Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1396

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
6328649
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop scooter met financiering, samenhangende overeenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6328649 UC EXPL 17-12361 MEH/1029

Vonnis van 11 april 2018

in de zaak tussen

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder te noemen: [eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. R.Chr. Peteri (advocaat in Den Haag),

en

Santander Consumer Finance Benelux BV,

gevestigd in Utrecht,

verder te noemen: Santander,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman (Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders).

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 december 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 januari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

Eind mei 2014 heeft [eiser] voor € 4.000 een Vespa LX50 scooter gekocht bij [bedrijfsnaam] in [vestigingsplaats] . De koopprijs is gefinancierd door Santander. Bij deze financiering is [bedrijfsnaam] opgetreden als tussenpersoon van Santander.

2.2.

Eind oktober 2014 deelt [eiser] telefonisch aan Santander mee dat hij de koopovereenkomst heeft ontbonden, de scooter heeft teruggegeven en dat hij van de financiering af wil. Omstreeks dit tijdstip heeft [eiser] de creditfactuur van 28 november 2014 van [bedrijfsnaam] aan Santander ter beschikking gesteld.

2.3.

Daarna wordt gecorrespondeerd tussen Santander en [eiser(-s)] toenmalige gemachtigde. Santander twijfelt aan de teruggave van de scooter door [eiser] en de door hem geclaimde mankementen eraan. Zij vraagt [eiser] een vrijwaringsbewijs op te sturen. Dat doet [eiser] niet.

2.4.

In haar brief van 29 januari 2016 ontbindt mr. Peteri de financieringsovereenkomst namens [eiser] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, kort gezegd,

1. voor recht verklaart dat hij met betrekking tot de financieringsovereenkomst ontslagen is van iedere verplichting in de ruimste zin ten opzichte van Santander;

2. Santander veroordeelt tot het betalen van € 330,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, en veroordeelt tot betaling van € 48,03 aan buitengerechtelijke incassokosten;

3. Santander beveelt ervoor te zorgen dat de BKR-registratie binnen 14 dagen na betekening van de dagvaarding door haar ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag.

3.2.

Santander heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing ervan, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak draait in de kern om twee vragen: heeft [eiser] de koopovereenkomst ontbonden, althans is aan die ontbinding uitvoering gegeven en zo ja, welke gevolgen heeft dat voor de financieringsovereenkomst?

4.2.

Santander wijst erop dat het ongeloofwaardig is dat de scooter mankementen vertoonde. In dit licht is ook de manier waarop de koopovereenkomst tot stand is gekomen volgens Santander merkwaardig. In zijn brief van 2 augustus 2015 schrijft [eiser] namelijk dat bij een proefrit bleek dat de scooter niet naar behoren werkte, maar dat hij hem wel heeft gekocht. Deze problemen zouden door [bedrijfsnaam] worden verholpen, maar volgens [eiser] is dat niet gebeurd. Weliswaar zegt [eiser] dat hij de scooter op 10 juni 2014 heeft ingeleverd, maar dat blijkt niet uit een vrijwaringsbewijs. Vanwege het tijdsverloop zegt de creditfactuur van 28 oktober 2014 volgens Santander niets, ook omdat [bedrijfsnaam] op die datum niet eens meer bestond. [bedrijfsnaam] is namelijk failliet gegaan.

Dat er überhaupt mankementen zouden zijn, wordt ook door Santander betwist. Zij wijst op de door [eiser] op 31 mei 2014 ondertekende Afleverbon/Verklaring van levering, waarop is vermeld:

Door ondertekening van de afleverbon verklaart de kredietnemer dat:

- De goederen/werkzaamheden volledig volgens de koopovereenkomst tussen kredietnemer en winkelier zijn uitgevoerd

(…)”

Tot slot voert Santander aan dat [eiser] en [A] (de eigenaar van [bedrijfsnaam] ) voormalige zakenpartners zijn in de vof [naam vennootschap onder firma] . Volgens Santander is geen sprake van een recht-toe-recht-aan koop, maar van een opzetje tussen [eiser] en [A] .

4.3.

[eiser] heeft uitgelegd dat hij op 22 mei 2014 bij [bedrijfsnaam] een scooter wilde kopen. Deze was op dat moment nog niet rijklaar, zodat hij geen proefrit kon maken. Op dezelfde dag heeft hij bij [bedrijfsnaam] een aanvraag voor de kredietovereenkomst gedaan. Deze aanvraag is online bij Santander ingediend. Op 31 mei 2014 werd hij door [bedrijfsnaam] gebeld met de mededeling dat de aanvraag was goedgekeurd en dat de scooter aan het einde van de dag rijklaar zou zijn.

