Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1382

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
UTR 17/3763
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1034, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom om geluidsniveaus van artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit niet meer ter overschrijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3763

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: E. Verkaik),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. U.A.E. Arnhold)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [vestigingsplaats] , gemachtigde: ing. J. van Dijk.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder derde-partij gelast om de geluidsniveaus van artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: het Activiteitenbesluit) niet meer te overschrijden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 5.000,-.

Bij besluit van 2 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2018. Eiser [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [A] en [B] . Derde-partij is verschenen bij haar gemachtigde, bijgestaan door haar directeur [C] en zijn vader .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Op 18 maart 2009 heeft eiseres [eiseres] verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen derde-partij wegens overtreding van de geluidsnormen. Bij besluit van 17 juni 2009, gehandhaafd bij besluit van 4 mei 2011, heeft verweerder geweigerd handhavend op te treden, omdat geen sprake was van een overtreding van het Besluit landbouw milieubeheer.

1.2

Eiseres Bolk-van Kooten heeft over de weigering van verweerder om handhavend op te treden geprocedeerd bij de rechtbank Utrecht (reg.nr. SBR 11/2002) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS).

Bij uitspraak van 12 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:865) heeft de ABRS geoordeeld dat de inrichting van derde-partij geen vergunningplichtige inrichting is en dat er geen aanknopingspunten waren voor het oordeel dat de bepalingen uit het Activiteitenbesluit door derde-partij werden overtreden.

1.3

Vervolgens hebben eisers op 14 november 2016 verweerder opnieuw verzocht om handhavend op te treden tegen derde-partij vanwege geluidsoverlast. Naar aanleiding van dit verzoek zijn door verweerder op 5 december 2016 en op 13 december 2016 geluidsmetingen uitgevoerd, waarbij er eenmaal een overschrijding van het maximale geluidsniveau zoals genoemd in het Activiteitenbesluit is geconstateerd. Verweerder heeft vervolgens de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. Verweerder heeft daarbij meegedeeld dat derde-partij overschrijding van de geluidsniveaus kan voorkomen door vóór 06.00 uur geen transportbewegingen van of naar haar inrichting meer te laten plaatsvinden, dan wel ervoor zorg te dragen dat de maximale geluidsniveaus (Lamax) van deze transportbewegingen gedurende de periode tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedraagt van 60 dB(A) en in in- en aanpandige gebouwen niet meer bedraagt dan 45 dB(A).

2. Eisers voeren in beroep aan dat het bedrijf van derde-partij, “gelet op de aard en omvang met de niet-agrarische verkeersbewegingen en activiteiten”, moet worden aangemerkt als een inrichting, type C. Eisers hebben ter zitting gewezen op de door het bedrijf gebruikte machines en de daarmee gepaard gaande vrachtwagenbewegingen en op de op het perceel aanwezige dieren. Verder wijzen eisers in dit verband op de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. De daarin vastgestelde richtafstanden zijn niet gerespecteerd nu een aantal woningen, waaronder de woning van eisers, op zeer korte afstand van het bedrijf van derde-partij is gelegen. Volgens eisers kan het bedrijf gelet hierop geen type B-inrichting zijn. Het bedrijf van derde-partij is volgens eisers dus vergunningplichtig.

3. De rechtbank stelt vast dat de ABRS in de hiervoor vermelde uitspraak van 12 maart 2014 heeft geoordeeld dat het bedrijf van derde-partij geen vergunningplichtige inrichting is. Uit bedoelde uitspraak blijkt dat de ABRS dit oordeel heeft gebaseerd op de bevindingen van verweerder, verkregen uit een controlebezoek op 28 augustus 2013 bij het bedrijf van derde-partij. De rechtbank is van oordeel dat door eisers geen argumenten naar voren zijn gebracht die tot de conclusie zouden moeten leiden dat dit oordeel van de ABRS niet (langer) kan worden gevolgd. Het enkel stellen van eisers dat het bedrijf van derde-partij, gelet op de aard en omvang daarvan, een inrichting, type C is, is daartoe onvoldoende. De rechtbank wordt in dit oordeel bovendien gesteund door de bevindingen van [A] , werkzaam bij de gemeente Lopik, zoals neergelegd in het rapport van 25 maart 2015. Uit dit rapport blijkt dat [A] het bedrijf van derde-partij op 13 maart 2015 voor een reguliere controle heeft bezocht. In het kader van dat onderzoek is de inrichting van derde-partij getoetst aan het Activiteitenbesluit waarbij (opnieuw) is geconcludeerd dat het bedrijf een inrichting, type B, is en onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt. De omstandigheid dat op het perceel van derde-partij dieren worden gehouden, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank maakt die activiteit geen deel uit van de inrichting. Ter zitting heeft derde-partij immers gesteld dat het gaat om ongeveer 10 koeien die worden gehouden voor hobbymatig gebruik door een familielid van derde-partij. Eisers hebben dit niet weersproken.

Dat er woningen op korte afstand van het bedrijf van derde-partij liggen, wat daar ook van zij, maakt evenmin dat het bedrijf van derde-partij vergunningplichtig is. Die omstandigheid is gelet op de criteria om de inrichting als vergunningplichtig aan te merken niet relevant. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de richtafstanden uit de VNG-brochure slechts indicatief zijn en een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke (bestemmings)planvorming. Nu in het onderhavige geval van ruimtelijke planvorming geen sprake is, kan het beroep van eisers op de VNG-brochure ook om die reden niet slagen. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eisers voeren verder aan dat het bepaalde in artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is bij het bedrijf van derde-partij. Volgens eisers is het bepaalde in het eerste lid van artikel 2.17 van toepassing en geldt er een nachtperiode van 23.00 uur tot 7.00 uur.

