Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1132

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
UTR 18/412 en UTR 18/435
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunningen voor het uitbreiden van een schoolgebouw en het kappen van 14 bomen. De vraag of de uitbreiding van het schoolgebouw planologisch aanvaardbaar is, ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. Gebonden beschikking. Geen van de weigeringsgronden uit art. 2.10 Wabo doet zich voor. Geen ruimte voor belangenafweging. Ten aanzien van het kappen heeft verweerder de vereiste afweging uit de APV en het bestemmingsplan gemaakt. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder op basis van de gemaakte belangenafweging niet in redelijkheid de kapvergunning heeft mogen verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/412 en UTR 18/435

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 maart 2018 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

1. [verzoeker sub 1] ,

2. [verzoekster sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Schuit).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Gemeente Gooise Meren, vergunninghouder

Openbare Basisschool [basisschool] ( [basisschool] ), te [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. D.R. Versteeg)

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2017 (primaire besluit 1) heeft verweerder aan vergunninghouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en constructief wijzingen van het schoolgebouw op de locatie [adres] te [woonplaats] .

Bij besluit van 13 december 2017 (primair besluit 2) heeft verweerder aan vergunninghouder op grond van de Wabo een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 14 bomen.

Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018. Verzoekers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] , projectleider, en [B] , boomdeskundige.

Namens de [basisschool] is [C] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in dit stadium (tijdens de bezwaarfase) in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het primaire besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven.

2. Ter zitting heeft de [basisschool] aangevoerd dat het bezwaar van verzoekster

[verzoekster sub 2] niet is gericht tegen de kapvergunning, zodat het verzoek in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3. Verzoekster [verzoekster sub 2] heeft bij haar verzoekschrift een ontvangstbevestiging

van verweerder van de door haar ingediende bezwaarschriften van 5 en 11 januari 2018

gevoegd. Ter zitting heeft verweerder de pro forma bezwaarschriften van zowel [verzoeker sub 1] als [verzoekster sub 2] van 11 januari 2018 overgelegd. In deze bezwaarschriften staat dat bezwaar wordt gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Verzoekers hebben daarbij niet nader omgeschreven tegen welke omgevingsvergunning bezwaar wordt gemaakt of een datum van een besluit genoemd. De voorzieningenrechter beschikt niet over (een) bezwaarschrift(en) van 5 januari 2018. Verzoeker [verzoeker sub 1] heeft in zijn aanvullende bezwaarschrift van 5 februari 2018 bezwaren geuit tegen het primaire besluit 1 en opgemerkt dat de bezwaren tegen de kapvergunning al eerder kenbaar zijn gemaakt bij verweerder. Het aanvullende bezwaarschrift van verzoekster [verzoekster sub 2] van 7 februari 2018 is vooral gericht tegen het primaire besluit 1, maar zij noemt ook dat er 14 beeldbepalende bomen gaan verdwijnen. Verweerder is er gelet op het verweerschrift en het verhandelde ter zitting vanuit gegaan dat beide verzoekers bezwaar hebben gemaakt tegen de twee omgevingsvergunningen. Verzoekers hebben ter zitting bevestigd dat zij dit ook zo bedoeld hebben. De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat één van beide verzoekers in bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zodat er geen beletsel bestaat om de verzoeken inhoudelijk te beoordelen.

4. Verzoekers wonen aan de [adres] schuin tegenover het perceel [adres]

(hierna: het perceel). Op het perceel staat een schoolgebouw dat tot 2012 in gebruik was voor voortgezet onderwijs. De [basisschool] is op dit moment gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] . Omdat deze huidige locatie vanwege de beperkte capaciteit niet meer geschikt is, is besloten om deze school te verhuizen naar de [adres] . Het bestaande schoolgebouw dient daarvoor te worden uitgebreid. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, is het bestemmingsplan “Het Spiegel – [adres] ” opgesteld. Dit bestemmingsplan is met de einduitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1929, onherroepelijk geworden.

5. Vergunninghouder heeft op 29 augustus 2017 bij verweerder een aanvraag om een

omgevingsvergunning voor de uitbreiding en verbouwing van het schoolgebouw ingediend. Op 27 september 2017 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag ingediend voor het kappen van 14 bomen op het perceel [adres] . Met de primaire besluiten heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunningen verleend.

6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat

vergunninghouder reeds gestart is met de bouwwerkzaamheden, maar dat de bouwwerkzaamheden worden belemmerd door de schorsende werking van de kapvergunning. Vergunninghouder heeft toegelicht dat de verbouwing voor de zomer af moet zijn, zodat de [basisschool] in de zomer, voor het nieuwe schooljaar, naar de nieuwe locatie kan verhuizen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig.

7. Verzoekers vrezen voor ernstige geluidsoverlast als de school zich ter plaatse zal

vestigen. Zij verzoeken om verweerder op te dragen geluidswerende maatregelen te treffen, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Verder vrezen zij, onder meer vanwege de locatie van één van de fietsingangen, voor een verkeersonveilige situatie op de [laan] . Verzoekers hebben in dit verband ook bezwaren geuit tegen het opgestelde verkeersplan, waarin de te nemen infrastructurele maatregelen zijn uitgewerkt.

8. Met het primaire besluit 1 is de activiteit bouwen vergund. In artikel 2.10, eerste

lid, van de Wabo staan de situaties opgesomd waarin de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd. Dit is onder meer het geval wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand, de Bouwverordening of het Bouwbesluit 2012.

9. De in artikel 2.10 van de Wabo vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en

imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden. Indien dat laatste het geval is, staat het verweerder, gelet op de dwingende formulering van genoemd artikel, niet vrij om een ruimer toetsingskader te hanteren en zal hij ook aan een belangenafweging niet kunnen toekomen.