Toen [eiser] bij [bedrijfsnaam] kwam, heeft [A] de scooter gestart en leek alles in orde. [eiser] kreeg de scooter mee, nadat hij de afleverbon had ondertekend. Het was niet mogelijk de scooter bij [bedrijfsnaam] op naam te stellen; dat moest bij winkelier [B] die een afdeling van het postkantoor had, aldus [eiser] . Op weg naar [B] bleek de scooter niet goed te rijden. Volgens [eiser] is hij zonder de scooter over te schrijven teruggegaan naar [bedrijfsnaam] , waar [A] dezelfde problemen waarnam. [A] heeft toen gezegd de gebreken te zullen verhelpen. Toen [eiser] de dinsdag erna terugkwam en een proefrit maakte, bleken de problemen er nog te zijn waarna hij heeft afgezien van de koop en de papieren bij [bedrijfsnaam] heeft achtergelaten.

Dat hij zo laat een creditfactuur aan Santander ter beschikking heeft gesteld, komt doordat hij er steeds van uitging dat [bedrijfsnaam] de kwestie met Santander zou afhandelen.

Ter onderbouwing van zijn standpunten wijst [eiser] op de schriftelijke verklaring van [A] van 30 augustus 2016, waarin onder andere staat:

“(…) Door gebreken aan de scooter is de scooter in overleg met mij (…) geretourneerd. Ik kreeg de scooter helaas niet naar zijn wensen, en na een tweede bezoek van hem zijn we samen tot deze keuze gekomen. (…) Ik vertelde dhr. [eiser] dat ik contact zou zoeken met Santander en dit voor hem zou uitzoeken. Door nalatigheid en omstandigheden rondom mijn winkel heeft dit contact niet plaats gevonden. Mijn winkel stond op het punt van faillissement. Dhr. [eiser] heeft in oktober zelf contact gezocht met Santander en zij vroegen hem om een creditnota. Deze hadden wij niet opgemaakt bij retour en heb ik dit uiteraard vooralsnog gedaan in oktober. (…)”

[eiser] erkent dat hij [A] meer persoonlijk kent. Zijn moeder heeft in 2012 een scooter bij [bedrijfsnaam] gekocht en sindsdien hebben beiden een persoonlijke klik. Volgens [eiser] hadden hij en [A] het plan via de vof een mobiele applicatie te maken, maar is dat niet doorgegaan vanwege een mislukte crowdfunding.

4.4.

Er kunnen vraagtekens gezet worden bij de in de dagvaarding geschetste gang van zaken en Santander doet dat ook. Maar de consistente toelichting van [eiser] tijdens de zitting – die ook in overeenstemming is met zijn correspondentie met Santander – heeft deze twijfels bij de kantonrechter weggenomen. Misschien is [eiser] wat naïef geweest, maar hij heeft een aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij de scooter zonder proefrit heeft gekocht en vanwege de noodzakelijke financiering toen ook de afleverbon heeft ondertekend.

Ook voor de omstandigheid dat hij geen vrijwaringsbewijs heeft overgelegd en dat hij pas laat een creditfactuur aan Santander heeft gegeven, heeft hij een overtuigende verklaring gegeven. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van [eiser(-s)] stellingen en gaat ervan uit dat de koopovereenkomst inderdaad is ontbonden en de scooter door [eiser] is teruggegeven. Dat [eiser] ook los van de koop van de scooter contact heeft gehad met [A] , zegt naar het oordeel van de kantonrechter op zichzelf niet veel.

4.5.

De vraag is of deze ontbinding ertoe leidt dat ook de financieringsovereenkomst ontbonden moet worden. Volgens [eiser] is sprake van samenhangende overeenkomsten en leidt de ontbinding van de koopovereenkomst ook tot ontbinding van de financieringsovereenkomst. Volgens Santander is dat niet het geval.

4.6.

Beoordeeld moet worden of beide overeenkomsten zo sterk met elkaar samenhangen dat ontbinding van de koopovereenkomst tot gevolg heeft dat de financieringsovereenkomst ook niet in stand kan blijven. Of een dergelijke verbondenheid bestaat, moet vastgesteld worden aan de hand van de uitleg van de rechtsverhouding tussen partijen in het licht van alle relevante omstandigheden van het geval (vgl. HR 23 januari 1998, NJ 1999, 97 en HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3162).

4.7.

Van doorslaggevend belang zijn de volgende omstandigheden. De koop- en de financieringsovereenkomst zijn (nagenoeg) gelijktijdig tot stand gekomen. Volgens Santander is de koopovereenkomst op 22 mei 2014 gesloten; dat is in overeenstemming met de verklaring van [eiser] . De financieringsovereenkomst is ook op die datum tot stand gekomen.

