Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1160

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
6669613 / MV EXPL 18-29
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht: Vordering in kort geding tot schorsing van concurrentiebeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis in kort geding van 19 maart 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6669613 MV EXPL 18-29 van

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen [eiseres] ,
eiseres,
gemachtigde mr. A.C. Mahabiersing,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde,
gemachtigde mr. C.E. Bouma.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties, van 23 februari 2018;

  • -

    de ten behoeve van de mondelinge behandeling door [gedaagde] op 2 maart 2018 ingestuurde producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 5 maart 2018. [eiseres] is verschenen met haar gemachtigde. Namens [gedaagde] zijn [A] , [B] en

mr. [C] verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is werkzaam op het gebied van uitzenden, payroll services, werving & selectie, detachering en consultancy.

2.2.

[eiseres] is op 1 april 2007 in dienst getreden bij [gedaagde] . Laatstelijk was zij met ingang van 1 september 2015 werkzaam in de functie van Senior HR Backoffice medewerker.

2.3.

De arbeidsovereenkomst bevat in artikel 6 het navolgende concurrentie- en relatiebeding:

“Gedurende 2 jaren na het einde van het dienstverband zal het de werknemer niet zijn

toegestaan om binnen een kring met een straal van 50 km met [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] ,

[plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] en/of een nieuw te open vestigingen als middelpunt:

a. In dienst te treden bij een werkgever die, direct of indirect, een onderneming drijft gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van werkgever (een concurrerende onderneming”);

b. Een concurrerende onderneming op te richten, te vestigen of te (doen) drijven, een belang te verkrijgen of te houden in een concurrerende onderneming of in een vennootschap of onderneming waarvan (een gedeelte van) de aandelen door een concurrerende onderneming (wordt) worden gehouden of een ander samenwerkingsverband gericht op het ontwikkelen of drijven van een concurrerende onderneming;

c. Behoudens schriftelijke toestemming van werkgever, in contact te treden of contacten te onderhouden dan wel derden in de gelegenheid te stellen in contact te treden of contacten te onderhouden, met die zakelijke relaties en potentiële zakelijke relaties van werkgever, met wie werknemer gedurende haar dienstverband bij werkgever contact heeft onderhouden of van het bestaan van welke (potentiële) relaties hij gedurende zijn dienstverband bij werkgever heeft vernomen;

d. Een of meer personen in dienst te nemen die op enig tijdstip in de periode voordat deze arbeidsovereenkomst is geëindigd, in dienst was of zijn van de werkgever of een of meer van deze personen te benaderen met het doel deze perso(o)n(en) bij een concurrerende onderneming in dienst te laten treden.

Bij overtreding verbeurt werknemer ten behoeve van werkgever onmiddellijk, zonder dat sommatie of ingebrekestelling is vereist, een direct opeisbare boete van € 2.500,00 per overtreding, vermeerderd met € 500,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van werkgever om nakoming van dit artikel te vorderen. Betaling van de boete bevrijdt werknemer niet van de verplichtingen uit deze overeenkomst. Werkgever heeft het recht om in plaats van de genoemde boete bij overtreding van dit artikel volledige schadevergoeding te vorderen.”

2.4.

[eiseres] heeft op 24 januari 2018 de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] per 1 maart 2018 opgezegd.

2.5.

[eiseres] heeft hierbij [gedaagde] te kennen gegeven per laatstgenoemde datum in dienst te willen treden van [bedrijfsnaam] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna ook te noemen: [bedrijfsnaam] ).

2.6.

[bedrijfsnaam] is werkzaam op het gebied van het uitzenden en detacheren van personeel en het voeren van salaris- en personeelsadministratie.

2.7.

[gedaagde] heeft [eiseres] op 12 februari 2018 op non-actief gesteld.

2.8.

[gedaagde] heeft [eiseres] te kennen gegeven dat zij aan artikel 6 uit de arbeidsovereenkomst zal worden gehouden en dat er aanspraak zal worden gemaakt op de te verbeuren boetes.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het concurrentiebeding met onmiddellijke ingang te schorsen in afwachting van een onherroepelijke uitspraak in de bodemprocedure en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiseres] voert hiertoe aan dat zij door het concurrentie- en relatiebeding onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde] . Het concurrentiebeding is vanwege de overeengekomen omvang en duur onredelijk. Gelet op haar werkervaring kan [eiseres] , zo stelt zij, uitsluitend werkzaam zijn in de uitzendbranche. Het dienstverband bij [bedrijfsnaam] betekent voor [eiseres] een (aanzienlijke) positieverbetering. Zij gaat bij [bedrijfsnaam] een leidinggevende functie tegen een hoger salaris uitoefenen met volop doorgroeimogelijkheden. [eiseres] beschikt niet over gevoelige informatie van [gedaagde] die voor [bedrijfsnaam] van belang kan zijn. Zij had geen rechtstreeks contact met klanten van [gedaagde] . De tariefstelling van [gedaagde] is geen geheime informatie en exclusiviteit komt nauwelijks voor in de branche waarin [gedaagde] opereert. De bij [gedaagde] opgedane kennis zal voor [bedrijfsnaam] niet of zeer beperkt relevant zijn. [gedaagde] heeft voorts niet bijzonder in haar kennis en ontwikkeling geïnvesteerd. [gedaagde] heeft geen belang bij het handhaven van het concurrentiebeding, nu [eiseres] bereid is het relatiebeding in stand te houden. [eiseres] heeft een groot belang bij het op korte termijn kunnen aanvaarden van een baan waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [eiseres] kan, gelet op haar ervaring en kennis, in andere branches dan de uitzendbranche werken. [gedaagde] betwist bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing dat [eiseres] bij [bedrijfsnaam] haar positie kan verbeteren. De werkzaamheden die [eiseres] bij [gedaagde] uitvoerde en bij [bedrijfsnaam] zal gaan uitvoeren zijn nagenoeg gelijk. Dat geldt ook voor de verdiensten. Uit hoofde van haar functie had [eiseres] bij [gedaagde] beschikking over gevoelige informatie. Zij beschikte over allerlei (model-)documenten en wachtwoorden en zij had inzage in bedrijfsgevoelige informatie. [eiseres] weet daarnaast precies met welke klanten [gedaagde] exclusiviteit is overeengekomen, zodat de vrees bestaat dat die informatie gebruikt zal worden om na de looptijd van de contracten die partijen te benaderen. Als er daardoor klanten vertrekken kan dit grote gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van [gedaagde] . Ook had [eiseres] contact met klanten en heeft zij kennis opgedaan van alle salarisgegevens van door [gedaagde] geplaatste kandidaten. [eiseres] heeft daarnaast kennis van de tariefstelling van [gedaagde] . Er is in de opleiding en deskundigheid van [eiseres] geïnvesteerd.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de aard van de vordering is aannemelijk geworden dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij die vordering. Op korte termijn dient duidelijk te zijn wat de gevolgen voor [eiseres] zijn van het verrichten van werk in dienst van [bedrijfsnaam] .

