Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1173

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
5941309 / MC EXPL 17-4652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak (na kort gedingvonnis op 2 maart 2017); art 37 Wet personenvervoer 2000; overgang van concessie openbaar vervoer; gaat niet herleidbare indirecte werknemer over naar nieuwe concessiehouder? vordering werknemer toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 7 februari 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5941309 / MC EXPL 17-4652 van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde mr. C.I.M. Molenaar,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONNEXXION TOURS B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen Connexxion Tours,
gedaagde,
gemachtigde : mr. W.M. Hes,

2. de naamloze vennootschap
CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen Connexxion OV,
gedaagde,
gemachtigde : mr. W.M. Hes,

gedaagde sub 1 en 2 hierna gezamenlijk te noemen Connexxion c.s.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KEOLIS OPENBAAR VERVOER B.V., tot 5 oktober 2017 SYNTUS B.V. genaamd,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen Keolis,
gedaagde,
gemachtigde : mr. J.E. Middelveld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juli 2017

  • -

    de gehouden comparities van partijen op 1 november 2017 en 10 januari 2018 waarvan de griffier schriftelijke aantekeningen heeft bijgehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken – mede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover die niet zijn betwist – het volgende vast:

2.2.

[eiser] is sinds 18 december 1984 werkzaam bij Connexxion Tours (althans haar rechtsvoorganger) en is vanaf 1 januari 2015 werkzaam geweest in de functie van [functie van eiser] . Het laatst genoten salaris van [eiser] bedraagt € 5.555,56 bruto per maand exclusief bonus en overige emolumenten, verloond op naam van Connexxion O.V..

2.3.

Tot 11 december 2016 had Connexxion OV de concessie voor het vervoer in de provincie [naam] , hierna Concessie [afkorting 1] . Per die datum is de concessie in handen gekomen van Keolis.

2.4.

Het verlies van de concessie leidt voor Connexxion c.s. tot 10% minder omzet. Met de concessie gaan 402,3 fte directe medewerkers en 63,4 fte (herleidbare en niet-herleidbare) indirecte medewerkers van rechtswege over naar Syntus.

2.5.

Met betrekking tot de overgang heeft met [eiser] correspondentie plaatsgevonden.

2.5.1.

Op 15 november 2016 heeft Connexxion c.s. [eiser] het navolgende bericht:

“Uw leidinggevende heeft u onlangs geïnformeerd dat u bent toegewezen aan de groep indirecte medewerkers die per 11 december 2016 van rechtswege wordt overgedragen aan Syntus, de nieuwe vervoerder voor de concessie Provincie [naam] . In deze brief bevestigen wij de aanwijzing en geven we meer informatie over de stappen die nu zullen volgen.

(…)

Conform de Wet Personen Vervoer 2000 gaan naast de direct betrokken medewerkers ook indirect betrokken medewerkers van rechtswege over naar de nieuwe vervoerder. Dit zijn medewerkers van wie de functie herleidbaar, dan wel niet noodzakelijkerwijs te herleiden is naar de concessie. U behoort tot deze categorie van indirecte medewerkers.

Per 11 december 2016 gaat u van rechtswege over en treedt u in dienst van Syntus en per die datum eindigt de arbeidsovereenkomst met Connexxion. Uw rechten en plichten die voortvloeien uit de cao en bedrijfsregelingen gaan daarbij over naar de nieuwe vervoerder. U hoeft daarvoor zelf niets te doen, Connexxion geeft deze gegevens door.”

2.5.2.

Op 9 december 2016 bericht Syntus [eiser] als volgt:

“Eén van onze HR adviseurs heeft een gesprek met u gehad over het feit dat u door uw huidige werkgever, Connexxion, bent geselecteerd – en geplaatst op de personeelslijst indirect (niet) herleidbare medewerkers die in het kader van de concessie Provincie [naam] over (dienen te) gaan van Connexxion naar Syntus.

U heeft tijdens dit gesprek aangegeven dat uw betrokkenheid / verbondenheid bij de Concessie Provincie [naam] nihil cq verwaarloosbaar is.

U verricht (nagenoeg) geen werkzaamheden die zijn te herleiden tot deze concessie. Op grond daarvan is Syntus van mening dat u ten onrechte door Connexxion bent aangewezen voor een overgang naar Syntus.

Met andere woorden, u bent door de huidige concessiehouder ten onrechte op de personeelslijst indirect (niet) herleidbare medewerkers geplaatst. Kort na bovengenoemd gesprek bent u hierover reeds telefonisch geïnformeerd.

In dat verlengde zult u niet bij ons in dienst treden per 11 december 2016, en dient u zich te melden bij Connexxion voor het aldaar voortzetten van uw dienstverband.”

2.5.3.

Eveneens op 9 december 2016 bericht Connexxion c.s. [eiser] het volgende:
“Na een zorgvuldig doorlopen proces van toewijzing hebben wij u mondeling en bij brief geïnformeerd over het feit dat u per 11 december 2016 over gaat naar Syntus, de nieuwe concessiehouder van de concessie [afkorting 1] .

Onderdeel van dit proces was ook overleg met de vakbonden en Syntus. Wij gingen er vanuit dat de overgang naar Syntus probleemloos zou verlopen. Echter Syntus heeft aangegeven u als werknemer niet te accepteren en uw loon niet te betalen per 11 december. Tot nu toe was het gebruikelijk dat de nieuwe concessiehouder medewerkers betaalde na concessieovergang, ook als er discussie was.

Wij zijn van mening dat u vanaf 11 december a.s. niet meer in dienst van Connexxion bent vanwege uw overgang naar Syntus en dat er daarom ook geen loonbetalingsverplichting meer is. Nu Syntus te kennen heeft gegeven uw salaris niet te betalen, betekent dit dat u vanaf 11 december a.s. geen salaris ontvangt.

Er is daarmee een unieke en ook zeer onwenselijke situatie ontstaan. Wij hebben – om de nadelige gevolgen voor u als werknemer zoveel mogelijk te beperken – aan Syntus gevraagd of zij in overleg willen treden hierover en ook samen met Connexxion naar de rechter te gaan. Syntus heeft aangegeven dit niet te willen doen. Ook heeft Syntus vervolgens nogmaals aangegeven vanaf 11 december a.s. niet te zullen betalen.

Voor u als werknemer is dit een onwenselijke situatie die wij niet willen laten bestaan. We komen daarom met de volgende oplossing.

