkerzijde. Om 22.24.00 uur zag hij dat drie personen achter elkaar op de stoep liepen aan de zijde van de straat waar de camera gevestigd was. Zij liepen vanaf de rechterzijde het beeld in. Persoon 1 liep voorop, gevolgd door persoon 2 en 3. Persoon 3 schermde met zijn rechterhand zijn gezicht af voor de camera. Persoon 1 liep midden op straat en had een capuchon over zijn hoofd gedaan. Ook persoon 2 droeg een capuchon. Hij hield in zijn rechterhand een dichtgeklapte laptop vast. De vermoedelijke bovenzijde van de laptop reflecteerde in het licht. Persoon 3 kwam tien seconden later in beeld. Hij liep over de stoep aan de zijde waar de camera hing.14

De camerabeelden van de [naam winkel] aan het [straatnaam] te [vestigingsplaats] van 2 april 2017 zijn in verband met de onder 3 ten laste gelegde poging tot inbraak bekeken. Daarop zijn vier jonge mannen te zien die zich ophouden bij de ingang van de betreffende [naam winkel] . Verbalisant [verbalisant 2] heeft [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op deze beelden herkend. Hij komt [medeverdachte 1] veel tegen op straat en hij is als jeugdagent [medeverdachte 2] veel tegen gekomen op het [naam school 2] te [vestigingsplaats] .15 Verbalisant [verbalisant 3] herkende eveneens [medeverdachte 2] op de beelden. Hij kent [medeverdachte 2] van verschillende huisbezoeken.16 Verbalisant [verbalisant 4] herkende [verdachte] op de beelden. Hij heeft hem meerdere malen staande gehouden in verband met overlast in de [naam wijk] te [woonplaats] .17 Ook verbalisant [verbalisant 5] herkende [verdachte] , die hem ambtshalve bekend is.18 Ten slotte heeft verbalisant [verbalisant 6] [verdachte] en [medeverdachte 2] op de beelden herkend. Zij is bij beide verdachten op huisbezoek geweest.19

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de bedoelde camerabeelden van de [naam winkel] van 2 april 2017 op 14 april 2018 ook bekeken en vergeleken met die van de [adres] . Hij zag dat de personen op de camerabeelden van de [naam winkel] een sterke gelijkenis vertoonden met de personen op de beelden van de [straatnaam] . Hij zag bij [medeverdachte 1] de volgende gelijkenissen: dezelfde scheuren in de broek, de dunne baard die vanaf de bakkenbaarden onder de kin loopt, de drie strepen op zijn schoenen van het merk Adidas, de vorm van zijn neus, een slank postuur en krullend donker haar. Bij [medeverdachte 2] constateerde hij als gelijkenissen de rechte neus, het krullende donkere haar tot boven de oren, de stand van de ogen en wenkbrauwen, namelijk licht naar beneden gekanteld, een dun postuur en zijn volgend gedrag. Bij [verdachte] zag hij als gelijkenissen de smalle neus, de afstand tussen de haarlijn en de ogen, de haardracht met de haren in het midden van zijn hoofd gescheiden, zijn lange, slanke postuur en zijn steile halflange donkere haar.20

Bewijsoverwegingen voor feit 2

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde diefstal in vereniging met braak wettig en overtuigend dient te worden bewezen verklaard.

