Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1200

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
16/706061-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 35-jarige man uit Marokko is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf voor het doodsteken van een asielzoeker. De verdachte, zelf ook asielzoeker, stak begin mei 2017 het slachtoffer dood voor een opvanglocatie voor vluchtelingen in Utrecht.

Het 18-jarige slachtoffer en de verdachte kregen in de opvanglocatie ruzie. Eénmaal buiten zocht de 35-jarige man opnieuw de confrontatie op waarbij hij het slachtoffer in zijn rug heeft gestoken en er daarna rennend vandoor ging. Van noodweer is geen sprake, zo oordeelt de rechtbank. Het was de verdachte die buiten opnieuw de confrontatie opzocht en met grote kracht in het lichaam van het slachtoffer heeft gestoken.

De rechtbank rekent het de man zwaar aan dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen. Na het steekincident is de man naar het buitenland gevlucht. Ook op zitting heeft hij weinig berouw getoond. Alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur doet recht aan de ernst van het feit en het leed dat door de man is aangericht. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het blanco strafblad van de man en is gekeken naar soortgelijke zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/706061-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],

gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en mr. Bouchikhi, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 3 mei 2017 te Utrecht opzettelijk, al dan niet met voorbedachte raad, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van de impliciet primair ten laste gelegde moord, nu er onvoldoende bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’. De officier van justitie acht het impliciet subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, nu er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Daarnaast kan ten aanzien van de impliciet primair ten laste gelegde moord de voorbedachte raad van verdachte niet worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 3 mei 2017 hoorde verbalisant van een steekincident aan de [adres] te Utrecht. Ter plaatse zag verbalisant het slachtoffer op de grond liggen. Verbalisant voelde en zag geen ademhaling.2

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in gevecht is geraakt met [slachtoffer]. Hij heeft onder meer verklaard dat hij toen hij het mes in handen had, in een andere wereld raakte. Hij hoorde [slachtoffer] “au” schreeuwen, waarna [slachtoffer] op de grond viel.3

Op 6 maart 2018 is getuige [getuige 1] gehoord bij de rechter-commissaris. Hij verklaart onder meer het volgende.

Op 3 mei 2017 zag ik dat iemand rennend naar [slachtoffer] (verder: het slachtoffer) toekwam. [slachtoffer] liep met een fiets.4 Die iemand, [verdachte], maakte met iets een beweging.5

Op 13 maart 2018 is getuige [getuige 2] gehoord bij de rechter-commissaris. Hij verklaart onder meer het volgende.

U zegt mij dat het gaat om de gebeurtenissen bij [locatie] op 3 mei 2017. Ik zag dat die Marokkaanse man, verdachte, de Eritrese man met de fiets tegen een muur aan duwde. Ik zag duwen en trekken, een soort conflict. De Eritrese man wilde zich losrukken.6 De Marokkaan ging er vandoor. Toen ik hem zag rennen, zag ik een mes in zijn linker hand.7

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is het navolgende gebleken.8

Aan de rug werd links een scherprandige huidperforatie (steekletsel) vastgesteld, met bloeduitstorting aan de wondranden, die bij leven was ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld, zoals opgeleverd kan worden door bijvoorbeeld een mes. Dit letsel ging gepaard met een onderliggend steekkanaal met perforatie van onder andere de linkerborstholte, de linkerlong en de grote lichaamsslagader, hetgeen doorgaans gepaard gaat met substantieel bloedverlies en longfunctiestoornissen van de linkerlong. Het intreden van de dood wordt verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van doorgemaakt substantieel bloedverlies en functiestoornissen van de linkerlong (en secundair van overige organen).9 In relatie tot het letsel was er een steekkanaal van achter naar voren aan het lichaam, van links naar rechts, schuin, voetwaarts en voorwaarts door: de huid aan de rug, de rugspieren, de zevende rib over een lengte van circa 3,5 centimeter, het borstvlies, de bovenkwam van de linkerlong met één doorsteek en de aorta over een lengte van 2 centimeter. De minimale steekkanaaldiepte was circa 7 centimeter.10

Conclusie: bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], wordt het intreden van de dood verklaard door gevolgen van een steekletsel aan de rug links.11

Voorbedachte raad

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte voorbedachte rade had op de dood van het slachtoffer en zal verdachte van dat deel van de tenlastelegging partieel vrijspreken.

Opzet op de dood

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van een messteek in zijn rug. Gelet op de ernst van het letsel – zoals de klieving van een rib – en de diepte van het steekletsel van minimaal 7 centimeter, stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer met kracht in zijn rug moet zijn gestoken. Vanwege de aard en plaats van het letsel kan dit niet anders dan door verdachte zijn toegebracht tijdens zijn confrontatie met het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat de gedraging van verdachte, in het bijzonder gelet op de kennelijke kracht waarmee verdachte het slachtoffer in zijn rug heeft gestoken, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk dat het slachtoffer zou overlijden als gevolg van een krachtige messteek in de

rug. De impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 3 mei 2017 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] met een mes in de rug gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

6.1

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweer. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Daartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