Connexxion zal u uit coulance eind december bij wijze van voorschot een netto bedrag, gelijk aan het netto loon over de periode 11 december tot en met eind december 2016 betalen. Dit zullen wij ook in de maand januari 2017 doen. Daarbij geldt de voorwaarde dat u uiterlijk 10 december a.s. de nog bij u in het bezit zijnde spullen van Connexxion (bijvoorbeeld maar niet uitsluitend telefoon, laptop, leaseauto, toegangspassen) inlevert.”

2.5.4.

Op 22 december 2016 berichten Syntus en Connexxion OV [eiser] gezamenlijk:

“Medio november heeft Connexxion u laten weten dat u bent geplaatst op de lijst van indirect niet herleidbare medewerkers, die in het kader van de overgang van de Provincie [naam] concessie per 11 december 2016 dienen over te gaan naar Syntus.

Syntus heeft u daarop uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dit gesprek hebt u aangegeven, dat u geen verbondenheid heeft met deze concessie en niet voor overgang van deze concessie geselecteerd had dienen te worden.

Syntus heeft u daarop laten weten dat u om die reden ten onrechte bent aangewezen voor een overgang naar Syntus en dat u per 11 december 2016 niet in dienst zult/kunt treden bij Syntus. Dit is bevestigd bij brief d.d. 9 december 2016.

Bij brief van diezelfde datum heeft Connexxion u laten weten dat u per 11 december 2016 niet meer in dienst zult zijn bij haar en dat er geen loondoorbetalingverplichting meer bestaat. Connexxion heeft wel aangeboden het loon te betalen tot 31 januari 2017 en naar een oplossing te zoeken met Syntus.

Syntus en Connexxion realiseren zich dat de inmiddels ontstane situatie voor u veel onzekerheid meebrengt. Om deze reden heeft er een overleg plaatsgevonden en zijn er afspraken gemaakt tussen Connexxion en Syntus. Wij berichten u hierover in deze brief.

Garanties met betrekking tot dienstverband en salaris

Aan de ontstane onzekerheid over uw arbeidsrechtelijke positie kan enkel een einde komen indien (in rechte) vastgesteld wordt dat u een medewerker bent zoals genoemd in artikel 37 van de WP 2000. Mocht u tot die categorie behoren, dan was u (met terugwerkende kracht) per 11 december 2016 in dienst bij Syntus. In het andere geval bent u per 11 december 2016 (met terugwerkende kracht) in dienst bij Connexxion.

Voor wat betreft de loondoorbetaling is u inmiddels medegedeeld dat u in ieder geval over de maanden december en januari 2017 voorschotten ter hoogte van uw reguliere salaris zult ontvangen. Connexxion zal deze betaling verzorgen, voor het eerst per 22 december 2016.

Syntus zal, indien vast komt te staan dat u behoort tot de categorie medewerkers zoals genoemd in artikel 37 WPV 2000, u per 11december 2016 in dienst nemen en het salaris dat Connexxion u vanaf 11 december heeft betaald aan Connexxion (terug)betalen.

Voorgaande betekent dat u hoe dan ook gegarandeerd te allen tijde een werkgever hebt en dat u ook uw loon zult blijven ontvangen.

Vaststellen rechtspositie / gerechtelijke procedure

Hoe betreurenswaardig het ook is dat dit initiatief bij u als werknemer ligt, een dergelijke rechtsgang is het meest geëigend, het meest snel en zuiver. In een dergelijke procedure kunt u de feitelijke situatie aan de rechter voorleggen, eventueel onderbouwd met schriftelijke stukken en verklaringen. Aan de zijde van Connexxion en Syntus is er dan ruimte voor verweer. Overigens is het bij concessieovergangen in het verleden ook altijd de medewerker geweest die een kort geding startte tegen de oude concessiehouder en/of de nieuwe concessiehouder.

Het spreekt voor zich, dat de uitkomst van de gerechtelijke procedure door Connexxion en Syntus zonder meer zal worden gerespecteerd.

Teneinde er voor te zorgen dat iedere werknemer voorzien wordt van deugdelijke rechtsbijstand stellen Syntus en Connexxion gezamenlijk een financieel budget beschikbaar. Op deze wijze worden deze werknemers financieel in staat gesteld om Connexxion en Syntus in kort geding te dagvaarden. Indien u hierop een beroep wilt doen verzoeken wij u - of de door u gekozen rechtsbijstandsverlener, contact te zoeken met de hieronder genoemde contactpersonen zodat daarover afspraken kunnen worden gemaakt. (…)”

2.6.

Tussen Connexxion c.s. en Syntus heeft correspondentie plaatsgevonden met betrekking tot de indirecte medewerkers die op de personeelslijst zijn geplaatst.

2.6.1.

Op 28 november 2016 bericht Syntus Connexxion OV onder meer:

“Op 10 november jl. zijn de navolgende personeelslijsten ontvangen:

  • -

    De personeelslijst met alle (herleidbare) indirecte medewerkers van de vestigingen [naam vestiging] / [afkorting 2] [.]

  • -

    De personeelslijst met alle niet herleidbare indirecte medewerkers.

Wij hebben inmiddels alle medewerkers die staan vermeld op deze lijsten uitgebreid gesproken. Deze gesprekken zijn vastgelegd in een (interview)formulier. Naar aanleiding van deze gesprekken, kunnen wij niet anders dan vaststellen dat er meerdere medewerkers ten onrechte door Connexxion op de personeelslijsten zijn geplaatst. Een zevental medewerkers zijn niet (indirect) herleidbaar tot de Concessie Provincie [naam] ( [afkorting 1] ) en bij twee medewerkers is er sprake van schending van bijlage 34 lid 5 van de cao Openbaar Vervoer.

De overgang van de hierna te noemen medewerkers van Connexxion naar Syntus, zal door Syntus dan ook niet geaccepteerd kunnen worden. (…)

3. de heer [eiser]

De functie van de heer [eiser] betreft ‘ [functie van eiser] ’. Hij is in dient bij Connexxion Tours BV, niet zijnde de huidige concessiehouder.

De werkzaamheden van de heer [eiser] behelzen in grote lijnen het aansturen / leiding geven aan zo’n 100 buschauffeurs in dienst bij Tours. Connexxion Tours verricht geen openbaar vervoer. Zij verzorgt (besloten) personeelsvervoer, scholierenvervoer, groepsdagtochten, VIP-vervoer en rolstoelvervoer.

De enige betrokkenheid bij de concessie [afkorting 1] is dat in het buschauffeurs-bestand van de heer [eiser] een tweetal touringcar chauffeurs voorkomen die twee ochtenden in de week een aantal dru’s rijden in het openbaar vervoer.

