Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1197

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
5420693 / MC EXPL 16-11259
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2018:1182
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mag werkgever boete in het kader van rij- en rusttijdenregelingen verhalen op werknemer/chauffeur ? Vordering werkgever afgewezen. Artikel 7:661 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0441
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 28 maart 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5420693 / MC EXPL 16-11259 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
START PEOPLE B.V.,
gevestigd te Almere,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie, hierna ook te noemen: Start People,
gemachtigde LAVG Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. M.G. van Westrenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 januari 2018

  • -

    de akte van Start People

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] .

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 17 januari 2018.

2.2.

Bij het tussenvonnis van 17 januari 2018 is Start People in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat [bedrijfsnaam 1] de factuur van [bedrijfsnaam 2] van 29 april 2015 heeft voldaan, dat [bedrijfsnaam 1] deze betaling heeft doorbelast aan Start People en dat Start People dit bedrag vervolgens aan [bedrijfsnaam 1] heeft voldaan.

2.3.

Bij akte heeft Start People schriftelijke bescheiden in het geding gebracht. Anders dan [gedaagde] bij antwoordakte heeft aangevoerd, volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit die bescheiden dat [bedrijfsnaam 1] de factuur van 29 april 2015 terzake van de doorbelaste boete van € 2.680,-- (inclusief € 160,-- aan dossierkosten) op 10 juni 2015 heeft betaald aan [bedrijfsnaam 2] BVBA. Verder heeft Start People een factuur van [bedrijfsnaam 1] d.d. 5 juni 2015 gericht aan Start People in het geding gebracht waarin zij de boete alsmede de dossierkosten bij Start People in rekening brengt. Blijkens een verklaring van ING Bank d.d. 26 januari 2018 heeft Start People daarna het bedrag aan [bedrijfsnaam 1] voldaan. Dit volgt ook uit een bankafschrift van [bedrijfsnaam 1] d.d. 7 augustus 2015 met daarop een betaling van Start People van € 2.680,--. Met het in het geding brengen van deze hiervoor aangehaalde bescheiden, heeft Start People dan ook het bewijs geleverd. Zij is derhalve geslaagd in haar bewijsopdracht. Dit betekent dat aan het verweer van [gedaagde] dat bewijs ontbreekt van betaling van de factuur door [bedrijfsnaam 1] aan [bedrijfsnaam 2] , de doorbelasting daarvan van [bedrijfsnaam 1] aan Start People en de betaling van Start People aan [bedrijfsnaam 1] , voorbij zal worden gegaan.

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat Start People de boete op de overtreding heeft voldaan aan [bedrijfsnaam 1] . De vraag is dan vervolgens aan de orde of Start People deze boete heeft mogen verrekenen met het salaris van [gedaagde] en of het deel van de boete dat zij niet heeft kunnen verrekenen, door [gedaagde] alsnog voldaan dient te worden aan Start People. Start People heeft daartoe gesteld dat zij bevoegd is tot verrekening omdat volgens vaste rechtspraak het verrekenen van een verkeersboete niet onder artikel 7:661 BW valt tenzij de werkgever uitdrukkelijk aan de werknemer heeft geïnstrueerd de verkeersregels te overtreden, te weten het ononderbroken doorrijden alsmede het overslaan van de dagelijkse verplichte rustmomenten. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist en

daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat er geen bijzonderheden bekend zijn over de feitelijke gebeurtenissen die tot de oplegging van de boete hebben geleid en dat niet vaststaat dat [gedaagde] de overtreding heeft begaan en - zo dit wel zo zou zijn – hij niet bewust roekeloos heeft gehandeld. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

2.5.

In artikel 7:661 lid 1 BW is bepaald, voor zover hier van belang, dat de werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever, te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald, zo vervolgt genoemd artikellid. Bij de beoordeling of van dit laatste sprake is kunnen een rol spelen de aard en de beloning van de opgedragen werkzaamheden, de aard en duur van het dienstverband en het risico dat de werkzaamheden met zich brengen. In haar dagvaarding heeft Start People gesteld dat vaste rechtspraak is dat het verrekenen van een verkeersboete niet onder artikel 7:661 BW valt. Start People doelt in dit geval op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC8791). In dit arrest heeft de Hoge Raad met toepassing van de tweede volzin van artikel 7:661 lid 1 BW een uitzondering toegelaten op de eerste volzin van dit artikel voor administratieve sancties die op grond van artikel 5 van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV) aan de werkgever worden opgelegd terzake van verkeersovertredingen waaraan de werknemer zich heeft schuldig gemaakt. In onderhavige zaak is evenwel geen sprake van een verkeersovertreding die ingevolge artikel 5 van de WAHV aan Start People is opgelegd, maar van overtreding van de Rij- en Rusttijdenregelingen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan er door Start People, gelet op de overwegingen van de Hoge Raad, geen beroep worden gedaan op dit arrest. Uit de overwegingen van het arrest volgt immers dat alleen in het specifieke geval van het opleggen van een sanctie aan de werkgever met toepassing van artikel 5 van de WAHV, de tweede volzin van het eerste lid van artikel 7:661 BW afwijking van de eerste volzin van die bepaling toelaat oftewel alleen in die categorie van gevallen heeft de werkgever de mogelijkheid van verhaal op de werknemer. Anders dan Start People meent, kan zij derhalve niet “volgens vaste rechtspraak” de boete die is opgelegd terzake van het overtreden van de Rij- en Rusttijdenregelingen, op [gedaagde] verhalen.

