Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1181

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/707356-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zes mannen zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor het witwassen van bitcoins met een waarde variërend van 1 ton tot 10 miljoen euro. In het onderzoek ‘NOCIS’ heeft de rechtbank gevangenisstraffen opgelegd variërend van 1 tot 3 jaar. De verdachten in het NOCIS-onderzoek zijn onder te verdelen in twee groepen: de bitcoinhandelaren, tevens de hoofdverdachten, en hun klanten. De hoofdverdachten, mannen van 21, 25 en 27 jaar, namen bitcoins aan van hun klanten en zetten deze via een netwerk van rechtspersonen om in grote contante geldbedragen. Hierbij werd gebruik gemaakt van een zogenaamde mixerdienst, bedoeld om de herleidbaarheid van de bitcointransacties te bemoeilijken. De hoofdverdachten garandeerden hun klanten anonimiteit.

De contante bedragen werden in openbare gelegenheden aan de klanten overhandigd. Hiervoor werd een ongebruikelijk hoge commissie in rekening gebracht. De hoofdverdachten controleerden niet waar de bitcoins vandaan kwamen en kunnen daarover ook geen uitleg geven.

De rechtbank oordeelt dat het gezien alle omstandigheden niet anders kan dan dat de bitcoins van misdrijf afkomstig waren. Hoewel de hoofdverdachten de bitcoinhandel niet zijn begonnen met een crimineel oogmerk, hebben zij welbewust risico’s genomen waarbij zij zich moesten realiseren dat het ging om bitcoins die van misdrijf afkomstig waren en dat zij hiermee de onderliggende criminaliteit faciliteerden. De 25- en 27-jarige verdachten zijn veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf, de 21-jarige man is veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf. Ook drie klanten van de hoofdverdachten zijn veroordeeld voor witwassen. Ook zij hebben geen uitleg kunnen geven over de herkomst van de door hen aangeboden bitcoins. Een van hen is daarnaast veroordeeld voor het bezit van ruim 5 kilo harddrugs en het voorbereiden van de uitvoer daarvan. Een ander is ook veroordeeld voor een hennepkwekerij. De rechtbank veroordeelt de drie mannen van 29, 39 en 44 jaar tot gevangenisstraffen van respectievelijk 12, 24 en 30 maanden. De officier van justitie is bij de strafeis uitgegaan van richtlijnen die door het Openbaar Ministerie gehanteerd worden. Deze richtlijnen wijken af van de oriëntatiepunten die door rechters gebruikt worden. Ook heeft de rechtbank gekeken naar vergelijkbare uitspraken in strafzaken over het witwassen van bitcoins. Daarom vallen de opgelegde straffen lager uit dan wat er geëist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/707356-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1989] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen. De inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23, 24, 29 en 30 januari 2018. Ter zitting op 20 maart 2018 is het onderzoek gesloten. Eerder is de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2016, 7 april 2016, 15 september 2016, 16 februari 2017 en 7 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officieren van justitie mrs. J.M. Bonnes en A.C. Schaafsma (hierna: de officier van justitie) en van hetgeen verdachte en mrs. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, en A.W. van Gemert, advocaat te Amsterdam, (hierna: de raadsman) naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 23 januari 2018 gewijzigd. De tenlastelegging is, met de wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 januari 2014 tot en met 29 september 2015 in de gemeente Arnhem en/of elders in Nederland al dan niet samen met anderen geldbedragen en/of bitcoins ter waarde van ongeveer € 242.155,- heeft witgewassen en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van dit bedrag;

Feit 2: op 24 november 2015 in de gemeente Arnhem een pistool (Walther P99) en/of vijf patronen voorhanden heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
Onder de naam Nocis is door de politie Midden-Nederland, Team Financieel-economische Criminaliteit, een onderzoek gedaan naar een aantal handelaren in bitcoins, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Daarbij is de verdenking gerezen dat verdachte van misdrijf afkomstige bitcoins aan (een van) deze handelaren heeft geleverd (feit 1). Vervolgens is de verdenking ten aanzien van feit 2 ontstaan.