Hetgeen hierboven is betoogd ten aanzien van de herleidbaarheid cq betrokkenheid naar de concessie [afkorting 1] geldt in de zaak van de heer [eiser] even zeer.

Ook indien al zou kunnen worden gesteld dat de heer [eiser] een indirect niet herleidbare medewerker zou zijn, dan is de betrokkenheid van de heer [eiser] bij de concessie dusdanig verwaarloosbaar, dat hij niet aan de concessie [afkorting 1] kan worden toegerekend.

De heer [eiser] heeft aangegeven zelf ook grote bezwaren te hebben tegen de plaatsing op de lijst van medewerkers die dienen over te gaan, naar de mening van Connexxion, naar Syntus. Hij heeft reeds bezwaar aangetekend, dan wel zal Connexxion op korte termijn een schrijven tegemoet kunnen zien met deze inhoud.”

2.6.2.

Op 2 december 2016 heeft Connexxion OV Syntus onder meer geantwoord:

“(…) Juridisch snijdt de mededeling van Syntus naar de mening van Connexxion ook geen enkele hout. De werking van de WPV 2000 is dat de verliezende concessiehouder op basis van de uitgangspunten van de WPV en het Ontslagbesluit, bepaalt welke werknemers voor aanwijzing in aanmerking komen. Vervolgens worden deze medewerkers geïnformeerd door Connexxion en wordt de lijst aangeleverd aan Syntus. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat er medewerkers zijn die bezwaar hebben tegen hun plaatsing op de lijst en die bezwaren worden dan door Connexxion afgehandeld, waarbij eventueel door de medewerker een juridische procedure (bijv. een kort geding) kan worden gestart tegen Connexxion. Daarbij zal dan de rechter uiteindelijk een oordeel moeten geven over de aanwijzing. Syntus gaat hier nu geheel aan voorbij en gaat in feite op de stoel van de rechter zitten door nu al te besluiten, zonder dat er enig rechtsgeding heeft plaatsgevonden, dat zij een aantal aangewezen medewerkers niet accepteert.

Ook inhoudelijk deelt Connexxion het standpunt van Syntus niet. (…)

3 De heer [eiser]

In uw brief stelt u dat de heer [eiser] in dienst is bij Connexxion Tours en niet bij de huidige concessiehouder. Dit is voor het aanwijzen van een medewerker o.g.v. de WPV niet relevant. Betrokkene heeft een unieke functie en behoort tot de groep niet herleidbare indirecte medewerkers en werkt in principe voor alle concessiegebieden. Connexxion Tours verricht versterkingsritten voor het OV en vanuit dat gegeven is betrokkene voor een deel van zijn werkzaamheden betrokken bij de concessie [afkorting 1] . Uit de toelichting op de WPV blijkt dat het voldoende is dat een deel van de werkzaamheden van een medewerker betrekking heeft op het overgegane concessiegebied. Dit laatste wordt nog verder versterkt door het feit dat Connexxion ook 2 Tour chauffeurs heeft aangewezen om over te gaan naar Syntus vanwege hun werkzaamheden voor de concessie [afkorting 1] . (…)”

2.6.3.

Op 7 december 2016 bericht Syntus aan Connexxion c.s.:
“(…) Verbondenheid met de concessie
Syntus heeft bij brief van 28 november jl. haar standpunt omtrent de indirecte niet herleidbare werknemers waaraan u in uw brief refereert reeds aan Connexxion kenbaar gemaakt. Syntus houdt vast aan dat standpunt. Connexxion heeft de betreffende werknemers ten onrechte voor een overgang naar Syntus geselecteerd.

Op zich is uw stelling juist dat de voormalig concessiehouder (Connexxion) een zekere beleidsvrijheid toekomt bij de selectie van (met name) het indirecte niet herleidbare personeel. Dit is door de Hoge Raad in 2012 al eens bevestigd. Syntus heeft dit ook niet betwist. De beleidsvrijheid van de voormalig concessiehouder is echter niet onbegrensd. De voormalig concessiehouder dient bij de selectie van de werknemers binnen het kader van

artikel 37 WPV 2000 te blijven. Dat artikel bepaalt onder meer:

‘1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 662 en 663 van Boek 7 van het Burgerlijk

Wetboek gaan door de overgang van een concessie van rechtswege over op de nieuwe

concessiehouder de rechten en verplichtingen, omschreven in artikel 38, die op dat tijdstip

voor de voormalige concessiehouder voortvloeien uit de privaatrechtelijke of

publiekrechtelijke arbeidsverhouding tussen hem en:

a. een direct ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de

concessie werd verleend, werkzame persoon, en

b een indirect ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer, waarvoor de concessie werd verleend , werkzame persoon, met inachtneming van het tweede lid.

[..]”

Uit de tekst van artikel 31 lid 1 sub b WPV 2000, welke bepaling ten aanzien van de hier aan de orde zijnde werknemers geldt, blijkt reeds dat enige verbondenheid tussen de indirecte (niet herleidbare) werknemers en de concessie vereist is, alvorens de werknemers voor een overgang kunnen worden geselecteerd. Verricht een werknemer op geen enkele wijze werkzaamheden voor de concessie of is de werknemer slechts zeer marginaal bij de concessie betrokken, dan kan deze werknemer dus reeds op grond van de tekst van artikel 37 lid 1 sub b WPV 2000 niet voor een overgang naar de nieuwe concessiehouder in aanmerking komen.

Vorenstaand beeld wordt ook in de jurisprudentie bevestigd. Syntus verwijst in dat kader onder meer naar het reeds aangehaalde arrest van de Hoge Raad, alsmede naar het daaraan voorafgaande arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 26 april 2011, welk arrest door de Hoge Raad in stand is gelaten. In dat arrest heeft het gerechtshof volgens de Hoge Raad terecht overwogen:

“Dat brengt met zich mee dat de werkgever een zekere mate van beleidsvrijheid heeft bij het aanwijzen van unieke, niet uitwisselbare functies die als gevolg van de concessieovergang komen te vervallen en aldus mee overgaan naar de nieuwe concessiehouder op grond van artikel 37 lid 4 Wpv. Het hof heeft — zoals al gezegd — in dit verband vastgesteld dat de tekst noch de wetsgeschiedenis van de Wpv daarbij de eis stelt dat deze werkzaamheden geheel of grotendeels ten behoeve van het overgegane concessiegebied werden verricht.

Voldoende is dat een deel van de werkzaamheden betrekking heeft op het overgegane concessiegebied en dat betekent dat enige betrokkenheid bij de concessie al voldoende is om te kunnen kwalificeren als indirecte medewerker, waarvan de werkzaamheden als gevolg van de concessieovergang komen te vervallen.”