Uit de verklaringen van buurtbewoners volgt dat zij rond 22.45 uur een harde knal hebben gehoord, hetgeen past bij de waargenomen braaksporen waaruit blijkt dat het raam waardoor men naar binnen kon klimmen, ontzet is. Op de camerabeelden van de bewoners van de [adres] zijn korte tijd later, namelijk om 22.49 uur, drie personen, herkend als verdachte en zijn medeverdachten, te zien waarvan er één een dichtgeklapte laptop vasthad, zo is door verbalisant [verbalisant 1] geconstateerd. Kort daarvoor, namelijk om 22.19 en 22.24 uur, zijn dezelfde drie personen in de buurt van de woningen gezien, maar dan zonder laptop. Onder deze omstandigheden moet het er voor gehouden worden dat de laptop die op de beelden te zien is de laptop betreft die uit de woning van aangever is weggenomen. Gelet op het gezamenlijke optreden van de drie verdachten, zoals daarvan uit de diverse camerabeelden blijkt, is ook bewezen dat de diefstal in vereniging is gepleegd. De rechtbank weegt hierin ook mee dat de verdachte (evenmin als zijn twee medeverdachten) een verklaring heeft willen geven over zijn aanwezigheid aldaar op het betreffende tijdstip met en zonder laptop, maar zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, terwijl voornoemde de verdachte bezwarende en voor het bewijs redengevende feiten en omstandigheden wel om een die redengevendheid ontzenuwende verklaring vragen.

De verdediging heeft nog gesteld dat verdachte niet kan worden herkend op de diverse stills in het dossier omdat die voor het kunnen bijdragen aan een herkenning te vaag zijn. Dit verweer snijdt geen hout, reeds omdat de herkenningen niet zijn gevolgd op het bekijken van deze stills maar van de bewegende beelden waarvan deze stills zijn afgeleid.

Bewijsmiddelen voor feit 6 primair en 7 21

Door [D] is namens de onderneming [bedrijfsnaam 1] aangifte gedaan. Op 15 augustus 2017 omstreeks 14.40 uur liep hij door het magazijn van [bedrijfsnaam 1] gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Hij zag daar veel lege dozen van rekenmachines op de grond liggen. De dozen lagen op een andere plek dan waar de rekenmachines normaal liggen. Verderop in het gangpad, op de plaats waar de rekenmachines normaal opgeslagen liggen, zag hij nog veel meer lege dozen van dezelfde rekenmachines liggen. In totaal zijn er 125 rekenmachines weggenomen.22

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij net een bus instapte om naar huis te worden gebracht toen hij achter zich een hoop commotie hoorde. Hij zag een groep van naar hij dacht zes donker getinte jongens met dozen in hun handen weglopen. Hij hoorde de jongens tegen elkaar zeggen: ‘ga, ga, ga, snel, snel, snel’. Hij zag de jongens in de richting van de [straatnaam] lopen en hoorde iemand roepen: ‘ze hebben rekenmachines’. Hij is daarop achter de jongens aangerend. Vermoedelijk zagen de jongens zijn shirt, met een opdruk van [bedrijfsnaam 1] , want hij hoorde één van de jongens zeggen: ‘go, go, go’. De jongens renden naar een kleine grijze personenauto die op de [straatnaam] direct buiten de hekken van [bedrijfsnaam 1] geparkeerd stond. Alle portieren en de achterklep stonden open. De jongens gooiden alle dozen snel in de auto. De meeste jongens sprongen ook in de auto, waarna deze met piepende banden wegreed. De jongens die niet meer in de auto pasten, renden gelijk weg, verder het industrieterrein op, weg van het centrum.23