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde feit en heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 1

De verdediging voert aan dat verdachte de bitcoins niet voorhanden heeft gehad, aangezien de wallet met public key [public key] niet aan hem heeft toebehoord. Hij heeft zelf nooit bitcoins overgemaakt.

Voorts kan niet bewezen worden dat de bitcoins van misdrijf afkomstig zijn. En voor het geval dat wel kan worden bewezen, heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet wist dat de bitcoins die hij als tussenpersoon heeft verhandeld een criminele herkomst hadden.

Verder heeft de verdediging betoogd dat verdachte niet als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis worden bij het bespreken van de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 tussendoor reeds bewijsoverwegingen opgenomen.

4.3.1

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

4.3.1.1 Feiten en omstandigheden

Op basis van de in beslag genomen hardcopy en softcopy administratie in het onderzoek Nocis is een overzicht gemaakt van de geldstromen met betrekking tot de trades van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

In dit overzicht wordt beschreven op welke dag welke uitgaande geldstromen hebben plaatsgevonden en een omschrijving van de naam van degene die de geldstroom heeft uitgevoerd. In onderstaand overzicht is de selectie weergegeven met de bestemming “ [bijnaam] ” en “ [bijnaam] (a.k.a. [bijnaam] )”.

In één geval is de toelichting “AMS trade” geregistreerd.

Het ging om totaal 22 trades uitgevoerd door [medeverdachte 3] en een persoon genaamd “ [A] ”.2

Datum

Uitgevoerd door

Minus

Naam / toelichting

2 juni 2015

8.000

[bijnaam] (a.k.a. [bijnaam] )

6 juni 2015

4.050

AMS Trade

12 juni 2015

8.100

[bijnaam] (a.k.a. [bijnaam] )

17 juni 2015

8.500

[bijnaam] (a.k.a. [bijnaam] )

21 juni 2015

4.650

[bijnaam] (a.k.a. [bijnaam] )

26 juni 2015

[medeverdachte 3]

14.250

[bijnaam] (a.k.a. [bijnaam] )

3 juli 2015

10.000

[bijnaam]

14 juli 2015

[medeverdachte 3]

8.230

[bijnaam] (a.k.a. [bijnaam] )

19 juli 2015

[medeverdachte 3]

8.740

[bijnaam]

23 juli 2015 hardcopy 24 juli 2015

[medeverdachte 3]

10.350

[bijnaam]

28 juli 2015

[medeverdachte 3]

10.580

[bijnaam]

2 augustus 2015

[medeverdachte 3]

8.750

[bijnaam]

6 augustus 2015

[medeverdachte 3]

18.400

[bijnaam]

9 augustus 2015

[A]

9.500

[bijnaam]

13 augustus 2015

[medeverdachte 3]

13.115

[bijnaam]

16 augustus 2015

[medeverdachte 3]

15.700

[bijnaam]

19 augustus 2015

11.000

[bijnaam]

23 augustus 2015

14.060

[bijnaam]

1 september 2015

[medeverdachte 3]

9.600

[bijnaam]

10 september 2015

[medeverdachte 3]

13.420

[bijnaam]

13 september 2015

[medeverdachte 3]

18.360

[bijnaam]

27 september 2015

14.800

[bijnaam]

totaal

€ 242.155

Op 29 september 2015 is [medeverdachte 3] aangehouden. Bij zijn aanhouding werd een mobiele telefoon, Iphone 5S, aangetroffen en in beslag genomen. De politie heeft de contactenlijst in deze telefoon bekeken. Bij één contact “ [bijnaam] ”3 staat op het contactblad het volgende genoteerd:

“ [bijnaam]

Mobiel:

+ [telefoonnummer]

(…)”

De gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] is in het onderzoek Nocis geïdentificeerd als [verdachte] , geboren op [1989] , adres [adres] te [woonplaats] .4

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [bijnaam] een synoniem is voor [bijnaam] . Het was eerst [bijnaam] . Toen waren ze nog niet op [bijnaam] gekomen.5

Op 6 juni 2015 vroeg verdachte aan [medeverdachte 1] om een trade uit te voeren van 20 bitcoins. verdachte vroeg of hij € 180,- per bitcoin kon krijgen. Er werd afgesproken bij een McDonald’s restaurant in Amersfoort.