Syntus verwijst tevens naar een reeds eerder aangehaalde uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 januari 2009. In die uitspraak overweegt de rechtbank (gezien het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad terecht): “De kantonrechter stelt voorop dat artikel 37 WPV 2000 niet als eis stelt dat het indirecte

personeel dat met de concessie overgaat in dienst is bij de concessiehouder. Ook personeel dat binnen concernverband werkzaamheden verrichtte dat betrekking had op het concessiegebied kan overgaan. Evenmin is vereist dat die werkzaamheden geheel of grotendeels ten behoeve van het overgegane concessiegebied werden verricht. Voor toepassing van artikel 37 WPV 2000 is voldoende dat een deel van de werkzaamheden betrekking heeft op het overgegane concessiegebied .”

Uit de jurisprudentie blijkt aldus klip en klaar dat enige betrokkenheid van een indirecte niet herleidbare werknemer bij een concessie vereist is, om voor een overgang met die concessie te kunnen worden geselecteerd. Dit volgt overigens ook uit de regels omtrent bedrijfseconomische ontslagen van het UWV, op grond waarvan de selectie van de niet herleidbare indirecte werknemers dient plaats te vinden. Op grond van die regels dient een

voormalig concessiehouder het causale verband tussen het verlies van de concessie en het verlies van de betreffende arbeidsplaats namelijk aannemelijk te maken. Zonder enige betrokkenheid van een werknemer bij een concessie is dat (vrijwel) onmogelijk.

Overigens blijkt uit de jurisprudentie tevens dat ook bij slechts zeer marginale betrokkenheid van een werknemer bij een concessie, wordt geoordeeld dat deze werknemer niet met een concessie behoort over te gaan. Verwezen wordt in dat kader naar met name rechtsoverweging 4.8 van de hiervoor aangehaalde uitspraak van de rechtbank Groningen (voetnoot 3).

Op basis van de verklaringen van de werknemers waaraan u in uw brief refereert, heeft Syntus moeten constateren dat de betreffende werknemers op geen enkele wijze, althans zeer marginaal, bij de concessie Provincie [naam] betrokken zijn. Gezien vorenstaande komen deze werknemers naar de mening van Syntus dan ook niet voor een overgang naar Syntus in aanmerking. Dit is de reden dat Syntus deze werknemers niet accepteert.”

2.6.4.

Op 9 december 2016 antwoordt Connexxion OV:

“In reactie op uw brief d.d. 7 december jl. kan ik u het volgende meedelen. Het spijt ons in uw brief te lezen dat Syntus vooralsnog niet bereid is de 9 medewerkers, die naar de mening van Connexxion op grond van de WPV 2000 van rechtswege overgaan, te accepteren.

In uw brief geeft u aan dat Connexxion tot op heden op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat de betreffende medewerkers door haar terecht zijn geselecteerd om voor overgang in aanmerking te komen. U nodigt Connexxion uit om dit met bescheiden/verklaringen te onderbouwen en nader toe te lichten.

Connexxion is van mening dat zij haar standpunt in haar brief van 2 december jl. heeft onderbouwd en daar ook per medewerker duidelijk heeft aangegeven waarom deze medewerkers aangewezen zijn om van rechtswege over te gaan naar Syntus. Connexxion ziet dan ook niet in waarom van haar verlangd zou kunnen worden om nog verdergaande bescheiden en verklaringen te gaan overleggen. In de concessieovergangen die tot op heden hebben plaatsgevonden is dit op deze wijze niet eerder aan de orde geweest. Ook uit WPV 2000 vloeit een dergelijke verplichting niet voort. Syntus veroorzaakt met haar standpunt een trendbreuk en dient zich te realiseren dat dit zijn impact kan gaan hebben op toekomstige concessie-overgangen.

Volgens Syntus zouden verklaringen van medewerkers, waar door Syntus om is gevraagd, en die naar de mening van Connexxion niet passen binnen de systematiek van de WPV 2000 een overgang van rechtswege te niet doen. Het is duidelijk dat wij het met dat standpunt niet eens zijn.

De jurisprudentie die Syntus in haar brief aanhaalt, met name het arrest van het Hof van 26 april 2011 en het arrest van de Hoge Raad zijn voor Connexxion, naast de bepalingen in de WPV 2000, uitgangspunten geweest voor het aanwijzen van de medewerkers. In onze toelichting hebben wij aangegeven en onderbouwd wat de betrokkenheid van de betreffende medewerkers bij de concessie [afkorting 1] is. Die mate van betrokkenheid verschilt uiteraard van medewerker tot medewerker. Hiermee is Connexxion verder gegaan dan de WPV 2000 van de concessiehouder verlangt.

Voorzover die betrokkenheid naar uw mening zou ontbreken, wijs ik nogmaals op het bepaalde in artikel 37 lid 2 en 4 van de WPV 2000. Het gaat om de overgang van personen die, was er sprake van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden, voor ontslag in aanmerking komen met inachtneming van de daarvoor geldende regels. Daarbij hoort, zoals ook door de Hoge Raad in het arrest van 8 juni 2012 is aangegeven een zekere mate van beleidsvrijheid, zoals die ook geldt in de Ontslagregeling. (…)”

2.6.5.

Op 13 december 2016 reageert Syntus onder meer als volgt

“In goede orde ontving ik uw brief van vrijdag 9 december jl. aangaande de discussie rondom een 9-tal werknemers die door Connexxion, naar de mening van Syntus ten onrechte, in het kader van de overgang van de concessie Provincie [naam] ( [afkorting 1] ) voor een overgang naar Syntus zijn aangewezen. Hierbij kom ik terug op uw brief.

Inleiding

Syntus constateert allereerst dat partijen kennelijk niet van mening verschillen over de juridische kaders waarbinnen de selectie van, met name, de indirecte niet herleidbare werknemers door Connexxion dient te geschieden. De meningen van partijen lopen uiteen voor wat betreft de door Connexxion gehanteerde selectiecriteria. Connexxion is — kort gezegd — van mening dat zij volledige beleidsvrijheid heeft voor wat betreft de selectie van voornoemde werknemers. Syntus is echter van mening dat, zoals zij reeds uitgebreid heeft

toegelicht in haar brief van 7 december jl., deze beleidsvrijheid (enigszins) beperkt is. Slechts de werknemers die op enigerlei wijze en niet slechts in marginale mate aan de concessie [afkorting 1] zijn verbonden, komen voor een overgang naar Syntus in aanmerking.

