Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1076

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
16/652988-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op 17 augustus 2017 schuldig gemaakt aan het gooien van een molotovcocktail vanaf zijn woning op de vierde verdieping in de richting van spelende kinderen/jongeren. Uit de rapporten van de psychiater en psycholoog blijkt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is gelet op zijn psychische situatie en zijn verstandelijke beperking. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat bij een goede behandeling en goede instelling op medicatie. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 161 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De rechtbank legt een proeftijd op voor de duur van drie jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht en een ambulante behandelverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/652988-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1958] te Curaçao,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. V.A.S.E. Lantain en van hetgeen verdachte en mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging inclusief de wijziging daarvan is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: op 15 augustus 2017 te Nieuwegein een ontploffing heeft veroorzaakt of brand heeft gesticht door te gooien met een zogenaamde molotovcocktail in de richting van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] waardoor levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was;

Subsidiair: op 15 augustus 2017 te Nieuwegein een poging heeft gedaan om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een vuurpijl in hun richting te gooien en met een zogenaamde molotovcocktail te gooien.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het primair ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit.

De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 maart 2018;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 augustus 2017, genummerd PL0900-2017252747-1, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende een verklaring van aangever [slachtoffer 1] , doorgenummerde pagina 4 e.v. van proces-verbaal PL0900-2017252800.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 15 augustus 2017 te Nieuwegein opzettelijk brand heeft gesticht door:

- een zogenaamde molotovcocktail (te weten een glazen fles gevuld met brandbare vloeistoffen met daarin een doek/lap en/of lont) te vervaardigen/maken en

- deze molotovcocktail vervolgens aan te steken en

- deze molotovcocktail vervolgens van een flat naar beneden te gooien naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]

ten gevolge waarvan brand is ontstaan of een doek/lap en/of lont en brandbare vloeistoffen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te duchten was.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:

- een rapport van 31 oktober 2017, opgemaakt door drs. L.P.J. Rost, psychiater onder supervisie van drs. M.D. van Ekeren, psychiater;

- een rapport van 24 oktober 2017, opgemaakt door drs. A.J. Klumpenaar, GZ-psycholoog.

Het rapport, opgemaakt door psychiater Rost, houdt onder meer het volgende in. Er is bij verdachte sprake van een verstandelijke beperking en een ongespecificeerde psychotische stoornis. Ten tijde van het onderzoek was er sprake van wanen omtrent de buren en was er mogelijk ook sprake van (akoestische) hallucinaties. Het zijn beide chronische stoornissen die het ten laste gelegde hebben beïnvloed. De psychiater beschrijft dat verdachte beperkt belastbaar is door zijn verstandelijke beperking en dat de belastbaarheid ten tijde van het ten laste gelegde nog verder afnam door de psychotische klachten. Vanuit zijn beperkte copingstrategieën overwoog hij enige tijd of hij tot het plegen van het ten laste gelegde zou overgaan maar hij zag geen alternatief dan het gooien van een molotovcocktail om de overlast te stoppen. Daarbij onderschatte hij het risico op letsel als gevolg van zijn verstandelijke beperking, die hem niet alleen een gebrekkig overzicht geeft op complexe situaties maar ook op het eigen handelen en de gevolgen daarvan. Het advies is om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Het rapport, opgemaakt door psycholoog Klumpenaar, houdt onder meer het volgende in.

Er is bij verdachte sprake van een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis in combinatie met een andere gespecificeerde psychotische stoornis. De lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis is reeds vanaf jonge leeftijd aanwezig en kan worden gezien als een stabiel kenmerk dat altijd invloed heeft op het handelen van verdachte. Het beeld bij de psychotische stoornis is wisselender met periodes van sterke psychotische decompensatie die zich afwisselen met relatief stabiele fases. Volgens de psycholoog is het bij verdachte aannemelijk dat hij ten tijde van het ten laste gelegde werd beïnvloed door paranoïde waanbeelden die passen bij de psychotische stoornis. Ten tijde van het ten laste gelegde heeft verdachte waanbelevingen rondom zijn buren. In zijn ogen wordt hij door hen gepest en bedreigd. Hierdoor is de spanning al vrij sterk bij hem opgelopen. Gevoelens van angst, boosheid en onmacht overspoelen hem. Tegen deze achtergrond is verdachte in zijn ogen ook nog bewust lastiggevallen door een aantal jongens uit de buurt die aan het voetballen zijn. Deze stress kan verdachte er niet bij hebben en op het moment dat de jongens hem in zijn ogen blijven lastigvallen, verliest verdachte de controle over zijn impulsen en gooit in eerste instantie vuurwerk en later een molotovcocktail in de richting van de spelende kinderen, aldus de psycholoog. Vanuit zijn beperkte intelligentie en zijn verstoorde realiteitstoetsing is sprake geweest van een impulsdoorbraak waarbij hij onvoldoende oog heeft gehad voor de risico’s van zijn handelen voor de spelende kinderen. Het advies is om – aangezien zijn handelen niet volledig werd bepaald door zijn stoornissen – verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het ten laste gelegde.

