Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1391

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
16/660583-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft – uit onvrede – in zijn cel goederen vernield en vervolgens brand gesticht. Verdachte heeft zichzelf door deze brandstichting in levensgevaar gebracht. Door de brand en rookontwikkeling is ook voor medegedetineerden, die geen kant op konden, en het personeel levensgevaar te duchten geweest. Verdachte heeft aldus gevaar, onrust en angst veroorzaakt. Door het vernielen van de goederen heeft de verdachte daarnaast inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van een ander. De rechtbank veroordeelt de man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Ook zijn er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een behandeling in een tramurale zorginstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/660583-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

uit anderen hoofde gedetineerd te FPK Assen.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. P.E.F. Poppe en van hetgeen de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. F.E. Olberts, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 2 juni 2016 te Almere opzettelijk brand heeft gesticht in een cel van de Penitentiaire Inrichting (PI) Almere door een koelkast, magnetron en/of een televisie op te stapelen en daarover een laken te leggen en deze in brand te steken, waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen te duchten was;

2. op 2 juni 2016 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk een koelkast en/of een magnetron en/of een televisie, toebehorende aan de PI Almere, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde acht de officier van justitie bewezen dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest, alsmede levensgevaar voor anderen door de rookontwikkeling die door de brand was ontstaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat er geen levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten is geweest, zodat verdachte van dat deel van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft onder meer gewezen op de verklaring van de brandweercommandant, inhoudende ‘dat de persoon welke de brand heeft aangestoken een groot risico had aanvaard vanwege de brandveilige inrichting omdat de kans klein was op uitbreiding. Het was vooral een gevaar voor de persoon zelf’.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gemeen gevaar voor goederen en het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Namens de PI Almere is aangifte gedaan van brandstichting, gepleegd door verdachte op

2 juni 2016 in zijn cel ([cel]). 1 Personeel had gezien dat verdachte spullen in zijn cel kapot gegooid had. Bijna twintig minuten later kwam de melding van brand in deze cel. Het personeel dat ter plaatse ging, zag rook uit de cel van verdachte komen. Toen medewerkers de deur van de cel openden, zagen zij dat een koelkast, magnetron en televisie opgestapeld tegen de celdeur waren gezet. Hier zat een laken omheen geknoopt. Deze voorwerpen stonden allemaal in brand. Vier medewerkers hebben rook ingeademd. De koelkast, magnetron en televisie waren volledig vernield.2

Er heeft een sporenonderzoek plaatsgevonden in de betreffende cel. De forensisch onderzoeker heeft geconcludeerd dat verdachte de brand in zijn cel heeft gesticht door de koelkast, magnetron en het beeldscherm op te stapelen, daar een laken bij te brengen en vervolgens het laken aan te steken door middel van het bijbrengen van vuur met behulp van een aansteker. Als de brand niet tijdig zou zijn ontdekt, dan had de brand zich mogelijk uit kunnen breiden naar de houten kast, het houten bureau en het bed, welke goederen zich in de cel bevonden. Door bijkomende rookontwikkeling zou er dan gevaar ontstaan voor koolmonoxidevergiftiging voor medegedetineerden en gevangenispersoneel.3

Verdachte heeft verklaard, zakelijk weergeven, dat hij met de magnetron, de koelkast en de televisie heeft gegooid. Hij heeft de inventaris van de cel kapot gemaakt. Het laken in de cel heeft hij met een aansteker aangestoken. De rookontwikkeling ging snel.4

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen feit 1:

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte brand gesticht heeft in zijn cel en dat daardoor gevaar voor onder meer de goederen in de cel en levensgevaar voor personen te duchten is geweest.

Ten aanzien van het levensgevaar overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dit gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.

In het proces-verbaal sporenonderzoek wordt geconcludeerd dat sprake was van levensgevaar voor anderen, en wel voor medegedetineerden en gevangenispersoneel. Er was sprake van rookontwikkeling. Personeelsleden hebben rook ingeademd en zij moesten onderzocht worden door het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel. Rookontwikkeling vormt, naar de algemene ervaringsregel leert, een gevaar voor de gezondheid met mogelijk fatale gevolgen. Door adequaat ingrijpen van het aanwezige personeel kon de rook zich niet verder ontwikkelen, maar uit het sporenonderzoek volgt dat een verdere rookontwikkeling, en daarmee het levensgevaar voor anderen, voorzienbaar was.

Dat de cel een brandveilige inrichting had, doet aan het gevaar voor personen als gevolg van de rookontwikkeling niet af.

Gelet op het voorgaande en gelet op de eerder genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde brandstichting heeft begaan en dat hierbij gemeen gevaar voor goederen én levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten is geweest.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 2 juni 2016, te Almere, opzettelijk brand heeft gesticht in een cel ([cel]) van de Penitentiaire Inrichting Almere (aan de Caissonweg), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die cel een koelkast, magnetron en een televisie opgestapeld en vervolgens daarover een laken gelegd en deze in brand gestoken, ten gevolge waarvan een koelkast, een magnetron en een televisie gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (overige) inboedel van die cel en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die belendende cel(len) aanwezige perso(o)n(en) en voor in die Penitentiaire Inrichting aanwezig personeel, te duchten was;

2.

op 2 juni 2016, te Almere, opzettelijk en wederrechtelijk een koelkast en een magnetron en een televisie, toebehorende aan de Penitentiaire Inrichting Almere, heeft vernield.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De officier van justitie heeft als uitgangspunt genomen dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden gezien, nu bij verdachte sprake is van een schizofrene stoornis, welke stoornis ongetwijfeld van invloed is geweest op zijn handelen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat in oudere Pro Justitia rapportages die in andere strafzaken omtrent verdachte zijn opgemaakt, is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een schizofrene stoornis. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het bestaan van psychi(atri)sche problematiek bij verdachte, maar nu niet bekend is of en in welke mate de stoornis van invloed is geweest op het handelen van verdachte in deze zaak, ziet de rechtbank in deze oudere rapportages geen reden om de thans bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de inverzekeringstelling, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door GGZ Verslavingszorg Noord is geadviseerd in het advies van 7 november 2017.