Gedachte achter verzoek tot onderbouwing

Syntus heeft met de door Connexxion aangewezen werknemers oriënterende gesprekken gevoerd. De 9 werknemers waarover thans discussie bestaat, hebben allen aangegeven zelf verbaasd te zijn over de plaatsing op de lijst van indirecte niet herleidbare werknemers. Volgens deze werknemers zijn zij namelijk helemaal niet aan de concessie [afkorting 1] verbonden, dan wel geldt voor hen bijlage 34 regel 5 van de cao OV. U kunt zich (hopelijk) voorstellen dat Syntus op grond van die mededelingen vraagtekens zet bij de (rechts)geldigheid van de

plaatsing van deze werknemers op de personeelslijst indirecte niet herleidbare werknemers. U stelt dat Syntus met haar standpunt een “trendbreuk zou veroorzaken welke impact zou (kunnen) hebben op toekomstige concessieovergangen, Syntus deelt dat standpunt niet. Syntus heeft immers niet actief en niet uit eigener beweging om een onderbouwing van de volledige personeelslijst verzocht. Dat was ook nimmer de intentie. Pas nadat een aantal werknemers bij haar heeft aangegeven zelf verbaasd te zijn over de selectie door Connexxion, heeft Syntus aan Connexxion verzocht om aan te geven c.q. te onderbouwen waarom de betreffende werknemers door Connexxion zijn geselecteerd. Gezien de twijfels die de werknemers hierover zelf hebben geuit, lijkt dat Syntus een logisch verzoek.

Bij vorenstaande komt nog dat het verzoek van Syntus, zoals zij dat ook in haar brief van 7 december jl. heeft toegelicht mede is ingegeven door de gedachte dat daarmee wellicht een gerechtelijke procedure tussen partijen kan worden voorkomen. Indien en voor zover uit de onderbouwing van Connexxion blijkt dat de betreffende werknemers terecht voor een overgang naar Syntus zijn geselecteerd, zal Syntus deze werknemers vanzelfsprekend (moeten) accepteren. Een juridische procedure kan in dat geval achterwege blijven, hetgeen

naar de mening van Syntus voor alle betrokken partijen wenselijk is. (…)”

2.6.6.

Hierop heeft Connexxion OV op 14 december 2016 onder meer als volgt reageert:

“(…) Partijen hebben inderdaad geen verschil van mening over de juridische kaders waarbinnen de aanwijzing van medewerkers plaatsvindt. In uw brief trekt u echter ten onrechte de conclusie dat Connexxion van mening zou zijn dat zij de volledige beleidsvrijheid heeft voor de selectie van medewerkers. Connexxion heeft haar standpunt o.a. gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad uit 2012. In dat arrest wordt de beleidsvrijheid van de werkgever aangegeven. In uw brief geeft u aan dat deze beleidsvrijheid (enigszins) beperkt is en dat standpunt delen wij en dit is ook in lijn met het arrest van de Hoge Raad.

De 9 medewerkers die wij hebben aangewezen, waarover discussie met Syntus bestaat, zijn op enigerlei wijze betrokken bij de concessie. De mate van betrokkenheid is niet voor iedere medewerker gelijk en verschilt per medewerker. In onze brief van 2 december jl. hebben wij op verzoek van Syntus per medewerker een onderbouwing aangeleverd en Connexxion is van mening dat zij daarmee volledig aan haar verplichtingen heeft voldaan en zelfs aanzienlijk meer gedaan heeft dan de WPV 2000 voorschrijft. Wij hebben onze brief en onze onderbouwing t.a.v. de 9 medewerkers ook nog laten beoordelen door een externe advocaat en hij heeft onze brief en onderbouwing onderschreven.

Uit uw brief van 13 december jl. blijkt nogmaals dat Syntus zich voor haar oordeel over de 9 medewerkers volledig baseert op de informatie uit de gesprekken met de 9 medewerkers. Connexxion is niet bij die gesprekken aanwezig geweest en kan die informatie niet beoordelen.

Overigens zal het u uit de praktijk van de aanwijzing van medewerkers niet vreemd voorkomen dat medewerkers vaak niet zitten te wachten op een aanwijzing, omdat zij daarmee het risico lopen ontslagen te worden door de nieuwe concessiehouder. Connexxion is van mening dat deze eenzijdige informatie er echter niet toe kan en mag leiden dat Syntus deze medewerkers niet accepteert in het kader van concessieovergang. Syntus gaat daarbij ook geheel voorbij aan de onderbouwing die Connexxion in haar brief d.d. 2 december jl. heeft gegeven. (…)”

2.7.

Bij vonnis van 2 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eiser] om de uitvoering van de transferlijst inzake de overgang van de Concessie [afkorting 1] ten aanzien van [eiser] te schorsen en Connexxion Tours te veroordelen om [eiser] onvoorwaardelijk in de gelegenheid te stellen om de bedongen arbeid als [functie van eiser] te kunnen blijven verrichten, met betaling van het overeengekomen loon en emolumenten, afgewezen.

2.8.

[eiser] heeft vanaf 22 mei 2017 tot 1 januari 2018 bij Syntus, thans Keolis, de tijdelijke functie van [tijdelijke functie van eiser] vervuld.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – primair te verklaren voor recht dat [eiser] door Connexxion ten onrechte op de transferlijst naar Syntus is geplaatst. Verder vordert [eiser] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad Connexxion Tours te veroordelen om [eiser] onvoorwaardelijk in de gelegenheid te stellen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis de bedongen arbeid als [functie van eiser] te kunnen verrichten, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat Tours na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,00. Verder vordert [eiser] om Connexxion OV te veroordelen om het overeengekomen loon ad € 5.555,56 (exclusief bonus en emolumenten) bruto per maand vanaf de dag van terugkeer in de functie van [functie van eiser] op de/het gebruikelijke wijze en tijdstip aan [eiser] te voldoen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Tenslotte vordert [eiser] de veroordeling van Connexxion Tours tot betaling van € 2.500,-- bruto aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten alsmede Connexxion Tours of Connexxion OV te veroordelen in de kosten van dit geding waaronder begrepen de nakosten met de wettelijke rente over deze kosten.

Subsidiair heeft [eiser] gevorderd Syntus, thans Keolis, te veroordelen om [eiser] toe te laten tot het verrichten van passende werkzaamheden, met alle daarbij behorende werkzaamheden op straffe van een dwangsom, alsmede de betaling van het hiervoor aangehaalde overeengekomen loon en de buitengerechtelijke incassokosten met de proceskosten en de nakosten met de wettelijke rente over deze kosten.

3.2.

