Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1198

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
6597537 UE VERZ 18-35 en 6683796 UE VERZ 18-87 JH/1050
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van werknemer tot vernietiging van ontslag op staande voet. Het besluit om werknemer te ontslaan is niet genomen door een daartoe bevoegde bestuurder van de werkgever. Werkgever kent thans geen rechtsgeldig bestuur. In de benoeming van een bestuur kan niet anders worden voorzien dan door benoeming door de rechtbank in de zin van artikel 2:299 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0427
Prg. 2018/143
JONDR 2018/514
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummers: 6597537 UE VERZ 18-35 en 6683796 UE VERZ 18-87 JH/1050

Beschikking van 28 maart 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij in de zaak met zaaknummer 6597537 UE VERZ 18-35,

verwerende partij in de zaak met zaaknummer 6683796 UE VERZ 18-87,

gemachtigde: mr. S.H.O. Aben,

tegen:

de stichting

[verwerende partij] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verwerende partij] ,

verwerende partij in de zaak met zaaknummer 6597537 UE VERZ 18-35,

verzoekende partij in de zaak met zaaknummer 6683796 UE VERZ 18-87,

gemachtigde: mr. G.W. Boogaard.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer 6597537 UE VERZ 18-35 blijkt uit het verzoekschrift van [verzoeker] tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet, tevens houdende incidentele vorderingen, het door [verwerende partij] ingediende verweerschrift, en de door mr. Aben bij faxbericht van 6 maart 2018 nagezonden producties.

1.2.

Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer 6683796 UE VERZ 18-87 blijkt uit het verzoekschrift van [verwerende partij] strekkende tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] , en het door [verzoeker] ingediende verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek (primair) tot toelating van werk.

1.3.

Voormelde verzoeken zijn gelijktijdig behandeld op de mondelinge behandeling van 6 maart 2018. [verzoeker] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [verwerende partij] waren aanwezig de heer [A] en de heer [B] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.4.

Hierna is in beide zaken uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 1 februari 2015 bij [verwerende partij] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de functie van (meewerkend) bedrijfsleider. De arbeidsovereenkomst geldt inmiddels als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten brutoloon van [verzoeker] bedraagt € 3.522,10 per maand exclusief emolumenten.

2.2.

[verwerende partij] betreft een stichting die zich bezig houdt met het verkopen van tweedehands goederen van particulieren. [verwerende partij] is opgericht op 3 juli 1992 onder gelijktijdige benoeming van een vijftal bestuursleden, waaronder [A] .

2.3.

In de statuten van [verwerende partij] staat onder meer het volgende:

Artikel 2

1. Het algemeen bestuur bestaat uit tenminste vijf personen en wordt voor de eerste maal bij deze akte benoemd.(…)

Artikel 4

  1. Bestuursleden worden voor de tijd van drie jaar benoemd met uitzondering van de coördinator van het verkoopteam. Zij zijn terstond eenmaal hernoembaar. (…) Periodiek afgetreden bestuursleden blijven voor maximaal zes maanden in functie zolang in hun opvolging niet is voorzien.

  2. Is een vacature ontstaan dan wordt daarin door het algemeen bestuur ten spoedigste voorzien (…)Voldoet het bestuur niet aan deze verplichting dan kan de rechtbank in de vervulling van een open plaats voorzien conform het gestelde in artikel 299 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. (…)

Artikel 5

1. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt:

a. door periodieke aftreding, onverminderd het daaromtrent in artikel 4 lid 1 gestelde. (…)”

2.4.

[A] staat vanaf de oprichting van [verwerende partij] tot heden onafgebroken als bestuurder ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op 7 oktober 2016 was [A] de enig ingeschreven bestuurder van [verwerende partij] . Met ingang van 21 november 2017 heeft [A] [B] benoemd als bestuurder. Op 30 november 2017 zijn nog drie andere bestuurders benoemd.

2.5.