Op 6 juni 2015 werden op het bitcoinadres van [medeverdachte 3] transacties geregistreerd. Dit bleken twee inkomende transacties van 0,1 bitcoin te 12.59.02 uur en 22,5 bitcoins te 13.02.07 uur te zijn. De transacties waren afkomstig van het bitcoinadres [woonplaats] . De marktwaarde van 22,6 bitcoins bedroeg op dat moment ongeveer € 4.562,71.6

De politie heeft verdachte gevraagd tegen welk percentage hij met [medeverdachte 3] handelde. Verdachte heeft hierop geantwoord dat hij altijd vier procent mocht pakken. Er was een vier procent marge voor hem en hij bepaalde dan zelf hoeveel hij aan [B] gaf. Soms was dat 1% en soms 2%.7

Verdachte is bij een bitcointrade geweest. Hij zag [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] in de Mc Donald’s in Nieuwegein. Ze zijn toen naar een parkeerplaats in de buurt gereden. Ze zijn op een parkeerplaats gaan staan ergens op dat bedrijventerrein.8

Verdachte heeft verklaard dat hij er alleen deze eerste keer in Nieuwegein bij is geweest. Hij heeft verklaard dat het eigenlijk een hele rare afspraak is, waarbij een jongen een tas bij zich heeft met zoveel geld erin. Zoveel geld had verdachte in zijn leven nog nooit bij elkaar gezien.9 Verdachte kreeg het geld van [medeverdachte 3] gewoon in een enveloppe. [medeverdachte 3] was een hele jonge gozer en die had een hele tas met geld bij zich. Allemaal briefjes van € 500,-.10

Over de werkwijze van de trades die op het station in Arnhem hebben plaatsgevonden heeft verdachte verklaard dat hij [B] ( [B] ) vroeg of hij naar de trades op het station in Arnhem kon gaan. Hij sms’te dat naar [B] . Verdachte kreeg via PGP een bericht binnen dat er een trade moest plaatsvinden. In zo’n berichtje stond hoeveel coins er overgemaakt zouden worden. Verdachte liet dan aan [medeverdachte 3] weten hoeveel coins er waren. [medeverdachte 3] of [medeverdachte 1] stuurde dan een berichtje terug. Als hij [B] had gebeld of hij naar een afspraak op station [woonplaats] kon gaan, liet hij [B] liet weten dat er eerst 0,1 was overgemaakt en dat daarna de rest kon worden overgemaakt. Als dat gebeurd was kon hij, [B] , het geld ontvangen.

Over de telefoonnummers * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] heeft verdachte verklaard dat eentje bij [B] was en dat er eentje bij verdachte bleef. Op die manier had verdachte contact met [B] . Verdachte was tijdens de trades meestal gewoon thuis bij de [adres] . [B] haalde die telefoon altijd bij verdachte op voorafgaand aan een trade.11

Het geld dat [B] in ontvangst had genomen kwam bij verdachte terecht. [B] gaf hem het bedrag exclusief zijn percentage, 1 of 2%. Die telefoon die [B] bij zich had gehad, bracht hij ook weer bij verdachte.

Op de vraag van de politie hoeveel trades hij heeft gedaan, antwoordt verdachte: “Geen idee, heel wat, 10, 15, 20?”.