Ter onderbouwing van haar eis heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte thans

een ISD-maatregel ondergaat en dat het van belang is voor verdachte – en de maatschappij –

dat de behandeling die hij nu krijgt, wordt voortgezet. Het opleggen van een

onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou die behandeling doorkruisen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de persoonlijke omstandigheden van verdachte uiteengezet en verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De door de officier van justitie geëiste straf is te fors.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft – uit onvrede – in zijn cel goederen vernield en vervolgens brand gesticht. Verdachte heeft zichzelf door deze brandstichting in levensgevaar gebracht. Door de brand en rookontwikkeling is ook voor medegedetineerden, die geen kant op konden, en het personeel levensgevaar te duchten geweest. Verdachte heeft aldus gevaar, onrust en angst veroorzaakt. Door het vernielen van de goederen heeft de verdachte daarnaast inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van een ander.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van GGZ VNN Assen van

7 november 2017. Verdachte verblijft in de FPK Assen in het kader van de extramurale fase van de eerder aan hem opgelegde ISD-maatregel. Verdachte ondergaat daar thans een klinische behandeling en het is wenselijk dat deze behandeling wordt voortgezet.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal deze behandeling op negatieve wijze doorkruisen. Gezien de ernstige psychiatrische- en verslavingsproblematiek is er sprake van een reëel risico voor recidive en gevaar. De reclasseringsinstelling heeft geadviseerd bijzondere voorwaarden aan een (deels) voorwaardelijke straf te verbinden, te weten – kort gezegd – een meldplicht, het ondergaan van een klinische en een ambulante behandeling en daarna, indien geïndiceerd, opname in een instelling voor begeleid of beschermd wonen.

De rechtbank heeft, ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voorts acht geslagen op:

  • -

    oudere rapportages die omtrent de persoon van verdachte zijn opgemaakt en die in het persoonsdossier van verdachte zijn opgenomen;

  • -

    hetgeen de raadsman omtrent de persoon van verdachte ter zitting naar voren heeft gebracht;

  • -

    een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 februari 2018, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet eerder ter zake van brandstichting.

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde

  • -

    op 3 januari 2018 door de politierechter ’s-Hertogenbosch ter zake van ‘poging tot zware mishandeling’ en ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf;

  • -

    op 28 juni 2017 door het gerechtshof Amsterdam ter zake van diefstal is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

De rechtbank neemt tevens in acht dat aan verdachte na de gepleegde brandstichting op 2 juni 2016, te weten op 8 september 2016, een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar is opgelegd.

De aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten maken dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats is. De rechtbank ziet in de voornoemde (persoonlijke) omstandigheden aanleiding een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met daaraan de in het reclasseringsadvies van 7 november 2017 geadviseerde bijzondere voorwaarden – zoals hierna opgenomen in het dictum – passend en geboden.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 63, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd

* zich bij GGZ VNN Assen, gevestigd aan de Overcingellaan 19, 9401 LA te Assen, zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal laten behandelen in de FPK Assen, althans een soortgelijke intramurale zorginstelling voor forensische/psychiatrische zorg (geïndiceerd door het NIFP/IFZ), waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling aan verdachte zullen worden gegeven. De opname duurt 12 maanden of zoveel korter als de leiding van de zorginstelling in overleg met de reclassering dit wenselijk acht;

* zich, indien geïndiceerd, onder ambulante behandeling zal stellen voor zijn psychische problematiek en zijn verslavingsproblemen, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* indien geïndiceerd zal verblijven in een (nader door de reclassering te bepalen) instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.N. Noorman, voorzitter, mrs. R.C.J. Elte-Hamming en V.M.A. Sinnige, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 april 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 2 juni 2016, te Almere, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een cel ([cel]) van de Penitentiaire Inrichting Almere (aan de Caissonweg), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in die cel een koelkast, magnetron en/of een televisie opgestapeld en/of (vervolgens) daarover een laken gelegd en deze in brand gestoken, in elk geval opzettelijk

(open) vuur in aanraking gebracht en/of laten komen met enig in die cel aanwezig brandbaar materiaal, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die cel, een koelkast, een magnetron en/of een televisie geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (overige) inboedel van die cel en/of voor een of meer belendende cel(len) en/of voor de inboedel van die belendende cel(len), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die belendende cel(len) aanwezige perso(o)n(en) en/of voor in die Penitentiaire Inrichting aanwezig personeel, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij, op of omstreeks 2 juni 2016, te Almere, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een koelkast en/of een magnetron en/of een televisie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Penitentiaire Inrichting Almere, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

1 Pagina 18, hetgeen in de aanhef van de pagina staat vermeld bij ‘Feit’, ‘Plaats delict’ en ‘Pleegdatum/tijd’. Pagina 18, de laatste alinea.

2 Pagina 19, alinea’s 3, 5, 7, 10 en 12. Pagina 20, alinea 2.

3 Pagina 36.

4 Pagina 77, de laatste alinea. Pagina 78, alinea’s 5, 6, 7 en 8.