2.6.

Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat Start People, nu niet is gesteld of gebleken dat in het geval van [gedaagde] sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, ingevolge het bepaalde in de eerste volzin van lid 1 van artikel 7:661 BW de boete zal moeten dragen. Volgens de tweede volzin van lid 1 van voornoemd artikel kan evenwel uit de omstandigheden van het geval, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de eerste volzin is bepaald. Dit betekent dat het op de weg van Start People ligt om feiten en omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing hiervan. Bijzonderheden over de feitelijke omstandigheden die tot het opleggen van de boete hebben geleid, zijn evenwel door Start People niet gesteld. Enkel heeft Start People een in de Franse taal opgestelde “Fiche d’immobilisation”, een “Bulletin de controle de réglementation encadrant les transports routiers” en een “quittance” in het geding gebracht alsmede een in de Nederlandse taal opgestelde “aanvullende informatie” bij een, naar de kantonrechter aanneemt, opgesteld proces-verbaal. Uit deze documenten kan evenwel niets worden ontleend over de aard en de ernst van de overtredingen van de Rij- en Rusttijdenregelingen en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Daar komt nog bij dat de boetes die zijn opgelegd voor overtreding van de Rij- en Rusttijdenregelingen, hoog zijn zodat het risico van het opleggen daarvan, gelet op het tussen partijen overeengekomen loon, niet daarin kan zijn verdisconteerd. Ook de aard van de (arbeids)overeenkomt tussen partijen verzet zich er derhalve tegen dat [gedaagde] de gevolgen daarvan draagt. Feiten en/of omstandigheden die aanleiding zouden kunnen gegeven tot een ander oordeel hieromtrent, heeft Start People niet aangevoerd.

2.7.

De slotsom van het voorgaande is dan ook dat Start People de boetes die door haar zijn voldaan in verband met het overtreden van de rij- en rusttijdenregelingen, niet op [gedaagde] kan verhalen. De vordering van Start People in conventie zal derhalve worden afgewezen.

2.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de vorderingen van [gedaagde] in reconventie om Start People te verplichten de verrekening van de boete met het salaris ongedaan te maken en het bedrag van verrekening aan [gedaagde] te betalen, toewijsbaar. Eveneens zal, bij gebreke van gemotiveerde betwisting, de gevorderde wettelijke rente hierover worden toegewezen vanaf de datum van verrekening tot de dag van voldoening.

2.9.

[gedaagde] heeft tevens, na vermeerdering van eis, gevorderd de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van € 473,93. Start People heeft hier verweer tegen gevoerd en verzocht om matiging tot nihil. Nu Start People ten onrechte de boete met het salaris van [gedaagde] heeft verrekend, en derhalve dat deel van het salaris niet tijdig is betaald, is de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging toewijsbaar met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet deze te matigen tot 25 %, zodat een bedrag van € 236,96 toewijsbaar is.

2.10.

[gedaagde] heeft verder een bedrag van € 259,82 gevorderd aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden en dat [gedaagde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Toewijsbaar is een bedrag van

€ 259,82.

In conventie en in reconventie

2.11.

Start People zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie in de kosten van de procedure worden veroordeeld met de wettelijke rente daarover bij niet tijdige betaling. De nakosten zijn toewijsbaar op de hierna in het dictum te vermelden wijze.

3 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Start People in de proceskosten, tot op de dag van de uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 375,-- te vermeerderen met de wettelijke rente, indien Start People niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis heeft voldaan, berekend vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskosten betreft;


in reconventie

- veroordeelt Start People om de verrekening van de boete met het salaris ongedaan te maken en het bedrag van verrekening aan [gedaagde] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van verrekening tot de dag van voldoening;

- veroordeelt Start People om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van

€ 236,96 terzake van wettelijke verhoging en € 259,82 aan buitengerechtelijke incassokosten;

- veroordeelt Start People in de proceskosten, tot op de dag van de uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 375,-- te vermeerderen met de wettelijke rente, indien Start People niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis heeft voldaan, berekend vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening;

- begroot de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de [gedaagde] op € 75,-- aan salaris gemachtigde indien Start People niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis heeft voldaan, te vermeerderen, indien na aanschrijving betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van het exploot;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskosten betreft;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.