Op de vraag hoeveel geld verdachte heeft omgezet tijdens trades,12 heeft hij geantwoord dat hij denkt dat je elke trade keer 10.000 moet doen. Als hij er twintig heeft gedaan is het dus ongeveer € 200.000,- geweest.13

Provisie

Op de vraag of verdachte [B] betaalde heeft verdachte geantwoord dat dat van het percentage van hen samen afging. Dat percentage was altijd 4%. Verdachte mocht altijd 4% pakken. Hij bepaalde dan zelf hoeveel hij aan [B] gaf. Soms was dat 1% en soms 2%.14

De getuige [getuige] heeft verklaard dat de winst die het bedrijf (de rechtbank begrijpt: Bitonic B.V.) op een transactie pakt tussen de 0 en 1,5 procent ligt, maar vaker onder de 1 procent dan daarboven.15 Ook volgt uit zijn verklaring dat alle betalingen plaatsvinden via een bankrekening.16

Bewijsoverwegingen

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, staat vast dat verdachte in de periode van 2 juni 2015 tot en met 29 september 2015 in 22 trades bitcoins heeft ingewisseld bij het bedrijf van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tegen contante uitbetalingen voor een totaalbedrag van € 242.155,-.

Hoewel in het overzicht achter de trade van 6 juni 2015 niet de naam [bijnaam] of [bijnaam] staat, volgt uit de bewijsmiddelen dat ook deze transactie met toelichting “AMS” (hetgeen de rechtbank leest als Amersfoort) aan verdachte kan worden toegerekend.

Witwassen

Ter beoordeling ligt vervolgens voor of verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (Hoge Raad 27 september 2005, NJ 2006, 473 en Hoge Raad 28 september 2004, LJN: AP2124).

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen direct bewijs voor de herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen en bitcoins kan worden afgeleid.

Vervolgens ligt de vraag voor of op basis van de feiten en omstandigheden - zoals deze uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen - sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Vermoeden van witwassen

De rechtbank acht ten aanzien van de vraag of sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen de volgende omstandigheden van belang.

Het percentage dat verdachte aan provisie mocht houden (4%) is aanzienlijk hoger dan het percentage van maximaal 1,5% dat het reguliere inwisselkantoor Bitonic destijds rekende voor het inwisselen van bitcoins. Daarnaast zal de opdrachtgever van verdachte ook provisie aan het bedrijf van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben betaald.

Uit het overzicht van de trades blijkt dat er bitcoins werden gewisseld voor grote contante geldbedragen die lagen tussen € 4.050,- en € 18.400,-.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er een trade op een parkeerplaats in Nieuwegein, een trade bij een McDonald’s in Amersfoort en meerdere trades op het centraal station in Arnhem hebben plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat genoemde omstandigheden met betrekking tot de hoogte van de provisie, de omvang van de contante geldbedragen waarvoor bitcoins werden ingewisseld en de omstandigheid dat de trades in het openbaar plaatsvonden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Alsdan mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de herkomst van de bitcoins en de geldbedragen.

Nu verdachte geen verklaring heeft gegeven over een legale herkomst van de bitcoins en de geldbedragen en een mogelijke legale herkomst evenmin uit het dossier blijkt, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat de bitcoins en het totale contante geldbedrag van € 242.155,- - middellijk of onmiddellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Wetenschap criminele herkomst

De volgende vraag die aan de rechtbank ter beoordeling voorligt, is of verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.

Verdachte heeft verklaard dat hij bij elke trade € 10.000,- moest doen en dat dit bij 20 trades

€ 200.000,- oplevert. Verder heeft hij verklaard dat het eigenlijk een rare afspraak was, een jongen die zoveel geld bij zich heeft in een tas. Verdachte had in zijn leven nog nooit zoveel geld bij elkaar gezien. Verdachte kreeg het geld in briefjes van € 500,- gewoon in een enveloppe.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en op grond van wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de bitcoins die hij aanbood en de geldbedragen die hij in ruil hiervoor heeft ontvangen een criminele herkomst hadden.