Connexxion Tours, Connexxion OV en Keolis voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat er geen grond aanwezig is om hem met toepassing van de Wet Personenvervoer 2000 (WPV 2000) aan te wijzen als (in)direct betrokken medewerker. [eiser] is daarom niet van rechtswege in dienst getreden bij Syntus. [eiser] besteedt zijn volledige werkzaamheden ten behoeve van Connexxion Tours en heeft niets met openbaar vervoer te maken. [eiser] vervult een unieke c.q. niet-uitwisselbare functie. Bij de selectie van die functies heeft Connexxion c.s. een zekere mate van beleidsvrijheid. Om een medewerker te kwalificeren als een indirecte medewerker is volgens de jurisprudentie enige mate van betrokkenheid bij de concessie al voldoende. Connexxion c.s. heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan [eiser] direct dan wel indirect werkzaamheden verrichtte ten behoeve van de Concessie [afkorting 1] . [eiser] is ten onrechte op de transferlijst geplaatst.

[eiser] heeft verder aangevoerd dat het belangrijkste doel van artikel 37 WPV 2000 is behoud van arbeidsplaatsen en bescherming van werknemers. [eiser] zal als hij als gevolg van de concessie-overgang in dienst zal treden bij Syntus zeer waarschijnlijk zijn baan verliezen nu Syntus te kennen heeft gegeven dat zij geen arbeidsplaats voor [eiser] beschikbaar heeft.

4.2.

Connexxion c.s. heeft als verweer aangevoerd dat [eiser] enige betrokkenheid heeft bij de Concessie [afkorting 1] . [eiser] is vanuit zijn functie als [functie van eiser] onder meer verantwoordelijk voor de organisatie van het uitvoeren van versterkingsritten door twee (van de honderd) buschauffeurs van Connexxion Tours voor de Concessie [afkorting 1] . Die twee buschauffeurs van Connexxion Tours zijn als directe werknemers van rechtswege overgegaan naar Syntus. Volgens Connexxion c.s. is [eiser] in zijn functie als [functie van eiser] aldus voor een deel van zijn werkzaamheden betrokken bij de Concessie [afkorting 1] . De omvang van zijn werkzaamheden voor de Concessie [afkorting 1] in verhouding tot zijn andere werkzaamheden is voor de toepassing van artikel 37, vierde lid, WPV 2000 niet relevant. [eiser] heeft een unieke functie. Connexxion c.s. heeft (een zekere mate van) beleidsvrijheid om die unieke functie, die enige betrokkenheid heeft met de verloren Concessie [afkorting 1] , op de transferlijst van de niet herleidbare indirecte werknemers te plaatsen. [eiser] is daarom op grond van artikel 37 WPV per 11 december 2016 van rechtswege overgegaan naar Syntus. De houding en het gedrag c.q. de handelwijze van Syntus is schrijnend te noemen volgens Connexxion c.s.. Syntus, thans Keolis, dient haar verplichtingen na te komen om [eiser] (passend) werk aan te bieden en het loon aan hem (door) te betalen.

4.3.

Keolis is het in grote mate eens met [eiser] voor wat betreft zijn primaire vordering en voegt daar aan toe dat Connexxion c.s. de reikwijdte van artikel 37 WPV 2000 te ver heeft opgerekt door [eiser] niettemin voor een overgang naar Syntus te selecteren. Voorts liggen er oneigenlijke argumenten ten grondslag aan de selectie van [eiser] nu aan de selectie van [eiser] een reorganisatiedoelstelling ten grondslag lijkt te liggen. Subsidiair betwist Keolis dat artikel 37 WPV 2000 de verplichting met zich meebrengt om aan [eiser] een passende functie aan te bieden. De vordering tot tewerkstelling dient daarom te worden afgewezen, aldus Keolis.

4.4.

In deze procedure dient de vraag te worden beantwoord of [eiser] door Connexxion c.s. terecht op de transferlijst naar Syntus, hierna te noemen de transferlijst, is geplaatst als indirecte, niet herleidbare werknemer, in de zin van artikel 37 lid 1 onder b Wet Personen-vervoer 2000 (hierna WPV), waardoor hij als werknemer van rechtswege is overgegaan naar Syntus.

4.5.

Op grond van art. 37 lid 1 WPV gaan door de overgang van een concessie van rechtswege over op de nieuwe concessiehouder de rechten en verplichtingen, omschreven in art. 38 WPV, die op dat tijdstip voor de voormalige concessiehouder voortvloeien uit de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke arbeidsverhouding tussen hem en:

  1. een direct ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend, werkzame persoon, en

  2. een indirect ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend, werkzame persoon, met inachtneming van lid 2.

4.6.

Ten aanzien van concessie-overgang maakt de wet onderscheid tussen zogenaamde directe en indirecte werknemers. Directe werknemers zijn werknemers die direct ten behoeve van het concessiegebied werkzaamheden verrichten, zoals chauffeurs en loketpersoneel. Indirecte werknemers zijn werknemers die zijn aangesteld bij algemene afdelingen zoals een personeelsafdeling, onderhoudsdienst of een stafafdeling. Het aantal indirecte werknemers dat met de concessie overgaat wordt, zo volgt uit lid 2 van artikel 37 WPV, gerelateerd aan de verminderde omzet als gevolg van de concessie-overgang. Nu in het onderhavige geval met de concessie 10% van de omzet van Connexxion c.s. gemoeid gaat, gaat ook 10% van het indirecte personeel over.

4.7.

Binnen de groep indirecte werknemers wordt een onderscheid gemaakt tussen arbeidsplaatsen die wel of niet herleidbaar zijn tot een individu. De herleidbare indirecte werknemers zijn zij die individueel toe te wijzen zijn aan de concessie die overgaat, zoals een planner van een bij de concessie betrokken groep chauffeurs of een vestigingsmanager. Niet herleidbare indirecte werknemers zijn zij die weliswaar voor de concessie werkzaam zijn maar van wie de arbeidsplaats niet op individuele basis aan de betreffende concessie kan worden toegewezen, zoals fiscalisten en telefonistes die voor meerdere concessies werkzaam zijn.

4.8.

Indien een arbeidsplaats niet herleidbaar is tot een individu bepaalt artikel 37 lid 4 WPVdat bij de selectie van de werknemers die overgaan naar de nieuwe concessiehouder moet worden aangesloten bij de regels die gelden voor ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Het vierde lid beoogt derhalve de selectie van individuele werknemers binnen de in het eerste lid onder sub b gedefinieerde groep nader aan te geven.

4.9.