Het slachtoffer zou zich binnen in [locatie] agressief hebben gedragen tegen verdachte. Ook zou het slachtoffer binnen in [locatie] verdachte hebben bedreigd met een mes. Deze gedragingen heeft het slachtoffer voortgezet op het moment dat hij buiten [locatie] met een mes op verdachte afliep. Verdachte heeft vervolgens gereageerd op deze wederrechtelijke aanranding met een mes. Onder deze omstandigheden is er sprake geweest van een noodweersituatie waarin verdachte zich tegen het dreigende gevaar moest verweren, althans verontschuldigbaar gedwaald heeft bij de beoordeling van dit dreigende gevaar.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen beroep op (putatief) noodweer toekomt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Binnen in [locatie] heeft een woordenwisseling plaatsgevonden tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte beweert dat het slachtoffer gedurende deze woordenwisseling in het Nederlands heeft gezegd dat hij verdachte zou ‘afmaken’. Tevens zou op dit moment 10 centimeter van een mes boven de broek van het slachtoffer uit hebben gestoken. Getuige [getuige 3], die aanwezig was bij deze woordenwisseling, onderschrijft de verklaring van verdachte echter niet. Zij heeft het woord ‘afmaken’ niet gehoord. Dit zou haar moeten hebben opgevallen, aangezien specifiek dit woord in het Nederlands zou zijn uitgesproken door het slachtoffer. Evenmin heeft zij een mes gezien bij het slachtoffer. De beweringen van verdachte dat het slachtoffer hem zou hebben bedreigd en een mes bij zich zou dragen, vindt in het dossier dus geen enkele steun.

Verdachte is vervolgens naar buiten gegaan, alwaar hij een sigaret is gaan roken met getuigen [getuige 2] en [getuige 4]. Hierna is het slachtoffer naar buiten gekomen, heeft zijn fiets gepakt en is hiermee weggelopen. Uit getuigenverklaringen volgt dat het verdachte is geweest die vervolgens de – voor het slachtoffer dodelijke – confrontatie heeft opgezocht. Geen van de getuigenverklaringen biedt steun voor de verklaringen van verdachte dat het slachtoffer op hem is afgelopen met een mes in zijn hand. De rechtbank merkt in dit verband op dat verdachte niet consequent verklaart over de aanleiding en feitelijkheden van de confrontatie met het slachtoffer.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Evenmin leveren de hierboven genoemde feiten en omstandigheden een situatie op waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat deze noodzaak bestond.

Het beroep op (putatief) noodweer wordt verworpen.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Doodslag.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1.

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota subsidiair aangevoerd dat er sprake was van noodweerexces nu verdachte als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, in belangrijke mate veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding, verontschuldigbaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

7.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen beroep op noodweerexces toekomt.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Onder 6.3. heeft de rechtbank overwogen dat naar haar oordeel nimmer van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor sprake is geweest. Reeds om die reden kan het beroep op noodweerexces niet slagen.

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat het slachtoffer de agressor was. Verdachte wordt juist omschreven als een vriendelijke man. Daarnaast is verdachte in de 15 jaren dat hij in Nederland woont niet eerder met politie of justitie in aanraking geweest. Hij is dus een first offender. Ook was verdachte bezig met een vreemdelingenprocedure tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Een veroordeling zou funest zijn voor deze procedure. Tenslotte heeft de raadsman verwezen naar zaken waarin voor doodslag lagere straffen worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. De verdachte heeft van het slachtoffer het kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Daarnaast is de nabestaanden een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Dit is ter terechtzitting naar voren gekomen in de schriftelijke slachtofferverklaring van de zus van het slachtoffer. Zij geeft aan dat zij, en met haar haar familie, gebukt gaan onder diepe rouw en depressies. Elke dag en nacht is zij bezig met de dood van haar broer. Daarnaast brengen feiten als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit. Alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur kan recht doen aan de ernst van het feit en het leed dat door verdachte is aangericht. Ook betrekt de rechtbank in haar overweging dat verdachte, blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 februari 2018, niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt voorts in het nadeel van verdachte rekening met de volgende omstandigheden. Verdachte is vier maanden op de vlucht geweest in het buitenland na het steekincident. Deze vlucht geeft er blijk van dat verdachte weinig verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Ook ter zitting heeft verdachte weinig berouw getoond voor de situatie die hij met zijn handelen heeft veroorzaakt. De rechtbank betrekt in strafverzwarende zin ook de jonge leeftijd van het slachtoffer. Op het moment van overlijden had het slachtoffer slechts de leeftijd van 18 jaren bereikt.

Gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de straf die door de officier van justitie is gevorderd. Op grond van alle hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend en geboden.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het impliciet primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. E.J. van Rijssen en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van A.W. van Wijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 april 2018.

Mr. C. van de Lustgraaf is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 mei 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en/of met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, mimers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht) in de rug, althans het lichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 15 november 2017, genummerd MD4R017055, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 607. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van 3 mei 2017, pagina 18.

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 maart 2018.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 6 maart 2018, pagina 1.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 6 maart 2018, pagina 2.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 13 maart 2018, pagina 3.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 13 maart 2018, pagina 4.

8 Rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet natuurlijke dood van 15 mei 2017, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 555.

9 Rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet natuurlijke dood van 15 mei 2017, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 556.

10 Rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet natuurlijke dood van 15 mei 2017, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 564.

11 Rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet natuurlijke dood van 15 mei 2017, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 557.