10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vraag of de uitbreiding van het

schoolgebouw planologisch aanvaardbaar is, in deze procedure niet ter beoordeling voorligt. Verzoekers hebben in de bestemmingsplanprocedure hun bezwaren over het geluid en het verkeer naar voren gebracht en de ABRvS heeft hierover geoordeeld in de tussenuitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2155 en de eerdergenoemde einduitspraak van 19 juli 2017. Met de einduitspraak is het gewijzigde vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan, met uitzondering van één planregel, onherroepelijk geworden. De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde geen aanleiding om te oordelen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verder is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat zich geen van de andere weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voordoet. Gelet op het toetsingskader uit artikel 2.10 van de Wabo, heeft verweerder geen ruimte om het aangevoerde over geluid en verkeer bij de bij de besluitvorming te betrekken of belangen af te wegen. De voorzieningenrechter komt dus niet toe aan bespreking van wat verzoekers hierover naar voren hebben gebracht.

11. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de 14 bomen gekapt moeten worden.

12. Met het primaire besluit 2 heeft verweerder de activiteit ‘het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, waarin dat in een bestemmingsplan is bepaald’ vergund voor de kap van 5 bomen en de activiteit ‘een houtopstand vellen of te doen vellen’ voor de kap van 9 bomen. Verweerder heeft aan de eerste vergunde activiteit een herplantplicht verbonden voor 2 bomen bij de tweede vergunde activiteit is een herplantplicht voor 7 bomen opgelegd.

13. In artikel 4, lid 4.5, aanhef en onder a, onderdeel 7, van de planregels van het bestemmingsplan “Het Spiegel – [adres] ” is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: het rooien of beschadigen van houtgewassen of andere opgaande beplantingen met een hoogte van meer dan 2 m.

14. Op grond van artikel 4, lid 4.7, van de planregels kan een besluit tot afwijken bij een omgevingsvergunning of een besluit tot wijziging, uitsluitend worden verleend of toegepast, na advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de groendeskundige over de met het beschermde dorpsgezicht samenhangende waarden. De waarden die samenhangen met het beschermde dorpsgezicht en die bij het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de groendeskundige worden betrokken staat in dit artikel beschreven.

15. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het primaire besluit 2 de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Het Spiegel – Prins Hendrikpark 2010” staan vermeld. Op het perceel geldt echter het bestemmingsplan “Het Spiegel – [adres] ”. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het bestemmingsplan “Het Spiegel – Prins Hendrikpark 2010” het zogenoemde moederplan is van het bestemmingsplan “Het Spiegel – [adres] ” en dat bepalingen van het aanlegvergunningstelsel gelijkluidend zijn.

16. In artikel 4:11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Gooise Meren 2016 (APV) staat dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen die zich bevinden in waardevol gebied zoals aangeduid op de Groene Kaart.
Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt een omgevingsvergunning geweigerd indien het belang van verlening niet opweegt tegen één of meer van de volgende belangen:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;
b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. de waarde van de houtopstand voor het stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

17. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat verweerder

een bomeneffectanalyse heeft laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de rapporten ‘Bomen effect analyse [basisschool] te [woonplaats] ’ en ‘Bomen effect analyse twee beuken en één kastanje [basisschool] te [woonplaats] ’ van 29 juli 2015. Uit deze rapporten blijkt dat de waarden van de op het perceel aanwezige bomen in kaart zijn gebracht en hoe deze bomen zich verhouden tot het bouwplan. Verzoekers hebben ter zitting aangegeven dat zij een second opinion willen, maar de voorzieningenrechter stelt vast dat zij geen tegenadvies hebben ingebracht. De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde geen aanleiding om te oordelen dat verweerder deze rapporten niet heeft mogen gebruiken bij zijn besluitvorming.

18. Ter zitting heeft de boomdeskundige van verweerder aan de hand van een kaart per

boom waarop de kapvergunning betrekking heeft, een toelichting gegeven op de locatie en de reden van de kap. Ook heeft de boomdeskundige uiteengezet dat verweerder zich heeft ingespannen om minder bomen te laten kappen dan uit de rapporten naar voren is gekomen. Hoewel het de voorzieningenrechter op de zitting duidelijk is geworden welke bomen precies gekapt en de locatie daarvan, zal het de duidelijkheid ten goede komen als verweerder dit bij de beslissing op bezwaar inzichtelijk maakt in bijvoorbeeld een bijlage met een duidelijke kaart en een index van de te kappen bomen. Bij de kapvergunning ontbreekt een dergelijk overzicht en verweerder volgt de conclusies uit de voornoemde rapporten niet volledig, zodat de kaart met boomnummers uit het rapport ‘Bomen effect analyse [basisschool] te [woonplaats] ’ niet direct duidelijkheid geeft over welke 14 bomen gekapt gaan worden.

19. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter stelt vast, dat het

perceel is gelegen in waardevol gebied zoals aangeduid op de Groene Kaart zoals bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, van de APV. De voorzieningenrechter overweegt dat in het primaire besluit 2 de op grond van de APV vereiste belangenafweging staat weergegeven. Ten aanzien van het toetsingskader uit het bestemmingsplan is vermeld dat de groendeskundige een positief advies heeft gegeven. De groendeskundige heeft gemotiveerd uiteengezet waarom de stedenbouwkundige, historische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. Ook de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed is van oordeel dat de met het beschermde dorpsgezicht samenhangende waarden niet onevenredig worden aangetast, mede vanwege de herplantplicht. De voorzieningenrechter heeft in het aangevoerde onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder op basis van de gemaakte belangenafweging niet in redelijkheid de kapvergunning heeft mogen verlenen.

20. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in het aangevoerde geen aanleiding om te oordelen dat het primaire besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in stand zal kunnen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Wijna, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.