Gewoontewitwassen

Gelet op de omvang van het bedrag dat door verdachte is witgewassen, de periode waarin dit is gebeurd en het feit dat dit is gebeurd in 22 transacties, acht de rechtbank bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.

4.3.1.2 Nadere bewijsoverwegingen en te bespreken verweren

Voorhanden hebben bitcoins

De verdediging heeft betoogd dat verdachte uitsluitend als tussenpersoon heeft gefungeerd. Hij heeft de bitcoins niet zelf voorhanden gehad en heeft slechts een klein percentage van de omzet aan commissie ontvangen.

De rechtbank acht, met de officier van justitie, niet doorslaggevend of verdachte de bitcoins zelf fysiek voorhanden heeft gehad. Ten laste gelegd is immers niet alleen het voorhanden hebben, maar ook het overdragen en omzetten van bitcoins. Daar heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig aan gemaakt. Het geld dat door [medeverdachte 3] voor de bitcoins werd betaald is bij verdachte terecht gekomen, al dan niet via zijn koerier. Het geld dat afkomstig was uit de verkoop van bitcoins heeft hij hiermee wel voorhanden gehad.

Medeplegen

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van Verdachte van onvoldoende gewicht is geweest om hem als medepleger te beschouwen.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Verdachte was de enige die in contact stond met zijn klanten. Hij maakte de afspraken en gaf door hoeveel bitcoins zijn klanten wilden omwisselen. Hij heeft ook zijn koerier aangestuurd voor de feitelijke overdracht van de bitcoins en de geldbedragen. De contante geldbedragen kwamen vervolgens bij verdachte terecht. Er is daarmee sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn klanten.

Voorts volgt uit het overzicht van trades dat verdachte in ieder geval twaalf trades heeft verricht met [medeverdachte 3] . Van de overige trades is niet duidelijk met wie van de drie bitcoinhandelaren: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] de trade feitelijk heeft plaatsgevonden. Wel acht de rechtbank bewezen dat deze trades hebben plaatsgevonden met één van de genoemde personen, zodat de rechtbank – mede gelet op de hiervoor genoemde samenwerking tussen verdachte en zijn klanten - bewezen zal verklaren dat alle trades in vereniging met anderen zijn verricht.

Gelet op het voorgaande kan het onder 1 ten laste gelegde feit worden gekwalificeerd als medeplegen.

4.3.2

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 26 november 2015, genummerd 151126.0936.V01, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende een bekennende verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina 62 e.v. (Quarts);

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen van 26 november 2015, genummerd 151126.1331.AMB, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 993 e.v. (Quarts)|;

  • -

    een kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering, genummerd PL0900-2015244942-7, pagina 1014 e.v. (Quarts);

  • -

    een proces-verbaal bevindingen van 30 december 2015, genummerd PL0900-2015244942-12, pagina 766 e.v. (Quarts).

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 2 juni 2015 tot en met 29 september 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

a.

voorwerpen, te weten geldbedragen en bitcoins heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl verdachte en zijn mededaders telkens wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en verdachte en verdachtes mededaders van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt

en

b.

van voorwerpen, te weten geldbedragen en bitcoins de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, terwijl verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en verdachte en verdachtes mededaders van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt,

immers hebben verdachte en zijn mededaders een of meerdere van de volgende handelingen verricht:

- afspraken gemaakt met een afnemer van bitcoins, tegen een bovengemiddeld commissietarief,

- waarbij verdachte naar de afgesproken plaats kwam om voornoemde bitcoins om te ruilen voor contant geld;

2.

omstreeks 24 november 2015 in de gemeente Arnhem een wapen van categorie III, te weten een pistool, Walther P 99, en munitie van categorie III, te weten vier patronen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

Medeplegen van gewoontewitwassen.

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van Verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om rekening mee te houden met de navolgende omstandigheden.