[slachtoffer 5] , werkzaam als manager bij [bedrijfsnaam 1] , heeft verklaard dat hij van zijn leidinggevende hoorde dat er een diefstal had plaatsgevonden. Hij kreeg van een groepsleidster die in de bus zat een telefoontje dat zij twee personen met een tas bij de [naam eetgelegenheid] had gezien. Een andere groepsleider had een foto van de betreffende personen gemaakt en als bestand verzonden. Hij heeft deze foto ook ontvangen. Hij is met [voornaam van getuige 5] (de rechtbank begrijpt: [getuige 5] ) naar die [naam eetgelegenheid] gereden maar heeft de betreffende personen daar niet zien lopen. Daarna zijn zij naar station Kampen-Zuid gereden. Zij zagen de personen daar ook niet. Toen zij bij het station vandaan reden, zagen zij dat [voornaam van C] (de rechtbank begrijpt: [C] ), een medewerker bij [bedrijfsnaam 1] , aan kwam rijden. Daarop zijn zij toch weer omgekeerd. Toen zij bij het station aankwamen, zag hij twee personen zitten, te weten een jongen met lang zwart haar tot op zijn schouders en een klein rugtasje (persoon 1), en een jongen met een donkere huidskleur en kort gemillimeterd haar (persoon 2). Tussen beide personen stond een grote zwarte sporttas. [slachtoffer 5] heeft de foto bekeken die hem eerder was toegestuurd en hij zag dat de personen op de foto overeenkwamen met de personen die bij het station zaten. Toen hij langs hen liep, zag hij heel duidelijk dat uit de rugzak die naast persoon 1 stond, een rekenmachine stak. Hij herkende de verpakking. [voornaam van C] vroeg aan de jongens of zij hun tassen wilden openmaken. Hij zag dat persoon 1 met een armbeweging naar zijn tas greep, deze snel op zijn rug deed en wegrende. [voornaam van getuige 5] pakte hem vast. [slachtoffer 5] wilde hem ook vastpakken, maar hij zag dat de jongen met zijn rechterarm in zijn richting zwaaide. Hij werd door die beweging in zijn gezicht geraakt. Op dat moment zei de jongen: ‘Mijn neef schiet jou neer’. [slachtoffer 5] schrok en heeft op dat moment afstand genomen. De jongen was behoorlijk agressief, sloeg wild om zich heen en probeerde te ontkomen. [voornaam van C] heeft die grote zwarte sporttas veiliggesteld en de rekenmachines in zijn auto gelegd. Kort daarop kwam de politie aanrijden.24

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij bij het station twee jongens zag die voldeden aan het signalement van de foto die [voornaam van slachtoffer 5] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 5] ) op zijn telefoon had ontvangen. Toen [voornaam van slachtoffer 5] aan de jongen vroeg of hij in de tas mocht kijken, werd de jongen met het langere haar gelijk agressief. Hij sloeg [voornaam van slachtoffer 5] in het gezicht. Collega [voornaam van C] heeft de tas open gemaakt en zij zagen dat er allemaal rekenmachines in zaten. [voornaam van C] heeft de rekenmachines geteld en hij hoorde dat het om 25 rekenmachines ging.25

De twee personen die door de politie op station Kampen Zuid om 16.17 uur zijn aangehouden, betreffen verdachte26 en zijn medeverdachte [medeverdachte 4] .

Verdachte heeft ter zitting van 27 maart 2018 verklaard dat hij bij de eerder bedoelde vestiging van [naam eetgelegenheid] heeft gelopen.27

Bewijsoverwegingen voor feit 6 primair en 7

Op grond van de samenhangende inhoud van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feit 6 primair ten laste gelegde bewezen. Verdachte is, kort na de diefstal, in de buurt van [bedrijfsnaam 1] , namelijk bij de [naam eetgelegenheid] , gezien en heeft ook zelf verklaard dat hij toen en daar heeft gelopen. Een medewerker van [bedrijfsnaam 1] heeft een foto gemaakt van de twee personen die met een tas bij de [naam eetgelegenheid] liepen en de getuigen [slachtoffer 5] en [getuige 5] hebben verklaard dat zij deze personen – naar later bleek: verdachte en [medeverdachte 4] – bij station Kampen Zuid aantroffen. Zij waren in het bezit van 25 rekenmachines die afkomstig waren van [bedrijfsnaam 1] . Nu verdachte zo korte tijd na de diefstal in de buurt van [bedrijfsnaam 1] heeft gelopen en korte tijd daarna op station Kampen-Zuid is aangetroffen in het bezit van 25 (van de 125) bij die diefstal buitgemaakte rekenmachines, acht de rechtbank bewezen dat hij, samen met anderen, de diefstal heeft gepleegd. Dat het door getuige [getuige 4] opgegeven signalement van de twee personen die niet in de auto stapten niet overeenkomt met dat van verdachte, dwingt niet tot een andere conclusie, reeds omdat de signalementen van de overige personen onbekend zijn. Verdachte heeft onder meer jegens [slachtoffer 5] geweld en bedreiging met geweld gebruikt, kennelijk om zijn vlucht mogelijk te maken dan wel het bezit van de rekenmachines veilig te stellen. Ook de onder feit 7 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 5] acht de rechtbank op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 25 april 2017 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung), toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel, zijnde een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en zijn mededader niet zijn gerechtigd;