Bij brief van 17 november 2017 is [verzoeker] door [A] aangesproken op zijn functioneren. Op diezelfde datum heeft [verzoeker] [A] een brief toegezonden waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“Uit de statuten is gebleken dat u geen rechtsgeldig lid van het bestuur bent. Omdat conform de statuten het naar 6 jaar niet mogelijk is het lidmaatschap van het bestuur te continueren. Moet ik constateren dat u al geruime tijd niet meer als bestuurslid aangemerkt kan worden. Op dit moment kent [verwerende partij] geen rechtsgeldig bestuur.”

2.6.

Bij brief van 24 november 2017 heeft [B] [verzoeker] op staande voet ontslagen. In deze brief staat onder meer het volgende:

“Met dit schrijven beëindig ik met onmiddellijke ingang Uw dienstverband met [verwerende partij] . Bestuursbesluit van 24-11-2017 om 16.46.

De reden is valsheid in geschrifte bij Uw inschrijving in de K.v.K. te Arnhem op 19 mei 2017, waarbij U een inschrijving hebt gedaan met een handtekening die niet aan de eisen van de K.v.K. voldeed. U hebt ter plekken de inschrijving niet kunnen bekrachtigen met een “natte handtekening” omdat [A] toen langdurig was opgenomen in het ziekenhuis te Utrecht. Dit misbruik van zijn handtekening beschouw ik valsheid in geschrifte. Er is nu geen enkele basis of vertrouwen meer om het dienstverband op welke manier dan ook met U te continueren.”

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair [verwerende partij] te veroordelen tot toelating van [verzoeker] op de werkvloer, op straffe van een dwangsom, alsmede betaling van wettelijke rente over kosten. [verzoeker] verzoekt subsidiair veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van de transitievergoeding, een billijke vergoeding, een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, alsmede buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Zowel primair als subsidiair verzoekt [verzoeker] voorts [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten belope van de advocaatkosten, alsmede vergoeding van de proceskosten.

[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift eveneens verzocht om op de voet van artikel 223 Rv voor de duur van de procedure een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft hij ter zitting ingetrokken.

3.2.

[verwerende partij] heeft een verzoek ingediend tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] , voor het geval komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet door het op 24 november 2017 gegeven ontslag op staande voet is geëindigd. Primair verzoekt zij, zo begrijpt de kantonrechter, ontbinding op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW wegens verwijtbaar handelen. Subsidiair verzoekt zij ontbinding op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

3.3.

[verzoeker] verzoekt primair het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen en hem toe te laten tot het werk, op straffe van een dwangsom. Subsidiair verzoekt hij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW, met nevenverzoeken.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding eerst het verzoek van [verwerende partij] tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst te beoordelen en vervolgens het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet.

Het verzoek van [verwerende partij]

4.2.

De kantonrechter stelt vast dat de statuten van De Stichting specifieke bepalingen bevatten omtrent de benoeming, de herbenoeming en het einde van het lidmaatschap van bestuurders. Artikel 4 lid 1 van de statuten bepaalt dat bestuursleden worden benoemd voor een periode van drie jaar en éénmaal hernoembaar zijn voor eenzelfde periode. De duur van de benoeming is dus gemaximeerd tot zes jaar, met een uitloop van maximaal zes maanden indien nog niet in de opvolging van de bestuursleden is voorzien. Artikel 5 lid 1 van de statuten vermeldt bovendien dat het lidmaatschap van een bestuurslid eindigt door periodiek aftreden. De kantonrechter acht hiermee voldoende komen vast te staan dat het bestuurslidmaatschap na zes jaar en een mogelijke uitloop van zes maanden van rechtswege eindigt.

4.3.

Niet weersproken is dat de benoemingstermijn van [A] al vele jaren is geëxpireerd. Dat hij zich desondanks is blijven gedragen als bestuurder en zich niet bij de Kamer van Koophandel als bestuurder heeft uitgeschreven, maakt niet dat hij nog steeds de bevoegdheden heeft van bestuurder van [verwerende partij] . Dit leidt ertoe dat de besluiten die zijn genomen door [A] vanaf het moment dat hij geen bestuurslid meer was, nietig zijn. Dit geldt derhalve eveneens voor het besluit van [A] tot benoeming van de nieuwe bestuursleden, onder wie [B] . De conclusie is dan ook dat [verwerende partij] thans geen rechtsgeldig bestuur kent. In de benoeming van een bestuur in een situatie als deze kan niet anders worden voorzien dan door benoeming door de rechtbank in de zin van artikel 2:299 BW.