De financieringsovereenkomst noemt als partijen zowel [eiser] , Santander als [bedrijfsnaam] . In deze overeenkomst wordt [bedrijfsnaam] meermalen aangeduid als “de bij ons (dat is Santander; toevoeging kantonrechter) aangesloten winkelier of bemiddelaar”. Uit de processtukken en de toelichting door Santander tijdens de zitting blijkt dat [bedrijfsnaam] langere tijd als haar bemiddelaar is opgetreden.

Artikel 1.5 van de op de financieringsovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden geeft een definitie van “gelieerde overeenkomst”:

“(…) een overeenkomst waarbij geldt dat het betreffende krediet uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de levering van een bepaald goed (…) en die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen.”

Verder is in het wat moeilijk geformuleerde artikel 3.16 sub b van de algemene voorwaarden bepaald dat de kredietnemer bij wanprestatie van de verkoper rechten kan inroepen tegen Santander.

Dat de koopovereenkomst een gelieerde overeenkomst in de zin van de algemene voorwaarden is, blijkt wel uit het informatieblad bij de kredietovereenkomst. Bij “soort krediet” is namelijk vermeld:

“Niet-doorlopend krediet; met dit krediet kunt u een aankoop doen bij de hierboven genoemde aangesloten winkelier. (…)”

Het krediet is met andere woorden alleen verstrekt voor de koop van de scooter.

4.8.

Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een zodanige verbondenheid tussen de koopovereenkomst en de financieringsovereenkomst dat [eiser] de wanprestatie aan de kant van [bedrijfsnaam] ook kan tegenwerpen aan Santander. Dat betekent concreet dat de ontbinding van de koopovereenkomst meebrengt dat ook de financieringsovereenkomst ontbonden kan worden. Dat is wat [eiser] met zijn brief van 29 januari 2016 heeft gedaan.

4.9.

Niettemin kan [eiser(-s)] eerste vordering niet worden toegewezen, omdat die veel te ruim geformuleerd is. Het mindere kan wel worden toegewezen, namelijk een verklaring voor recht dat de financieringsovereenkomst op 29 januari 2016 buitengerechtelijk is ontbonden.

4.10.

Deze ontbinding brengt mee dat Santander verplicht is de aflossingen aan [eiser] terug te betalen. In dit verband vordert [eiser] terugbetaling van € 330,20. Dit bedrag is opgebouwd uit vier maandelijkse aflossingen van € 82,55. Santander heeft de juistheid ervan niet betwist, zodat deze vordering kan worden toegewezen.

Ook de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten zijn niet weersproken en zullen worden toegewezen.

4.11.

Ten slotte vordert [eiser] dat Santander de BKR-registratie op straffe van een dwangsom ongedaan moet maken. Hij heeft niet uitgelegd welke registratie hij bedoelt. Vermoedelijk heeft hij hiermee het oog op de A-code (achterstand). Tijdens de zitting is door Santander uitgelegd dat op grond van het nieuwe reglement alleen de Stichting BKR een dergelijke registratie ongedaan kan maken. Santander kan dat niet, maar zij kan wel een daartoe strekkend verzoek bij de Stichting BKR indienen.

[eiser] heeft deze lezing niet betwist. Uit informatie op de website van de Stichting BKR blijkt echter dat de kredietverlener (Santander dus) bevoegd is de gegevens aan te passen, omdat zij degene is die de gegevens bij de Stichting BKR heeft geregistreerd. Pas als de kredietverlener niet bereid is tot aanpassing, kan de consument de Geschillencommissie inschakelen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat Santander wel degelijk in staat is de A-codering van [eiser] op te heffen. De vordering zal op de hierna te vermelden manier worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde dwangsom.

4.12.

Santander zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:

- dagvaarding € 103,10

- griffierecht € 78,00

- salaris gemachtigde € 120,00 (2 punten x tarief € 60,00)

Totaal € 301,10

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat de financieringsovereenkomst tussen [eiser] en Santander op 29 januari 2016 buitengerechtelijk door [eiser] is ontbonden,

5.2.

veroordeelt Santander aan [eiser] te betalen een bedrag van € 330,20, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek vanaf 12 september 2017 tot de dag van gehele voldoening,

5.3.

veroordeelt Santander tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 48,03,

5.4.

veroordeelt Santander de [eiser] betreffende A-code bij de Stichting BKR binnen 14 dagen na dit vonnis te (laten) verwijderen,

5.5.

veroordeelt Santander tot betaling van de proceskosten aan de kant van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 301,10, waarin begrepen een bedrag van € 120,- aan salaris gemachtigde,

5.6.

bepaalt dat Santander een dwangsom verbeurt van € 100,- voor iedere dag dat zij na betekening van het vonnis niet aan het bepaalde in 5.4. voldoet, tot een maximum van € 1.000,- is bereikt,

5.7.

verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.2. tot en met 5.6. uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.