2.

op 26 maart 2017 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een laptop en 1000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door braak;

6. primair

op 15 augustus 2017 te Kampen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 125 rekenmachines, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van (een deel van) het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- slaan tegen en/of in het gezicht van die [slachtoffer 5] en

- het aan die [slachtoffer 5] toevoegen van de woorden: "mijn neef schiet jou neer";

7.

op 15 augustus 2017 te [vestigingsplaats] , [slachtoffer 5] heeft mishandeld door te slaan tegen en/of in het gezicht van die [slachtoffer 5] .

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2, 6 primair en 7 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 6 primair: diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 7: mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde een rapport opgemaakt door drs. I.W. van der Kooij, GZ-psycholoog onder supervisie van drs. L. Heukelom, GZ-psycholoog, gedateerd op 7 juli 2017.

Uit dit rapport volgt dat verdachte ADHD heeft en dat sprake is van een normoverschrijdend-gedragsstoornis en van ouder-kind relatieproblematiek. Deze problematiek was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en heeft verdachtes gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. Het is namelijk, passend bij de ADHD-stoornis, voorstelbaar dat verdachte de neiging heeft om impulsief (en risicovol) te handelen. Passend bij de normoverschrijdend-gedragsstoornis is sprake van oppositioneel gedrag, het niet gevoelig zijn voor autoriteit, het opzoeken van spanning en grenzen, meer op zichzelf gericht zijn, egocentrisme, het onvoldoende stilstaan bij de gevolgen voor anderen en de neiging tot externaliseren. Het ten laste gelegde kan in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.

De rechtbank is gelet op de conclusies van de deskundigen van oordeel dat het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank gaat ervan uit dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van de overige bewezen verklaarde feiten, zodat zij deze feiten eveneens in verminderde mate aan verdachte zal toerekenen.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een jeugddetentie van 51 dagen met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding door Save.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een werkstraf van tachtig uren wordt opgelegd alsook de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM), die dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte inmiddels meerderjarig is, positieve persoonlijke ontwikkelingen heeft doorgemaakt en dat een strak begeleidingskader, zoals bij de GBM, daarom niet gewenst is. Er is geen aanleiding af te wijken van het advies van de psycholoog. Enige vorm van begeleiding kan door middel van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf worden opgelegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich, samen met een ander of anderen, schuldig gemaakt aan woninginbraken. Woninginbraken maken een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, die zich daardoor veelal niet meer veilig voelen in hun eigen woning. Dergelijke strafbare feiten dragen ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte is aan deze kwalijke gevolgen volledig voorbij gegaan en heeft kennelijk alleen aandacht gehad voor de voordelen die een woninginbraak voor hem zelf zouden opleveren.

Daarnaast heeft verdachte zich, eveneens samen met anderen, schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Verdachte heeft daarmee niet alleen opnieuw getoond het verschil tussen mijn en dijn niet te respecteren, maar ook inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem bovendien de vrees aangejaagd dat hem iets ernstigs zou overkomen.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 13 februari 2018 betreffende verdachte. Daaruit volgt dat verdachte in 2017 tweemaal is veroordeeld voor vermogensdelicten, beide keren tot een (deels) voorwaardelijke straf. Ten tijde van onderhavige bewezen verklaarde feiten liep hij in twee proeftijden, maar dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De proceshouding van de verdachte – integraal ontkennen terwijl de rechtbank zijn strafbare betrokkenheid heeft vastgesteld – levert voor de rechtbank een sterke relativering op van het gewicht van de door de verdediging gestelde positieve ontwikkeling aan de zijde van de verdachte.

