Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1158

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
C/16/457029 / FT RK 18/439
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek moratorium afgewezen. Dit is het tweede ontruimingsvonnis. Verzoekster heeft in het verleden hulp bij haar financiële problemen geweigerd. De verhuurder heeft daarom terecht niet het vertrouwen dat bij opschorting van de ontruiming de schuldhulpverlening effectief zal zijn. Verzoekster heeft geen eigen inspanningen geleverd om de huur tijdig te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/457029 / FT RK 18/439

uitspraakdatum: 26 maart 2018

uitspraak op grond van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw)

(“verzoek moratorium”)

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoekster] ,

geboren op [1969] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] ,

hierna: [verzoekster] ,

tegen

Stichting Eemland Wonen,

gevestigd te Geerenweg 4 ,

3741 RS Baarn,

gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders,
hierna: Eemland Wonen.

1 De procedure

1.1.

[verzoekster] heeft op 20 maart 2018 tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b van de Fw.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2018. Ter zitting zijn [verzoekster] met mevrouw [A] , schuldhulpverlener, en de gemachtigde van Eemland Wonen, verschenen.

1.3.

Tenslotte is het vonnis op heden bepaald.

2 Het verzoek

2.1.

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw.

2.2.

[verzoekster] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers overeen wil komen, dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens [verzoekster] noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.

2.3.

Eemland Wonen heeft verweer gevoerd.

2.4.

Op de standpunten van partijen zal hierna nader worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting, wordt het volgende vastgesteld.

3.1.1.

[verzoekster] huurt samen met haar ex-partner, de heer [B] , van Eemland Wonen een woning te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] . Bij vonnis van 21 februari 2018 heeft deze rechtbank de ontruiming van de woning toegestaan in verband met een huurachterstand. De ontruiming van de woning staat gepland op 27 maart 2018.

3.1.2.

[verzoekster] heeft een totale schuldenlast van ongeveer € 37.000. De vordering van Eemland Wonen beloopt ongeveer € 4.000. Het betreft de huur over de periode tot en met februari 2018. De maand maart 2018 heeft [verzoekster] evenmin voldaan.

3.1.3.

De schulden van [verzoekster] zijn ontstaan vanaf 2011 toen een eerdere relatie eindigde. Uit deze periode dateert een schuld aan de Belastingdienst van ruim € 18.000. In 2012 heeft [verzoekster] een nieuwe relatie gekregen. Omdat zijzelf een alcoholslot had, heeft zij een lease-bus van haar bedrijf op naam van haar toenmalige partner gezet. Het gevolg hiervan was een schade van ongeveer € 14.000. Verder was dit aanleiding voor Rabobank om de financiering van haar bedrijf stop te zetten. Op 4 maart 2015 heeft Eemland Wonen een eerste keer een ontruimingsvonnis tegen [verzoekster] gekregen. In verband met de problemen van [verzoekster] zijn [naam stichting] en [bedrijfsnaam] betrokken geweest. Eemland Wonen heeft verklaard dat de samenwerking met [bedrijfsnaam] werd stopgezet, omdat [verzoekster] niet meewerkte aan het traject van [bedrijfsnaam] .

3.1.4.

[verzoekster] heeft geen inkomsten. Per 1 april 2018 zal zij een uitkering ontvangen. [verzoekster] heeft verklaard dat dit komt doordat haar situatie wijzigde toen de heer [B] bij haar is weggegaan en omdat de uitkeringsinstantie haar ten onrechte heeft verdacht van fraude. Het was de uitkeringsinstantie opgevallen dat [verzoekster] uitgaven in het buitenland had gedaan, maar dit bleek te zijn in verband met een vakantie naar Gran Canaria in november 2016. [verzoekster] heeft een dochter van 19 jaar oud, die momenteel bij haar vader woont. [verzoekster] heeft een eigen schoonmaakbedrijf gehad, zonder personeel. Dit bedrijf werd volgens het Handelsregister opgeheven met ingang van 22 december 2016.

3.1.5.

[verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat zij in januari 2017 is gestopt met alcoholmisbruik. Op dat moment dronk zij dagelijks, maar volgens de psychiater van haar ex-partner was het niet nodig daarvoor te worden behandeld. Inmiddels drinkt [verzoekster] minder alcohol. [verzoekster] heeft daarbij verklaard dat zij de woning wil behouden, zodat haar dochter bij haar kan komen wonen en omdat zij daar al lang woont. Volgens [verzoekster] heeft zij een vordering op Eemland Wonen van € 4.000 in verband met waterschade. Ten slotte heeft [verzoekster] verklaard nog niet aan solliciteren te zijn toegekomen, daar zij, naar eigen zeggen, allerlei instanties dient af te lopen. Aldus [verzoekster] .

3.1.6.