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt onder agrarische activiteiten verstaan het geheel van activiteiten dat betrekking heeft op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden, daaronder mede begrepen agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.

Artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit luidt als volgt:

Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:

a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

07:00–19:00 uur

19:00–23:00 uur

23:00–07:00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Artikel 2.17, vijfde lid, onder b, van het Activiteitenbesluit luidt:

In afwijking van het eerste, tweede en derde lid geldt voor een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, dat:

a. …

b. voor het maximaal geluidsniveau (Lamax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, de niveaus op de plaatsen en tijdstippen, genoemd in tabel 2.17f, niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

06:00–19:00 uur

19:00–22:00 uur

22:00–06:00 uur

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

6. Nu sprake is van een inrichting, type B, is bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van geluidbelasting, veroorzaakt door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, het bepaalde in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Artikel 2.16b van het Activiteitenbesluit bepaalt immers dat afdeling 2.8, waaronder artikel 2.17 valt, van toepassing is op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de beoordeling van het maximale geluidsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, terecht heeft beoordeeld aan de hand van artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit en de in tabel 2.17f aangegeven waarden.

De rechtbank overweegt daartoe dat zij reeds in de tussenuitspraak van 8 augustus 2012 in de hiervoor onder 1.2 genoemde zaak (geregistreerd onder SBR 11/2002) heeft geoordeeld, dat de inrichting van derde-partij is aan te merken als een agrarisch gemechaniseerd loonbedrijf als bedoeld in het Besluit landbouw milieubeheer. Dit Besluit is weliswaar met ingang van 1 januari 2013 vervallen en per die datum vervangen door het Activiteitenbesluit, maar in laatstgenoemd besluit is per 1 april 2013 bepaald dat onder het begrip ‘agrarische activiteiten’ mede wordt begrepen agrarisch gemechaniseerd loonwerk, zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.

Uit de Nota van Toelichting bij Staatsblad 2014, 20 (Wijziging Activiteitenbesluit) blijkt dat de uitbreiding van het begrip ‘agrarische activiteiten’ met activiteiten die door de agrarische gemechaniseerde loonbedrijven worden verricht, tot doel heeft gehad de onduidelijkheid weg te nemen die is ontstaan over de interpretatie van het begrip ‘inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht’ in artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit. Het was, zo blijkt uit de Nota van Toelichting, uitdrukkelijk de bedoeling dat het geluidsregime voor deze inrichtingen, zoals dat ook in het voormalige Besluit landbouw milieubeheer het geval was, eveneens van toepassing zou zijn op inrichtingen die deel uitmaken van een bedrijf waar agrarisch gemechaniseerd loonwerk wordt verricht. De aanvulling ‘agrarisch gemechaniseerd loonwerk’, zoals cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet en soortgelijke dienstverlening, in de begripsomschrijving van agrarische activiteiten is daarbij ontleend aan de begripsomschrijving zoals die was opgenomen in het Besluit landbouw milieubeheer.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inrichting van derde-partij ook onder het Activiteitenbesluit is aan te merken als een agrarisch gemechaniseerd loonbedrijf. Daarbij betrekt de rechtbank hetgeen derde-partij ter zitting heeft verklaard met betrekking tot de aard van de door haar verrichte werkzaamheden en activiteiten. Het betoog van eisers slaagt niet.

8. Eisers voeren ten slotte aan dat de inrichting van derde-partij ook in de dagperiode niet voldoet aan de in het Activiteitenbesluit aangegeven waarden. Eisers wijzen in dat verband op het meetverslag, waaruit naar hun mening blijkt dat ter plaatse van de woning aan de [adres] een geluidmeting is gedaan van 80 dB(A). Eisers zijn dan ook van mening dat de opgelegde last onder dwangsom niet ver genoeg reikt en ook dient te gelden ten aanzien van overschrijdingen van het toegestane geluidsniveau gedurende de dagperiode.

9. De rechtbank is van oordeel dat het meetverslag onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het op grond van het Activiteitenbesluit toegestane geluidniveau wordt overschreden en dat dus sprake is van een overtreding waarop een last onder dwangsom kan worden gebaseerd. De rechtbank betrekt daarbij dat [B] ter zitting heeft toegelicht dat het door eisers gestelde geluidniveau van 80 dB(A) niet het gemeten geluidniveau betreft ter plaatse van de woning aan de [adres] maar slechts een indicatieve geluidberekening. De resultaten van die indicatieve berekening zijn niet van dien aard dat verweerder daaruit een overtreding van het toegestane geluidsniveau kan destilleren. Eisers hebben deze toelichting onvoldoende betwist. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande in wat eisers aanvoeren geen grond voor het oordeel dat verweerder het handhavingsverzoek te beperkt heeft opgevat. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat het handhavingsverzoek van eisers ziet op vermeende overtredingen vóór 7 uur in de ochtend. De beroepsgrond slaagt niet. Overigens heeft derde-partij toegelicht dat zij een tijdelijke locatie heeft gehuurd om vóór 7 uur in de ochtend te kunnen vertrekken als dat aan de orde is en dat zij bezig is met het zoeken naar een duurzame oplossing.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en

mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.