De ten laste gelegde feiten zijn oud en verdachte heeft slechts een beperkte rol gespeeld. Het strafproces heeft lang geduurd, de opgelopen vertraging is niet aan de verdediging te wijten.

Verdachte is een first offender. Hij heeft gedurende ruim twee weken in beperkingen gezeten in een Huis van Bewaring. Op zijn strafblad staat een openstaande zaak, waarvan hij nog kan worden vrijgesproken. Het onder 1 ten laste gelegde feit had een incidenteel karakter. Verdachte is niet verder gegaan met de handel in bitcoins. Verdachte is vorig jaar vader geworden. Het is niet nodig dat hij hard word afgestraft, omdat hij zijn lesje heeft geleerd.

De verdediging stelt voor dat de rechtbank, bij een bewezenverklaring, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest oplegt. Indien de rechtbank dit een te lichte straf vindt, zou dit moeten worden aangevuld met een geldboete of een taakstraf. Als de rechtbank meent dat verdachte uit het oogpunt van generale preventie een straf moet worden opgelegd, moet dit een voorwaardelijke straf zijn.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van Verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft gedurende een periode van vier maanden een gewoonte gemaakt van witwassen. Hij heeft 22 trades uitgevoerd waarbij hij telkens bitcoins heeft ingewisseld voor grote contante geldbedragen, voor in totaal een bedrag van € 242.155,-. Verdachte heeft voor het inwisselen van zijn bitcoins een hogere provisie betaald dan gangbaar is bij een regulier inwisselkantoor. De trades vonden plaats op de openbare weg of in openbare gelegenheden zoals de McDonald’s. Verdachte heeft zich aldus in het openbaar begeven, terwijl hij grote contante geldbedragen tussen € 4.050,- en € 18.400,- bij zich had. De door verdachte gepleegde feiten brengen schade toe aan het vertrouwen dat moet worden kunnen gesteld in de integriteit van het financiële handelsverkeer. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft ook een pistool en vier patronen in zijn schuur voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke goederen levert een ernstige bedreiging voor de maatschappelijke veiligheid op.

Om te bevorderen dat landelijk door gerechten in gelijke gevallen gelijke straffen worden opgelegd heeft het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de gerechtshoven en de rechtbanken (hierna: LOVS) oriëntatiepunten voor straftoemeting opgesteld. Deze oriëntatiepunten gaan voor fraude bij een benadelingsbedrag van € 125.000,- tot

€ 250.000,- uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden. Zoals blijkt uit de toelichting op deze oriëntatiepunten wordt onder fraudedelicten tevens geschaard witwassen, mits de gedragingen in een frauduleuze context hebben plaatsgevonden. Hoewel bij witwassen niet (direct) kan worden gesproken van een benadelingsbedrag zoals bij fraudedelicten, ziet de rechtbank toch aanleiding om aan te haken bij het oriëntatiepunt fraude. De rechtbank volgt bij de straftoemeting niet de ‘Richtlijn voor strafvordering witwassen’ van het openbaar ministerie, aangezien de daarin opgenomen straffen te zeer afwijken van de door rechtbanken en hoven opgelegde straffen.

De rechtbank houdt rekening met onder meer de navolgende straffen. Aan een van de andere afnemers van de Nocis- verdachten is voor het witwassen van onder meer bitcoins ter waarde van € 5.075.169,- een gevangenisstraf van 2 jaren opgelegd.17 In het onderzoek Air Holland werden aan de hoofdverdachten voor het gedurende een periode van ruim een jaar in georganiseerd verband (gewoonte)witwassen van tientallen miljoenen guldens gevangenisstraffen van 28 tot 36 maanden opgelegd.18 Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die aan twee verdachten in het IJsberg onderzoek werden opgelegd. In deze zaken werd voor het witwassen van 367 bitcoins en grote geldbedragen, respectievelijk het witwassen van ruim 1.000 bitcoins en grote geldbedragen gevangenisstraffen van respectievelijk 3 en 6 maanden opgelegd.19

Voor het voorhanden hebben van een pistool en munitie geeft het LOVS een oriëntatiepunt van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het strafblad van verdachte waarop, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld. Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 26 februari 2016 waarin wordt geadviseerd de zaak strafrechtelijk af te doen zonder een reclasseringstoezicht op te leggen.

