Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1185

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
UTR 17/49
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor aanleg natuurpoel wegens strijd met bestemmingsplan en geen aanleiding voor afwijken bestemmingsplan met toepassing van art. 2.12 lid 1 onder a, onder 3 Wabo. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/49

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een natuurpoel aan de [adres] ( […] ) te [plaatsnaam] .

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen.

Op 11 oktober 2017 heeft verweerder de nadere stukken per e-mail aan de rechtbank gestuurd. Op 25 oktober 2017 heeft de gemachtigde van eiseres op deze stukken gereageerd.

Hierop heeft verweerder bij brief van 8 november 2017 gereageerd.

De rechtbank heeft van partijen – nadat zij daartoe schriftelijk in de gelegenheid zijn gesteld – geen bericht ontvangen dat zij op een nadere zitting gehoord willen worden. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 8 januari 2018 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres heeft op 14 juni 2012 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een natuurpoel met een omvang van circa 38 meter bij 41 meter (inclusief taluds) met een diepte van 2,30 meter op het perceel, dat bij partijen bekend staat als het perceel ‘ [adres] ’ te [plaatsnaam] (het perceel). Eiseres heeft de natuurpoel aangevraagd ten behoeve van het beweiden door drie Schotse Hooglanders (twee koeien en één stier). Het realiseren van de natuurpoel is door verweerder in de eerste plaats aangemerkt als de activiteit ‘werk of werkzaamheden uitvoeren’ (aanleggen), waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning is vereist als dat in het bestemmingsplan is bepaald. Tevens is volgens verweerder sprake van de activiteit ‘afwijken van de bestemming’, waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning is vereist.

1.2

Verweerder heeft de aanvraag volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure behandeld. Verweerder heeft daartoe het ontwerpbesluit tot weigering van omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eiseres heeft hierover haar zienswijzen ingediend. Vervolgens heeft verweerder het onder de rubriek ‘Procesverloop’ vermelde besluit genomen.

2. Gelet op wat tijdens de zitting naar voren is gekomen en de aanwezige stukken, waaronder het aanvraagformulier en de daarbij ingediende ontwerptekening, stelt de rechtbank bij haar beoordeling voorop dat de aanvraag ziet op de aanleg van een natuurpoel en niet op de aanleg van een sloot of een greppel. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van eiseres dat de aanvraag voor een natuurpoel ziet op een drooggevallen scheisloot op het perceel en dat dit de basis is voor de aanvraag, waardoor verweerder een aanlegvergunning voor de aanleg van een sloot/greppel had moeten verlenen.

3.1

Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied” (het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming ‘Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurwaarde -Aln-’.

3.2

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor de volgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening;

b. instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden;

c. instandhouding van de openheid;

d. extensief recreatief medegebruik.

3.3

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden voor zover deze zijn gelegen binnen één van de op plankaart 2 ‘Waarden’ aangegeven differentiatievlakken, tevens bestemd voor de instandhouding en versterking van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden:

[…]

(1) kreekrug;

[…].

3.4

Ingevolge artikel 1, onder 8, van de planvoorschriften wordt onder ‘agrarisch bedrijf’ verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren.

3.5

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) de in ‘Tabel: Strijdig gebruik/aanlegvergunningen’ weergegeven werken en/of werkzaamheden uit te voeren.

3.6

In artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften is bepaald dat, voor zover hier van belang, de werken en/of werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, alleen toelaatbaar zijn indien:

a. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende bestemmingen zijn toegekend;

b. hierdoor, dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen (onder andere) de landschappelijke waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

3.7

Ingevolge artikel 1.7a van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover hier van belang, wordt onder een aanlegvergunning die op grond van een voor de inwerkingtreding van de Wabo vastgesteld bestemmingsplan is vereist een omgevingsvergunning verstaan.

3.8

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het realiseren van de natuurpoel op grond van artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften een omgevingsvergunning voor het aanleggen is vereist.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het realiseren van een natuurpoel op het perceel in strijd is met artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften. Het realiseren van een natuurpoel staat niet ten dienste van een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening. Verder is de natuurpoel op een kreekrug gelegen. Het project levert daardoor ook geen bijdrage aan de instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden. Het realiseren van de natuurpoel voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het aanleggen, zoals neergelegd in artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften. Verweerder heeft geweigerd om deze strijdigheid op te heffen door met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 30, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan. Gelet daarop kan ook de omgevingsvergunning voor het aanleggen volgens verweerder niet worden verleend.

5. Eiseres heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de grond waarop de natuurpoel is beoogd, wordt gebruikt door een agrarisch bedrijf. Dat bedrijf heeft een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening en gebruikt de grond voor het beweiden van vee. Verder doet het realiseren van de natuurpoel volgens eiseres geen afbreuk aan de landschappelijke waarde ter plaatse. In dat kader heeft eiseres aangevoerd dat op de locatie van de natuurpoel geen kreekrug ligt. De aanvraag is dan ook niet in strijd met artikel 5 van de planvoorschriften, aldus eiseres. Gelet daarop is het realiseren van de natuurpoel volgens haar op grond van artikel 23, derde lid, onder a, van de planvoorschriften toelaatbaar.