4.4.

Nu [A] en [B] geen bestuurders zijn van [verwerende partij] , zijn zij, noch hun gemachtigde, bevoegd om namens [verwerende partij] een (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen. De kantonrechter zal het verzoek dan ook niet-ontvankelijk

verklaren.

Het verzoek van [verzoeker]

4.5.

verzoekt primair toelating tot zijn werkplek en stelt hiertoe dat er geen rechtsgeldig bestuursbesluit aan het ontslag op staande voet ten grondslag ligt. Er is volgens [verzoeker] ook geen sprake van een dringende reden die het gegeven ontslag op staande voet zou rechtvaardigen.

4.6.

[A] , [B] en mr. Boogaard hebben weliswaar verweer gevoerd tegen de verzoeken van [verzoeker] , maar dit verweer kan niet als verweer van [verwerende partij] worden aangemerkt omdat zij niet bevoegd zijn [verwerende partij] te vertegenwoordigen.

4.7.

De kantonrechter stelt vast dat het besluit om [verzoeker] op staande voet te ontslaan niet is genomen door een daartoe bevoegde bestuurder van [verwerende partij] . Het ontslagbesluit is dan ook een niet rechtsgeldig besluit geweest. Het besluit is nietig en de arbeidsovereenkomst is na 24 november 2017 blijven bestaan. Het verzoek van [verzoeker] tot toelating op de werkplek is derhalve toewijsbaar. De daaraan gekoppelde dwangsom wordt afgewezen, nu de kantonrechter ervan uitgaat dat [verwerende partij] in goed overleg met [verzoeker] ook zonder dwangsom aan de veroordeling zal voldoen.

Het verzoek van [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente over kosten die samenhangen met de wedertewerkstelling wordt, als onvoldoende onderbouwd, afgewezen.

4.8.

Omdat [verwerende partij] in de procedure met zaaknummer 6597537 UE VERZ 18-35 is veroordeelt tot toelating van [verzoeker] tot de werkvloer, heeft [verzoeker] bij een gelijkluidende veroordeling in de procedure met zaaknummer 6683796 UE VERZ 18-87 geen belang meer.

4.9.

[verzoeker] heeft (in de hoofdzaak) niet verzocht om veroordeling van [verwerende partij] tot doorbetaling van loon. Gelet op de nietigheid van het ontslag op staande voet, is De Stichting evenwel ook na 24 november 2017 gehouden het overeengekomen loon aan [verzoeker] te betalen.

Proceskosten

4.10.

[verwerende partij] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van beide procedures. In de procedure met zaaknummer 6597537 UE VERZ 18-35 worden de kosten aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 1.076,--, bestaande uit € 476,-- aan griffierecht en € 600,-- aan salaris gemachtigde. In de procedure met zaaknummer 6683796 UE VERZ 18-87 worden de kosten aan de zijde van [verzoeker] , gelet op de samenhang van de procedures, begroot op € 400,-- aan salaris gemachtigde.

In het door [verzoeker] gestelde ziet de kantonrechter geen aanleiding om [verwerende partij] te veroordelen tot vergoeding van de door [verzoeker] werkelijk gemaakte advocaatkosten. Uitgangspunt is dat de proceskosten op basis van het liquidatietarief worden vergoed. Daarvan kan worden afgeweken in uitzonderlijke gevallen, namelijk indien een partij misbruik van recht, althans misbruik van een processuele bevoegdheid heeft gemaakt of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld. Het feit dat partijen van mening verschillen over de rechtmatigheid van een ontslagbesluit is niet aan te merken als een uitzonderlijk geval zoals hiervoor bedoeld. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als na te melden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In de zaak met zaaknummer 6597537 UE VERZ 18-35

5.1.

veroordeelt [verwerende partij] tot toelating van [verzoeker] tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;

5.2.

veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 1.076,--, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte;

In de zaak met zaaknummer 6683796 UE VERZ 18-87

5.5.

verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;

5.6.

wijst het tegenverzoek van [verzoeker] af;

5.7.

veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400,--, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

5.8.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.