De rechtbank is gelet op de conclusies van de deskundigen van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 10 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van

5 ( vijf) jaren, met als (bijzondere) voorwaarden reclasseringstoezicht, een meldplicht, een behandelverplichting bij Fivoor, een korte klinische opname indien dit noodzakelijk wordt geacht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de straf het volgende aangevoerd. Verdachte heeft een blanco strafblad en is nog niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Gelet op de persoon van verdachte heeft de raadsvrouw oplegging van een voorwaardelijke taakstraf bepleit in plaats van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft bepleit dat zij zich kan vinden in een meldplicht bij de reclassering maar dat van belang is te benadrukken dat het gaat om een regierol vanuit de reclassering om verdachte niet te overvragen door een veelheid aan verplichte contacten. Ten slotte heeft zij bepleit om wel een verplichting tot ambulante behandeling op te leggen maar niet de bijzondere voorwaarde van een korte, klinische opname indien dat noodzakelijk wordt geacht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich op 17 augustus 2017 schuldig gemaakt aan een ernstig feit, namelijk het gooien van een molotovcocktail vanaf zijn woning op de vierde verdieping in de richting van spelende kinderen/jongeren. De rechtbank rekent het verdachte aan dat door zijn handelen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de onder de flat spelende kinderen te duchten is geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de molotovcocktail neerkwam op de plek waar de kinderen kort tevoren aan het spelen waren. Dat de molotovcocktail de kinderen niet heeft geraakt is niet te danken aan verdachte, maar aan het op tijd wegrennen van deze kinderen. Verdachte heeft hiermee gevaarzettend gehandeld, hetgeen afbreuk doet aan het veiligheidsgevoel in het algemeen en dat van de medebewoners van het flatgebouw in het bijzonder. Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

De rechtbank heeft rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 31 januari 2018;

- een reclasseringsadvies van 18 januari 2018, uitgebracht door C.P.M. Cruijen;

- een reclasseringsadvies van 8 maart 2018, uitgebracht door E.J.W. Kuiper;

- voornoemd psychologisch rapport van 24 oktober 2017;

- voornoemd psychiatrisch rapport van 31 oktober 2017.

Uit de voornoemde rapporten van de psychiater en psycholoog blijkt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is gelet op zijn psychische situatie en zijn verstandelijke beperking. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat bij een goede behandeling en goede instelling op medicatie. Het is voor verdachte van belang dat er stabiliteit is op het gebied van wonen, werk en vrije tijdsbesteding en dat hij daarbij de juiste begeleiding krijgt. Zowel de deskundige van Reclassering Nederland als de persoonlijk begeleider van Lister hebben ter terechtzitting toegelicht dat verdachte baat heeft bij een vaste structuur en dat hechtenis van verdachte een sterk ontregelende werking op hem zal hebben. Voorts blijkt uit het rapport van de reclassering dat een werkstraf verdachte uit evenwicht zou kunnen brengen hetgeen het recidiverisico verhoogt.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 180 dagen, waarvan een gedeelte van 161 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij zal de rechtbank een proeftijd opleggen voor de duur van drie jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht en een ambulante behandelverplichting bij Fivoor Forensisch FACT. Indien dit door de reclassering in samenspraak met de behandelaar noodzakelijk wordt geacht kan een korte, klinische opname worden bevolen. Bij deze bijzondere voorwaarden merkt de rechtbank op dat de reclassering naar voren heeft gebracht dat - om verdachte niet te overvragen - haar rol voornamelijk een regierol zal zijn en dat de nadruk hoort te liggen bij de behandeling door Fivoor Forensisch FACT.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 161 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

* zich zal melden bij Reclassering Nederland, Vivaldiplantsoen 200, Utrecht, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich onder behandeling zal stellen van Fivoor Forensisch FACT, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zich voor een korte opname zal laten opnemen in een intramurale zorginstelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling aan verdachte zullen worden gegeven. De opname duurt 3 maanden of zoveel korter als de leiding van de zorginstelling in overleg met de reclassering dit wenselijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Veldhoen, voorzitter, mrs. V. van Dam en

J.W. Veenendaal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.L. de Gier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 maart 2018.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 15 augustus 2017 te Nieuwegein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht door:

- een zogenaamde molotovcocktail (te weten een glazen fles gevuld met brandbare vloeistof(fen) met daarin een doek/lap en/of lont) te vervaardigen/maken, en/of

- deze molotovcocktail vervolgens aan te steken, althans met open vuur in aanraking te brengen en/of

- deze molotovcocktail vervolgens van een flat naar beneden te gooien naar, althans in de

richting van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of een doek/lap en/of lont en/of brandbare vloeistof(fen) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan levensgevaar voor [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 15 augustus 2017 te Nieuwegein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet:

- een vuurpijl/vuurwerk naar, althans in de richting van, die voornoemde [slachtoffer 2] ,

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft geschoten en/of

- ( vervolgens) een zogenaamde molotovcocktail (te weten een glazen fles gevuld met brandbare vloeistof(fen) met daarin een doek/lap en/of lont) heeft gemaakt/vervaardigd en/of

- (vervolgens) die molotovcocktail heeft aangestoken, althans met open vuur in aanraking heeft gebracht en/of

- ( vervolgens) die molotovcocktail naar, althans in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gegooid,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht