Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1167

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
08-01-2019
Zaaknummer
UTR - 17 _ 3856
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Correctie tellerstand, kenteken, voertuig, 4:6, herhaalde aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3856

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. de Roon),

en

de Algemeen Directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, verweerder

(gemachtigde: I.J. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om de tellerstand van het voertuig met kenteken [kenteken] te corrigeren op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Bij besluit van 14 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan zijn aanvraag opnieuw zou moeten worden beoordeeld. Eiser verwijst in dit verband naar de nieuwe bewijsstukken die hij heeft overgelegd, namelijk een verklaring van Profile Nederland van 8 september 2016 waarin wordt gemeld dat zij de tellerstand op 31 augustus 2009 foutief hebben ingevoerd en de gecorrigeerde factuur van 31 augustus 2009 waarop de correcte kilometerstand is vermeld. Daarbij merkt eiser op dat verweerder heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over de aan te leveren bewijsstukken op grond waarvan hij aannemelijk kan maken dat de tellerstand eenmalig foutief is geregistreerd. Ter zitting heeft eiser nog opgemerkt dat er geen opzet in het spel is. Bij de aankoop van de auto was eiser bekend dat op het tellerrapport van de auto “geen oordeel” staat vermeld. Ondanks deze omstandigheid heeft eiser de auto gekocht, met in het achterhoofd dat de tellerstand mogelijk zou kunnen worden gecorrigeerd.

  2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht is geconcludeerd dat eiser geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden heeft aangedragen. De overgelegde factuur heeft eiser immers al in de vorige procedure bij het verzoek van 27 augustus 2016 overgelegd, maar dan met een andere kilometerstand. Dat de factuur op het punt van de kilometerstand is gewijzigd maakt volgens verweerder niet dat sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden. Ook is het volgens verweerder niet aannemelijk dat de “gewijzigde” factuur niet tjdens het verzoek van 27 augustus 2016 aangeleverd had kunnen worden. Ter zitting heeft verweerder nog opgemerkt dat in het verleden meerdere pogingen zijn gedaan om deze kilometerstand te laten corrigeren. Die pogingen hebben echter, wegens het gebrek aan bewijs, nooit tot een correctie geleid.

  3. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat eiser eerder, op 27 augustus 2016, eenzelfde aanvraag tot het corrigeren van de kilometerstand van het voertuig met kenteken [kenteken] heeft ingediend. Die aanvraag heeft geleid tot het afwijzende besluit van 26 september 2016. De voorliggende aanvraag is zodoende een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Op grond van artikel 4:6 van de Awb moet eiser aan zijn nieuwe aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag leggen.

  4. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn aanvraag te onderbouwen en om in dit geval nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden aan te voeren. Door te stellen dat verweerder nagelaten heeft duidelijkheid te verschaffen over de aan te leveren bewijsstukken miskent eiser zijn uitgangspositie, waarbij hij als aanvrager aan zet is. Overigens heeft verweerder eiser wel degelijk informatie verschaft over de aan te leveren bewijsstukken. De rechtbank wijst in dit kader bijvoorbeeld naar de e-mail van 30 augustus 2016, 16:40 uur. Eiser heeft in deze procedure de factuur van 31 augustus 2009 en de toelichting daarop van 8 september 2016 overgelegd. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat deze stukken niet als nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Hoewel een factuur, zoals ook blijkt uit de hiervoor genoemde e-mail van verweerder van 30 augustus 2016, een bewijsstuk kan zijn, moet in dit geval worden beoordeeld of eiser dit bewijsstuk niet al eerder heeft overgelegd of eerder kon overleggen. Uit het dossier blijkt dat eiser de factuur van 31 augustus 2009 al in de vorige procedure heeft overgelegd. Dat betekent dat dit stuk niet als nieuw feit en/of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt; het is niet nieuw. Dat de kilometerstand op de factuur is aangepast leidt niet tot een andere conclusie. Daarmee blijft het immers hetzelfde bewijsstuk, zeker gezien het feit dat de datum en het factuurnummer gelijk zijn gebleven. Het is geen nieuwe factuur zoals mogelijk een correctiefactuur zou kunnen zijn geweest. De overgelegde verklaring van Profile Nederland van 8 september 2016 werpt op dit alles geen ander licht. Die verklaring kan daarnaast op zichzelf evenmin als nieuw feit en/of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. Niet valt immers in te zien waarom eiser deze verklaring niet eerder heeft overgelegd of kon overleggen. Daarbij komt dat het nog maar de vraag is of de verklaring op zichzelf, zonder onderbouwende stukken als een volledig ingevuld onderhoudsboekje, afbreuk kan doen aan het eerdere besluit van 26 september 2016.

  5. Gezien het voorgaande is verweerder terecht tot de conclusie gekomen dat eiser geen nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft eisers aanvraag daarom mogen afwijzen op grond van artikel 4:6 van de Awb.

  6. Het beroep is ongegrond.

  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.