Over de gevolgen voor het personeel van een concessie-overdracht en met name voor de niet herleidbare indirecte werknemers heeft de Hoge Raad op 8 juni 2012 (ECLI:NLHR:2012:BW0246) een arrest gewezen. Dit arrest betreft cassatie tegen

het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 april 2011 (ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2593). In dit arrest is verworpen dat bij de selectie van niet herleidbare indirecten de meest bij de concessie betrokkenen als eerste overgaan. Het relatieve omzetverlies ten gevolge van de overgang van de concessie is bepalend voor de berekening van het aantal niet herleidbare indirecte werknemers en daarin ligt niet de verdergaande eis besloten dat het verval van de arbeidsplaats van de individuele werknemer het directe gevolg dient te zijn van het verlies van de concessie. Voor zover het op basis van het omzetverlies becijferde contingent dat toelaat, wordt de individuele werknemer op basis van de in het Ontslagbesluit opgenomen regels voor ontslag wegens bedrijfseconomische reden geselecteerd. Bij de selectie voor unieke, niet inwisselbare functies bestaat daarom een zekere mate van beleidsvrijheid voor de werkgever.

4.10.

Vast staat dat [eiser] laatstelijk werkzaam was in een unieke, niet uitwisselbare (management) functie. Als zodanig was [eiser] werkzaam bij een dochter van het moederconcern van het OV-bedrijf, die zich niet bezighoudt met openbaar vervoer, maar met besloten vervoer (touringcarvervoer voor dagtrips, meerdaagse reizen, schoolreizen e.d.), zij het dat er op beperkte schaal door het openbaar vervoer bedrijf van Connexxion c.s. bijstand wordt ingehuurd van Connexxion Tours. Volgens Connexxion c.s. heeft zij [eiser] als niet-herleidbare indirect betrokken werknemer op de transferlijst kunnen plaatsen. Naar het oordeel van de kantonrechter is bij de beantwoording van de vraag of dit terecht is, allereerst van belang of [eiser] ook werkzaamheden verrichtte ten behoeve van de concessie die overgaat. In lid 1 onder b van artikel 37 WPV is immers bepaald dat sprake moet zijn van een werkzame persoon “ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend”. De mate waarin er wordt gewerkt ten behoeve van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend, is in beginsel niet relevant. In het hiervoor aangehaalde arrest van 26 april 2011 overweegt het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch daarover (onder r.o. 4.4.4.) dat de tekst noch de wetsgeschiedenis van de WPV de eis stelt dat deze werkzaamheden geheel of grotendeels ten behoeve van het overgegane concessiegebied werden verricht. Voldoende is, zo overweegt het Gerechtshof, dat een deel van de werkzaamheden betrekking heeft op het overgegane concessiegebied. Dit betekent dat enige betrokkenheid bij de concessie al voldoende is in de visie van de wetgever om een medewerker te kunnen kwalificeren als indirecte werknemer. In gelijke zin heeft het Gerechtshof Amsterdam op 7 juni 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ7368) geoordeeld.

4.11.

Volgens Connexxion c.s. is zonder meer en ook aantoonbaar dat [eiser] enige betrokkenheid had bij de Concessie [afkorting 1] . [eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. Dit betekent dat het op de weg van Connexxion c.s. ligt om aannemelijk te maken dat [eiser] direct danwel indirect werkzaamheden verrichtte ten behoeve van het openbaar vervoer waarvoor de concessie is verleend. Connexxion c.s. heeft daartoe gesteld dat [eiser] vanuit zijn functie als [functie van eiser] (onder andere) verantwoordelijk was voor de organisatie van het uitvoeren van versterkingsritten door buschauffeurs van Connexxion Tours. Ook zou [eiser] in het kader van verliezen van de Concessie [afkorting 1] twee buschauffeurs van Connexxion Tours als directe werknemers hebben aangewezen c.q. op de personeelslijst hebben gezet waarbij Connexxion c.s. verwijst naar enkele e-mails die [eiser] heeft verstuurd.

4.12.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Connexxion c.s. hiermee haar stelling op dit punt onvoldoende onderbouwd. Een functiebeschrijving van de functie van [eiser] , waaruit zou kunnen volgen dat hij werkzaamheden verricht ten behoeve van de Concessie [afkorting 1] , is door Connexxion c.s. niet in het geding gebracht, hoewel dit onverlet laat dat werkzaamheden ten behoeve van de Concessie [afkorting 1] in de loop van de tijd tot het takenpakket van [eiser] kunnen zijn gaan behoren. Connexxion c.s. heeft zich echter voor wat betreft haar stelling dat [eiser] vanuit zijn functie als [functie van eiser] (onder andere) verantwoordelijk was voor de organisatie van het uitvoeren van versterkingsritten door buschauffeurs van Connexxion Tours, enkel gebaseerd, zonder onderbouwing, op een “bevestiging daarvan door (de gemachtigde van) [eiser] in de kort geding procedure en in onderhavige procedure”. Dit acht de kantonrechter onvoldoende. Temeer nu [eiser] in onderhavige procedure - onbetwist door Connexxion c.s. - heeft gesteld dat de betreffende aanvraag van Connexxion c.s. voor chauffeurs, binnenkwam bij de [....] Manager Tours, dat deze [....] Manager Tours de onderhandelingen deed met Connexxion OV en dat na het binnenhalen van een opdracht, de opdracht werd doorgestuurd naar de planner, [A] , die zorg droeg voor de uitvoering door de touringcar met chauffeur in te plannen ten behoeve van opdrachtgever Connexxion OV. Het verrichten van de versterkingsritten gebeurde, aldus [eiser] , door de chauffeurs. Volgens [eiser] hield hij enkel toezicht op een juiste organisatie en inroostering van zijn chauffeurs en touringcars binnen Tours en uitdrukkelijk niet binnen de Concessie [afkorting 1] . [eiser] heeft verder - eveneens onbetwist door Connexxion c.s. - gesteld dat dit toezicht binnen Connexxion Tours ongeveer 0,1% van zijn werktijd op jaarbasis in beslag nam. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt hieruit dat [eiser] bij de opdrachtverlening en bij de uitvoering van de werkzaamheden door de chauffeurs van Connexxion Tours bij de Concessie [afkorting 1] niet of amper bemoeienis had. Dit acht de kantonrechter dan ook te gering om te oordelen dat [eiser] in enigerlei mate bij de Concessie [afkorting 1] betrokken was. Als dit volgens Connexxion c.s. duidelijk anders is geweest, had het op de weg van Connexxion c.s. gelegen dit afdoende met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Dat heeft Connexxion c.s. niet gedaan.

4.13.