In het onder punt 7 van dit vonnis genoemde rapport van psychologisch onderzoek wordt benoemd dat, vanwege de aanwezige kans op herhaling en in het kader van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, behandeling geïndiceerd is, evenals begeleiding van de thuissituatie. Geadviseerd wordt om dit te integreren in een Individuele Traject Begeleiding (ITB) Harde Kern in het kader van bijzondere voorwaarden.

In een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 23 maart 2018 staat dat gebleken is dat verdachte een grote behoefte heeft aan duidelijkheid en aan duidelijke consequenties. Als deze er niet zijn, gaat hij zijn eigen gang en is hij zelfbepalend. De Raad acht, gelet op de gedragsstoornis, de ontkennende houding van verdachte en zijn ouders ten opzichte van de diagnoses en de verdenking van vele forse feiten een gedragsbeïnvloedende maatregel noodzakelijk om verdachte begeleiding, een strak kader en behandeling te kunnen (blijven) bieden. De GBM biedt een strak en sturend kader, strakker dan binnen een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden kan worden gerealiseerd. De mogelijkheid van een time-out binnen de GBM, waarbij de hulpverlening gewoon doorgang kan vinden, is zeer geschikt als duidelijke consequentie in het geval verdachte zich niet aan de afspraken houdt. De Raad is zich ervan bewust dat zij een ander advies uitbrengt dan de psycholoog, maar benoemt dat het advies van de psycholoog gebaseerd is op één verdenking en die van de Raad op zeven. Daarnaast acht de Raad meerdere modules onder een regulier toezicht en begeleiding niet wenselijk. Geadviseerd wordt de GBM voor de duur van twaalf maanden op te leggen en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Naast de GBM kan een onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd als passende reactie op het delictgedrag.

De GBM dient te bestaan uit:

  • -

    jeugdreclasseringsbegeleiding (toezicht en begeleiding) gedurende de tijdsduur van de GBM;

  • -

    begeleiding van [naam stichting] zolang als nodig wordt geacht door de jeugdreclassering en de hulpverlening;

  • -

    scholing en begeleiding bij School2Care, zolang dit verdachtes dagbesteding zal zijn, dan wel scholing bij het ROC of een soortgelijke instelling, tot het behalen van een startkwalificatie;

  • -

    een behandeltraject bij [naam instelling] gedurende de tijdstuur van de GBM, of zolang als nodig is.

Samen Veilig Midden-Nederland (Save) heeft in een rapport van 27 maart 2018 gerapporteerd dat de kans op recidive als hoog wordt ingeschat. De schorsing van de voorlopige hechtenis is gedurende de begeleidingsperiode meermalen opgeheven vanwege het overtreden van de schorsingsvoorwaarden. Verdachte stelt zich vaak zelfbepalend op en heeft een grote behoefte aan structuur, duidelijkheid en begrenzingen. Ook is gebleken dat verdachte bij teveel vrijheid vaak op straat rondhangt met negatieve jongeren die bekend zijn bij de politie. Verdachte lijkt onvoldoende zicht te hebben op de gevolgen van zijn gedrag op de lange termijn en heeft de neiging tot zelfoverschatting waardoor hij de zorgen en ook de risico’s niet ziet. Strakke kaders en intensieve begeleiding, gericht op het delictgedrag, dag- en vrijetijdsbesteding, sociaal netwerk en de opvoedsituatie, zijn nodig om tot positieve veranderingen te kunnen komen. Save conformeert zich geheel aan het advies van de Raad.

De straf en maatregel

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank een jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Een deel van deze jeugddetentie zal zij voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren, en daaraan de bijzondere voorwaarde van toezicht en begeleiding verbinden. Het onvoorwaardelijk deel zal zodanig worden bepaald, dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis niet zijn vrijheidsbeneming meebrengt.