5.1

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de definitie van een agrarisch bedrijf in artikel 1 van de planvoorschriften, het beweiden van drie Schotse Hooglanders op het perceel, niet aangemerkt worden als een agrarisch bedrijf. De omstandigheid dat eiseres andere gronden in eigendom heeft en verpacht aan agrarische bedrijven, maakt ook niet dat de activiteiten van eiseres op het perceel daarmee zijn aan te merken als een agrarisch bedrijf. De rechtbank is daarom met verweerder van oordeel dat eiseres op het perceel geen werkzaamheden verricht ten dienste van een ter plaatse gevestigd bedrijf, waardoor het realiseren van de natuurpoel niet ten dienste staat van een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening.

5.2

De rechtbank stelt op grond van de toelichting van verweerder ter zitting en de door verweerder overgelegde stukken verder vast dat de op het perceel geprojecteerde natuurpoel in ieder geval grotendeels ligt op gronden met de waarde ‘kreekrug’. Uit de vergroting van plankaart 2B ‘Landschappelijke en Cultuurhistorische waarden’ - in samenhang met de situatieschets voor de natuurpoel op de ontwerptekening bij de aanvraag -, blijkt dat een groot deel van de geprojecteerde locatie voor de natuurpoel op het perceel bestemd is voor de landschappelijke waarde kreekrug. De rechtbank kan verweerder dan ook volgen in zijn standpunt dat het realiseren van de natuurpoel niet bijdraagt aan de instandhouding en versterking van de op het perceel aanwezige (landschappelijke) waarden, nu hiervoor in een kreekrug wordt gegraven. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich terecht op standpunt heeft gesteld dat de aanvraag in strijd is met artikel 5 van de planvoorschriften en daarom het realiseren van de natuurpoel op grond van artikel 23, derde lid, onder a, niet toelaatbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Gelet op voornoemde strijdigheden met het bestemmingsplan kan verweerder in dit geval alleen meewerken aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het aanleggen door op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 30,van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen om voor dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik af te wijken van het bestemmingsplan. De beslissing om al dan niet met toepassing van dit artikelonderdeel een omgevingsvergunning te verlenen behoort tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing daarom terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om in dit geval een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan te weigeren.

7. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan zijn weigering om voor het afwijken van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat op het perceel geen sprake is van een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening. Verder heeft verweerder verwezen naar de doelstellingen van het bestemmingsplan en het provinciaal beleid. Zoals ter zitting namens verweerder is toegelicht, is het uitgangspunt in het provinciaal beleid dat de kernkwaliteiten van een landschap behouden of versterkt worden. De kreekruggen, die zeer kenmerkend zijn en een zeer waardevolle aardkundige waarde vervullen, moeten volgens verweerder dan ook behouden blijven. Aantasting van de open polder door de beplantingsstroken in combinatie met de natuurpoel is ongewenst, omdat dan geen sprake meer is van een agrarisch gebied, maar van een landschapsparkje. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat het hier niet gaat om een gebied met een natuurdoelstelling. Verweerder is dan ook van oordeel dat niet wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.

8. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten tijde van de wegomlegging van de nabij gelegen N201 aan de aanwezigheid van kreekruggen geen belang heeft gehecht. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd waarom de natuurpoel - onder het maaiveldniveau - de open polder aantast. Volgens eiseres doen de in het verleden op het perceel geplante elzensingels de beplantingsstroken waarop verweerder doelt - er niet toe. Vanwege de beweiding door de Schotste Hooglanders op het perceel is nog steeds sprake van agrarisch gebruik. Zoals eiseres ter zitting heeft toegelicht, verwacht zij bovendien dat door de natuurpoel de waterkwaliteit op het perceel zal verbeteren. Hierdoor zullen de Schotse Hooglanders op het perceel niet meer ziek worden, aldus eiseres.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 30, van de Wabo af te wijken van het bestemmingsplan. De omstandigheid dat verweerder volgens eiseres voor de omlegging van de N201 een andere belangenafweging heeft verricht, betekent niet - reeds gelet op de terughoudende toets van de bestuursrechter - dat daarmee het realiseren van de natuurpoel op het onderhavige perceel aanvaardbaar is. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd dat de aanwezige beplantingsstroken in combinatie met de te realiseren natuurpoel op het perceel leiden tot aantasting van de open polder, en dat dit ongewenst is op deze locatie. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het belang van een ongewenste ruimtelijke ontwikkeling voor het gebied heeft mogen laten prevaleren boven het belang van eiseres bij realisering van de natuurpoel. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning op goede gronden geweigerd.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Wijna, voorzitter, en mr. N.M.H. van Ek en

mr. E.C. Matiasen, leden, in aanwezigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.