Dat [eiser] in oktober/november 2016 in het kader van het verliezen van de Concessie [afkorting 1] in twee e-mails twee buschauffeurs van Connexxion Tours, aldus Connexxion c.s., als directe werknemers zou hebben aangewezen c.q. op de personeelslijst zou hebben gezet, geeft geen reden om anders te oordelen. Anders dan Connexxion c.s. meent volgt uit de twee e-mails van [eiser] die zij in het geding heeft gebracht, niet dat [eiser] de twee buschauffeurs heeft aangewezen c.q. op de personeelslijst heeft gezet. Uit de in het geding gebrachte e-mails heeft de kantonrechter enkel opgemaakt dat naar aanleiding van kennelijk een verzoek van Connexxion OV, [eiser] aan de planner heeft gevraagd om een overzicht van de versterkingsdiensten die Connexxion Tours uitvoert. Na ontvangst van het antwoord van de planner heeft [eiser] diens email “een op een” doorgestuurd naar Connexxion OV en in een latere e-mail, ook weer op verzoek van Connexxion OV, alleen nog de twee namen van chauffeurs doorgegeven die op de desbetreffende versterkingsritten rijden. [eiser] heeft derhalve niet de twee buschauffeurs “aangewezen” of “op de personeelslijst gezet”, maar alleen aangegeven dat zij feitelijk op de versterkingsritten rijden. Uit enkel deze emails kan derhalve niet worden afgeleid, zo Connexxion c.s. kennelijk meent, dat [eiser] bemoeienis heeft, en derhalve in enigerlei mate betrokkenheid heeft, bij de Concessie [afkorting 1] . Veeleer lijkt het te bevestigen dat de bemoeienis van [eiser] met de Concessie [afkorting 1] er niet is. [eiser] kon immers de vragen van Connexxion OV niet zelfstandig beantwoorden en heeft daarvoor de hulp van de planner moeten inroepen.

4.14.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat aan het in artikel 34 lid 1 sub b WPV bepaalde dat het bij het overgaan van de concessie moet gaan om een werkzame persoon ten behoeve van de verrichtingen van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend, niet is voldaan zodat per 11 december 2016 geen overgang van rechtswege van [eiser] heeft plaatsgevonden naar Syntus.

4.15.

De kantonrechter is overigens nog van oordeel, voor zover wel zou zijn voldaan aan het vereiste dat [eiser] in enigerlei mate werkzaam is geweest voor de Concessie [afkorting 1] , dat het op zichzelf juist is dat Connexxion c.s. in dat geval - omdat de regels van het Ontslagbesluit van toepassing zijn ingevolge het bepaalde in lid 4 van artikel 34 WPV - een zekere mate van beleidsvrijheid toekomt bij de selectie voor unieke, niet uitwisselbare functies. Connexxion c.s. is immers in beginsel vrij haar organisatie in te richten op een wijze die haar goeddunkt. Deze vrijheid is evenwel niet onbegrensd en kan, zij het marginaal, getoetst worden aan de beginselen van redelijkheid en billijkheid en de norm van goed werkgeverschap. Connexxion c.s. dient derhalve bij de overgang van de concessie wel aannemelijk te maken dat de functie van [eiser] als gevolg daarvan is vervallen. Volgens [eiser] heeft Connexxion c.s. dit niet gedaan. [eiser] kan hierin worden gevolgd. Naar het oordeel van de kantonrechter had Connexxion c.s. deugdelijk inzicht moeten geven in de redenen die zij heeft gehad om [eiser] op de transferlijst te plaatsen en waarom bijvoorbeeld niet de [....] manager tours of een andere werknemer die indirecte niet herleidbare werkzaamheden verricht, daarop is geplaatst. Dit inzicht heeft Connexxion c.s. niet gegeven, ook niet tijdens de comparities van partijen. Evenmin is gesteld of gebleken dat er geen passende herplaatsingsmogelijkheden voor [eiser] waren binnen Connexxion c.s.. Dit leidt derhalve tot het oordeel dat Connexxion c.s., voor zover [eiser] in enigerlei mate werkzaam zou zijn geweest voor de Concessie [afkorting 1] , niet althans onvoldoende heeft onderbouwd om welke redenen zij [eiser] , en niet een andere werknemer, op de transferlijst heeft geplaatst.

4.16.

Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] door Connexxion c.s. ten onrechte op de transferlijst naar Syntus is geplaatst, toewijsbaar is. Dit geldt ook voor de vorderingen om [eiser] onvoorwaardelijk en op straffe van een dwangsom in de gelegenheid te stellen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis de bedongen arbeid als [functie van eiser] te kunnen verrichten en om Connexxion c.s. te veroordelen om het overeengekomen loon ad € 5.555,56 (exclusief bonus en emolumenten) bruto per maand vanaf de dag van terugkeer in de functie van [functie van eiser] aan [eiser] te voldoen.

4.17.

De vordering tot betaling van € 2.500,-- bruto aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen nu niet is gesteld of gebleken dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

4.18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt aan het subsidiair gevorderde niet toegekomen zodat niet behoeft te worden beoordeeld of de subsidiair jegens Keolis ingestelde vorderingen toewijsbaar zijn.

4.19.

Connexxion c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van dit geding alsmede in de nakosten. De rente over deze kosten is toewijsbaar zoals in het dictum nader zal worden aangegeven.

4.20.

[eiser] zal in de kosten van de procedure van Keolis worden veroordeeld met de wettelijke rente over deze kosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

- verklaart voor recht dat [eiser] door Connexxion c.s. ten onrechte op de transferlijst naar Syntus is geplaatst;

- veroordeelt Connexxion Tours om [eiser] onvoorwaardelijk in de gelegenheid te stellen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis de bedongen arbeid als [functie van eiser] te kunnen verrichten op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat Connexxion Tours na betekening van dit vonnis in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van

€ 50.000,--;

- veroordeelt Connexxion c.s. om aan [eiser] het overeengekomen loon ad € 5.555,56 (exclusief bonus en emolumenten) bruto per maand te voldoen vanaf de dag van terugkeer in de functie van [functie van eiser] tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

- veroordeelt Connexxion c.s. in de proceskosten, tot op de dag van de uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op :

€ 97,31 aan explootkosten

€ 470,-- aan griffierecht

€ 600,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien Connexxion c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis heeft voldaan, berekend vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op de dag van de uitspraak aan de zijde van Keolis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Keolis volledig aan dit vonnis heeft voldaan, berekend vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Connexxion c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de [eiser] begroot op € 100,-- aan salaris gemachtigde indien Connexion c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis heeft voldaan, te vermeerderen, indien na aanschrijving betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van het exploot alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente, indien Connexxion c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis heeft voldaan, berekend vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.