Het bovenstaande in aanmerking nemend, kan op de door verdachte gepleegde strafbare feiten niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet echter op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank bij de straftoemeting afwijken van de strafeis van de officier van justitie.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.

Redelijke termijn

Tot slot ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of in de onderhavige zaak de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak - waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De rechtbank beschouwt het moment van de doorzoeking in de woning van verdachte op 24 november 2015, als het moment waarop de redelijke termijn een aanvang heeft genomen. De uitspraak vindt plaats op 3 april 2018. De vervolging van de verdachten heeft daarmee ruim twee jaar en vier maanden in beslag genomen. Gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, de omvang van het door de politie verrichte onderzoek waarbij meerdere onderzoekswensen in het buitenland zijn uitgezet, het feit dat de justitiële autoriteiten de strafzaak voortvarend hebben opgepakt, het mede op verzoek van de verdediging horen van diverse getuigen en het belang van de gelijktijdige berechting van de verschillende terechtstaande verdachten, oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn niet is overschreden, zodat de duur van de onderhavige procedure niet leidt tot strafvermindering.

9 BESLAG

9.1

De vordering van de officier van justitie

Met betrekking tot de voorwerpen die op de beslaglijst worden vermeld, heeft de officier van justitie het volgende gevorderd:

- onttrekking aan het verkeer van de aangetroffen wapens;

- verbeurdverklaring van de aangetroffen geldbedragen, het voertuig BMW met kenteken [kenteken] , het Rolex horloge en de gouden munt.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de op de beslaglijst aangeduide voorwerpen waarop strafrechtelijk beslag ligt onder verdachte in beslag zijn genomen.

Het aangetroffen pistool Walther P 99 zal worden onttrokken aan het verkeer.

Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Met betrekking tot dit voorwerp is het onder 2 bewezen verklaarde feit begaan.

De aangetroffen imitatie vuurwapens zullen ook worden onttrokken aan het verkeer.

Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven als het onder feit 2 ten laste gelegde feit.

De rechtbank zal teruggave gelasten van de in beslag genomen geldbedragen, het voertuig van het merk BMW, het Rolex horloge en de gouden munt, nu niet kan worden vastgesteld dat deze door middel van het strafbare feit zijn verkregen, noch dat die feiten daarmee zijn voorbereid of begaan. De last tot teruggave van deze voorwerpen laat onverlet het conservatoire beslag dat op deze voorwerpen is gelegd op voet van artikel 94a Sv en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid van de officier van justitie om deze voorwerpen onder zich te (doen) houden zolang dat beslag voortduurt.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 420ter Sr en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit, zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

  • -

    Walther P 99 (G1582040);

  • -

    vuurwapen, imitatie Scorpion (G1587027);

  • -

    vuurwapen, imitatie J.13814 (G1587026);

  • -

    vuurwapen, imitatie (G1587024);

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen, zodra het daarop rustende conservatoire beslag (artikel 94a Wetboek van Strafvordering) is beëindigd:

  • -

    geld uit lade in bedkast € 300,- (299810);

  • -

    geld in spaarvarken € 335,- (299809);

  • -

    BMW, 1serie [kenteken] , zekerheid € 6.800,- (299799);

  • -

    geld in zilver potje € 4.700,- (299786);

  • -

    goudkleurige Rolex horloge, zekerheid € 2.200,- (299813);

  • -

    gouden munt in zakzegel: 1449842, zekerheid niet voldaan € 403,- (299813).