Naast deze vrijheidsbenemende straf acht de rechtbank ook een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van na te melden duur op zijn plaats. Zij heeft in de duur van deze werkstraf verdisconteerd dat de bewezen verklaarde feiten overeenkomstig het gegeven deskundigenadvies voor feit 1 in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Met de deskundigen van de Raad en van Save acht de rechtbank de oplegging van een GBM, bestaande uit de door de Raad genoemde voorwaarden, noodzakelijk. Zowel de ernst en veelvuldigheid van de bewezen verklaarde feiten als het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte vereisen de oplegging van deze maatregel. Verdachte heeft kennelijk een strak kader nodig om zich aan de voorwaarden te houden en enkel de GBM biedt een dergelijk benodigd kader. Dat de psycholoog tot een ander strafadvies komt, staat aan de oplegging van de GBM niet in de weg. De rechtbank weegt hierin mee dat de psycholoog haar rapport heeft geschreven met betrekking tot één ten laste gelegd feit (feit 1) en dat dit rapport bovendien dateert van juli 2017 zodat zij niet het verloop van de voorlopige hechtenis – waarbij verdachte verschillende keren de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden – heeft kunnen betrekken bij het onderbouwen en formuleren van haar advies. De rechtbank zal de GBM dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en de dadelijke uitvoerbaarheid in zijn belang is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van
€ 779,59. Dit bedrag bestaat uit € 504,59 aan materiële schade en € 275,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

Ook [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.668,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. Onder het kopje immateriële schadevergoeding van het schadevergoedingsverzoek is een bedrag van € 568,- opgevoerd maar de omschrijving daarvan behelst misgelopen inkomsten, derhalve materiële schade.

Ten slotte heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij vordert een bedrag van € 400,-. Dit bedrag bestaat uit € 150,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot (hoofdelijke) toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [slachtoffer 2] dient in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze vordering niet is onderbouwd.

10.2

Het standpunt van de verdediging

In verband met de door hem bepleite vrijspraken heeft de raadsman verzocht de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft hij nog aangevoerd dat hij het inhoudelijk niet oneens is met de gevorderde reiskosten en dat hij zich refereert ten aanzien van de gevorderde immateriële schade.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer 1]

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost ‘reiskosten’ ad € 4,59 en de gevorderde immateriële schade ad € 275,- komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 279,54 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 april 2017 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, dat de kosten van nieuwe sloten betreft en geen rechtstreekse schade is, niet-ontvankelijk verklaren.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 279,54, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 april 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met, gelet op de minderjarigheid van verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit, één dag hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

De vordering van [slachtoffer 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de in de vordering opgevoerde schadeposten niet zijn onderbouwd en de vordering door de raadsman is betwist.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De vordering van [slachtoffer 3]

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte van het onder 3 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

11 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 mei 2017 (parketnummer 16/056276-17) is verdachte een taakstraf van dertig uren voorwaardelijk opgelegd. Bij vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank van 9 maart 2017 (parketnummer 16/181755-16) is verdachte een taakstraf van twintig uren, waarvan tien uren voorwaardelijk, opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal de rechtbank de tenuitvoerlegging van beide straffen bevelen.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 3, 4 primair en subsidiair en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 6 primair en 7 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2, 6 primair en 7 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2, 6 primair en 7 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 80 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 30 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa eerste tot en met het vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd zich in het kader van Toezicht en Begeleiding zal melden bij Samen Veilig Midden-Nederland op het adres [adres] te [vestigingsplaats] , en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode, die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd, en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

- waarbij Samen Veilig Midden-Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van 80 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen jeugddetentie;

- legt aan verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van één jaar, bestaande uit:

* jeugdreclasseringsbegeleiding (toezicht en begeleiding) gedurende de tijdsduur van de maatregel;

* begeleiding van [naam stichting] zolang de jeugdreclassering en hulpverlening dat nodig achten;

* scholing en begeleiding bij School2Care zolang dit verdachtes dagbesteding zal zijn dan wel scholing bij het ROC of een soortgelijke instelling, tot het behalen van een startkwalificatie;