4.2.

In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek naar die feiten, beoordeeld worden of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop en gelet op de wederzijdse belangen, toewijzing van de vordering gerechtvaardigd is. Voor nader onderzoek om tot vaststelling van een bepaalde rechtstoestand of feiten of omstandigheden te komen of voor bewijslevering is in een kort geding procedure in beginsel geen plaats. Dat dient te gebeuren in een eventuele bodemprocedure. Beoordeeld dient derhalve te worden of - kort gezegd - al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het concurrentiebeding dient te worden vernietigd.

4.3.

Voor de vraag of de vordering tot vernietiging van het concurrentiebeding in de bodemzaak kans van slagen heeft moet worden beoordeeld of [eiseres] door het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde] bij handhaving van het concurrentiebeding.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet voldoende aannemelijk geworden dat het belang van [eiseres] bij vernietiging van het concurrentiebeding zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij handhaving. Dit geldt in het bijzonder nu het belang van [eiseres] met name gelegen is in de mogelijkheid voor haar om bij [bedrijfsnaam] haar positie te verbeteren. Dat [eiseres] haar positie kan verbeteren wordt echter, zowel voor wat betreft de financiën als de daadwerkelijke werkzaamheden, gemotiveerd door [gedaagde] betwist. [eiseres] heeft in dat verband verzuimd de door haar geschetste positieverbetering bij [bedrijfsnaam] gedocumenteerd met stukken te onderbouwen. Of er sprake zal zijn van een positieverbetering is daarom niet voldoende aannemelijk geworden.

4.5.

Als er wel van een positieverbetering zou moeten worden uitgegaan, is naar het oordeel van de kantonrechter bovendien onvoldoende aannemelijk dat in de bodemprocedure tot vernietiging van het concurrentiebeding zal worden overgaan. Gelet op de over en weer ingenomen standpunten ligt het eerder in de rede dat de vordering in de bodemprocedure tot vernietiging van het (volledige) concurrentiebeding zal worden afgewezen. Dat – samengevat – het belang van [gedaagde] ook kan worden ondervangen door het overeengekomen relatiebeding, wordt niet gevolgd door de kantonrechter. Weliswaar wordt met het relatiebeding een boete gesteld op het benaderen van (bepaalde) klanten van [gedaagde] , maar [gedaagde] heeft naar het oordeel van de kantonrechter terecht aangevoerd dat een concurrentiebeding meer zekerheid biedt en zij die zekerheid mag verlangen. De mogelijkheid dat klanten van [gedaagde] zullen worden benaderd is minder groot als [eiseres] niet bij [bedrijfsnaam] in dienst treedt (hetgeen het concurrentiebeding voorkomt) als in de situatie dat zij dit wel doet, maar zijzelf geen klanten mag benaderen (waar het relatiebeding op ziet). Daarnaast worden ook andere belangen van [gedaagde] niet ondervangen door het relatiebeding, bijvoorbeeld de door [gedaagde] aangevoerde bedrijfsgevoelige informatie en gedane investering in [eiseres] .

4.6.

Voorts is nog van belang dat [eiseres] niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de werkzaamheden bij [bedrijfsnaam] zien op een geheel andere functie dan zij voorheen bij [gedaagde] uitvoerde. [gedaagde] heeft bij pleidooi uitvoerig de functiebeschrijving van [bedrijfsnaam] naast die van [gedaagde] beschreven, waaruit volgt dat de taken en verantwoordelijkheden voor een groot deel overeenstemmen. [eiseres] heeft deze vergelijking niet, althans onvoldoende betwist, zodat het er vooralsnog voor moet worden gehouden dat de functies bij [bedrijfsnaam] en bij [gedaagde] nagenoeg gelijk zijn.

4.7.

Onder deze omstandigheden dient de vordering van [eiseres] tot schorsing van het concurrentiebeding dan ook te worden afgewezen.

4.8.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat het voorgaande (mogelijk) niet geldt voor zover de vordering in de bodemprocedure zal zien op de overeengekomen duur van het concurrentiebeding. Dat er een te lange looptijd is overeengekomen is echter geen reden om het gehele concurrentiebeding nu te schorsen.

4.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot heden begroot op € 600,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.