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. G.A. Bos en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. J.M.T. Bouwman-Everhardus en M. Rigter, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 april 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 29 september 2015, in de gemeente Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

a.

voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of bitcoin(s) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of bitcoin(s) gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddelijk of middelijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf en verdachte en/of verdachte(s) mededader(s) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt

en/of

van voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of bitcoin(s) gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddelijk of middelijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf en verdachte en/of verdachte(s) mededader(s) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt

en/of

b.

van voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of bitcoin(s) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voorwerpen, te weten voornoemde geldbedrag(en) en/of bitcoin(s), was/waren en/of heeft verborgen en/of verhuld wie voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) en/of bitcoins, voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl verdachte en/of verdachte's mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddelijk en/of middelijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en verdachte en/of verdachte(s) mededader(s) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 29 september 2015, in de gemeente Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

a.

voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of bitcoin(s) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of bitcoin(s) gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren/was uit enig misdrijf

en/of

van voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of bitcoin(s) gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren/was uit enig misdrijf,

en/of

b.

van voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) en/of bitcoin(s) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voorwerpen, te weten voornoemde geldbedrag(en) en/of bitcoin(s), was/waren en/of heeft verborgen en/of verhuld wie voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) en/of bitcoins, voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl verdachte en/of verdachte's mededader(s) (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk en/of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) een of meerdere van de volgende handelingen verricht:

- ( een) afspra(a)k(en) gemaakt met een of meer afnemer(s) van bitcoins, tegen een (bovengemiddeld) commissietarief,

- waarbij verdachte naar de afgesproken plaats kwam om voornoemde bitcoins om te ruilen voor contante geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer 242.155,-- Euro);

2.

hij op of omstreeks 24 november 2015 in de gemeente gemeente Arnhem een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (Walther P 99), en/of munitie van categorie III, te weten vijf, in elk geval een of meer patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal: *genummerd 2015288539 160113.1107.EIND (onderzoek 09TFCNocis), opgemaakt door politie Midden-Nederland, bestaande uit: - het einddossier, 22 ordners, pagina 1 tot en met 10.396; - aanvulling 1 op het einddossier NOCIS, 1 ordner, pagina 1 tot en met 555; - aanvulling 2 op het einddossier NOCIS, 1 ordner, pagina 557 tot en met 1057; - aanvulling 3 op het einddossier NOCIS, 1 ordner, pagina 1058 tot en met 1554; - aanvullend dossier 2, 4 ordners, pagina 1 tot en met 1351; - derde aanvullend einddossier NOCIS, pagina 1 tot en met 462; - vierde aanvullend einddossier NOCIS, pagina 1 tot en met 99; - vijfde aanvullend einddossier NOCIS, pagina 1 tot en met 96; - zesde aanvullend einddossier NOCIS, pagina 1 tot en met 213; *genummerd 2015244942 (onderzoek MDRBB15018 Quarts), opgemaakt door politie Midden-Nederland, bestaande uit het einddossier, 2 ordners, pagina 1 tot en met 1.038. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1869 (Nocis).

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1908 (Nocis).

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1909 (Nocis).

5 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] , pagina 3394 (Nocis).

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 797 (Quarts).

7 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 69 (Quarts).

8 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 65 (Quarts).

9 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 65 (Quarts).

10 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 66 (Quarts).

11 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 67 (Quarts).

12 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 68 (Quarts).

13 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 69 (Quarts).

14 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] , pagina 69 (Quarts).

15 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] , pagina 14 (Nocis).

16 De verklaring van de getuige [getuige] bij de rechter-commissaris op 1 juni 2016, pagina 3.

17 Rechtbank Midden-Nederland d.d. 14 november 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:5713).

18 Rechtbank Rotterdam d.d. 7 december 2006 (ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4159) en rechtbank Rotterdam d.d. 7 december 2006 (ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4394).

19 Rechtbank Rotterdam d.d. 8 november 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:8989) en rechtbank Rotterdam d.d. 8 november 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:8992).