* een behandelingstraject bij [naam instelling] gedurende de tijdsduur van de maatregel, of zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;

- beveelt dat, als verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, de maatregel wordt vervangen door zes maanden jeugddetentie;

- beveelt dat de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige dadelijk uitvoerbaar is;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 279,54;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

  • -

    verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
    € 279,54 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met één dag jeugddetentie;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/052676-17

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 23 mei 2017 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/181755-16

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 9 maart 2017 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 10 uren;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Vegter, voorzitter tevens kinderrechter, mrs.
R. Veldhuisen en H. den Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 april 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

(zaak 1)

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren)/geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, zijnde een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet is/zijn gerechtigd;

2.

(zaak 3)

hij in of omstreeks de periode 26 maart 2017 tot en met 27 maart 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een laptop en/of 1000 euro, althans een som geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen laptop en/of geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door braak, verbreking en/of inklimming;

3.

(zaak 4)

hij op of omstreeks 2 april 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan het [adres] weg te nemen goederen en/of geld geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- één of meermalen heeft/hebben aangebeld bij de woning van voornoemd slachtoffer en/of

- ( vervolgens) een steen door het raam van voornoemde woning heeft/hebben gegooid

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. primair

(zaak 5)

hij in of omstreeks periode gelegen tussen 10 maart 2017 en 12 maart 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een woning gelegen aan de [straatnaam] onder andere een laptop en/of een mobiele telefoon (Samsung met daarin een SD-kaart) en/of een spelcomputer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen laptop, mobiele telefoon en/of de spelcomputer onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4. subsidiair

hij op of omstreeks 25 april 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland een goed, te weten een sd kaart heeft verworven, voorhanden gehad, en/of

overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed

wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.

Parketnummer 16-6152977-17

hij op of omstreeks 13 juni 2017 te Almere,althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een goed, te weten een laptop heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6. primair

parketnummer 16-659980-17

hij op of omstreeks 15 augustus 2017 te Kampen, althans in het arrondissement Oost-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 125 rekenmachines, althans één of meer rekenmachine(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- meermalen althans éénmaal slaan tegen en/of in het gezicht van die [slachtoffer 5] en/of

- het aan die [slachtoffer 5] toevoegen van de woorden: "mijn neef schiet jou neer", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;

6. subsidiair

hij op of omstreeks 15 augustus 2017 te Kampen, althans in het arrondissement Oost-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten 25, althans één of meer rekenmachine(s) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

7.

hij op of omstreeks 15 augustus 2017 te Kampen, althans in het arondissement Oost-Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 5] heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal te slaan tegen en/of in het gezicht van die [slachtoffer 5] .

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 31 juli 2017, genummerd 2017123341, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 t/m 27, 100 t/m 128, 200 t/m 226, 300 t/m 326, 400 t/m 432, 1000 t/m 1008, 2000 t/m 2035, 3000 t/m 3004, 4000 t/m 4012, 5000 t/m 5022, 6000 t/m 6023, 7000 t/m 7016. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 2001 t/m 2002.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2004.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 2005 t/m 2006.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 2008, 2009.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 2029.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2016.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2026.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2020.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2025.

11 Proces-verbaal van aangifte, p. 4001 en de bijlage goederen, p. 4003.

12 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 4005 t/m 4006.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 4004.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 4007 t/m 4008.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 5012.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 5015.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 5017.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 5019.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 5022.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 4010 t/m 4012.

21 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 17 augustus 2017, genummerd PL0600-2017380258, opgemaakt door politie eenheid Oost-Nederland, ongenummerd. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

22 Proces-verbaal van aangifte, blad 1 en de bijlage goederen, blad 4.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , blad 1 en 2.

24 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] , blad 1 t/m 4.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , blad 1 t/m 2.

26 Proces-verbaal van aanhouding, blad 1.

27 Verklaring van verdachte ter zitting van 27 maart 2018.