Eemland Wonen heeft ter zitting verklaard dat aan [verzoekster] verschillende keren hulp is aangeboden nadat zij de huurpenningen niet meer betaalde. [verzoekster] is niet verschenen op een laatste uitnodiging van Eemland Wonen voor een gesprek. Aan eerdere hulpverlening heeft [verzoekster] niet meegewerkt en Eemland Wonen heeft niet het vertrouwen dat [verzoekster] nu wel zal meewerken. Aldus Eemland Wonen.

3.2.

De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw heeft blijkens de wetsgeschiedenis, voor zover hier van belang, tot doel om een soort adempauze te bereiken die [verzoekster] in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met haar schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken of af te ronden. Als een schuldsaneringsverzoek is ingediend, kan een voorlopige voorziening worden gegeven in het geval van onder meer een dreigende woningontruiming.

3.3.

Gelet op het hiervoor beschreven doel van de bepaling, zal op basis van de omstandigheden van het geval een afweging moeten worden gemaakt tussen enerzijds het belang van [verzoekster] bij het behoud van de woning. Het gaat hierbij om het belang bij het behouden van de woning en de totstandkoming van een minnelijke regeling of schuldsaneringsregeling. Bij dit laatste spelen mede de belangen van de gezamenlijke schuldeisers een rol. En, anderzijds, het belang van Eemland Wonen bij de beëindiging van de huurovereenkomst.

3.4.

De stelling van [verzoekster] dat zij een vordering heeft van € 4.000 op Eemland Wonen is bij de beoordeling niet van belang. [verzoekster] heeft in de procedure die Eemland Wonen was begonnen over de ontruiming van de woning verstek laten gaan. [verzoekster] heeft daarmee de mogelijkheid om de vordering van Eemland Wonen te betwisten, voorbij laten gaan. In deze procedure moet daarom van de juistheid van het ontruimingsvonnis worden uitgegaan.

3.5.

Eemland Wonen heeft belang bij ontruiming van de woning. Zij heeft al vanaf 2015 te maken met een huurster die slecht betaald. Al eerder heeft Eemland Wonen een ontruimingsvonnis moeten halen. Er zijn veel (sociaal) woningzoekenden die in [woonplaats] een woning willen betrekken en Eemland Wonen heeft als woningbouwcoöperatie een verantwoordelijkheid naar die woningzoekenden. Eemland Wonen heeft [verzoekster] verschillende kansen geboden en meegedacht over een oplossing van de problemen van [verzoekster] . [verzoekster] heeft van de hulpverlening geen gebruik gemaakt en legt de oorzaak hiervan volledig buiten zichzelf. Verder valt op dat zij de woning samen met de heer [B] heeft gehuurd. Hij ontvangt wel een uitkering, maar heeft evenmin de huur betaald.

3.6.

[verzoekster] heeft belang bij het voortzetten van haar woongenot in de huidige woning, nu de ontruiming van de woning de toepassing van de wettelijke schuldsanering en het verkrijgen van een uitkering kan frustreren. Dit belang weegt in de gegeven omstandigheden echter onvoldoende zwaar. Op voorhand is onaannemelijk dat [verzoekster] zal worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Er is sprake (geweest) van alcoholmisbruik dat niet aantoonbaar en langer dan een jaar onder controle is gebracht. Verder staat vast dat [verzoekster] schulden heeft gemaakt doordat een auto van de leasemaatschappij werd verkocht. Dit werd weliswaar gedaan door een ex-partner van [verzoekster] , maar [verzoekster] is hiervoor zelf verantwoordelijk. [verzoekster] had een risico genomen toen zij de bus op naam van haar ex-partner had gezet, omdat zijzelf vanwege een alcoholslot geen gebruik van de bus mocht maken. [verzoekster] heeft verder al geruime tijd schulden, maar heeft zelf niets gedaan om haar inkomen te vergroten of kosten te beperken. [verzoekster] heeft een personenauto behouden, terwijl zij die niet kon betalen en ook niet nodig had. Ook toen op de auto beslag werd gelegd, heeft zij ervoor gekozen de auto te behouden en heeft haar moeder tijdelijk huurpenningen betaald. Daarnaast heeft [verzoekster] recent nog geld uitgegeven aan een vakantie. Ten slotte heeft [verzoekster] vanaf het beëindigen van haar bedrijf niet gesolliciteerd naar een (tijdelijke) baan met een regulier inkomen.

3.7.

[verzoekster] heeft nu, als gevolg van de hulp die op gang komt in verband met de dreigende uitzetting, uitzicht op een minimale Participatiewet-uitkering. Het is niet de verwachting dat zij hiermee in staat zal zijn een substantiële aflossing aan haar schuldeisers te doen. Het belang van de gezamenlijke schuldeisers weegt daarom voldoende zwaar.

3.8.

Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

3.9.

Nu [verzoekster] ter terechtzitting geen uitspraak heeft gedaan inzake handhaving van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling bij afwijzing van het onderhavige verzoek, zal de rechtbank hierop, na bevestiging van een eventuele handhaving door [verzoekster] , bij afzonderlijk vonnis beslissen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op

26 maart 2018.