Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1044

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
UTR 17/3111
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1534, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, dat is gericht tegen de ontheffing om grauwe ganzen, verwilderde gedomesticeerde ganzen en Canadese ganzen te vangen en te doden met CO2. Het besluit van het college van Gedeputeerde Staten wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Omdat uitvoering van de ontheffing onomkeerbare gevolgen heeft voor de ganzen, wordt de ontheffing geschorst tot zes weken nadat een nieuw besluit op het bezwaar is genomen.

De ontheffing is verleend ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. De rechtbank concludeert dat de door het college van Gedeputeerde Staten aangeleverde cijfers onvoldoende zijn om het verband tussen de populatie ganzen en de omvang van de schade in de provincie te kunnen dragen. Op basis van de gebruikte gegevens heeft het college van Gedeputeerde Staten zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen geen andere bevredigende oplossing voorhanden is dan ingrijpen in de populatieomvang van de ganzen, waardoor het besluit niet in stand kan blijven. Het college van Gedeputeerde Staten zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/3111

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2018 in de zaak tussen

Stichting De Faunabescherming, te Amstelveen, eiseres

(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. W. van Dijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Faunabeheereenheid Utrecht, te Veenendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de Stichting Faunabeheereenheid Utrecht (Faunabeheereenheid) een ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) om grauwe ganzen, verwilderde gedomesticeerde ganzen en Canadese ganzen te vangen en te doden met koolstofdioxide (CO2) in de periode van 1 mei tot 1 augustus in de jaren 2017 tot en met 2019.

Bij besluit van 27 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , vice-voorzitter, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen drs. [B] , ecoloog, en [C] , werkzaam bij verweerder als vergunningverlener. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [D] , vergezeld door drs. [E] , ecoloog.

Overwegingen

1. De Faunabeheereenheid heeft op 18 januari 2017, aangevuld op 23 februari 2017, bij verweerder een aanvraag ingediend voor een ontheffing op grond van het bepaalde in de artikelen 3.3, eerste lid, 3.4, tweede lid, in samenhang met artikel 3.17, eerste lid, van de Wnb, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, voor het vangen en het doden van grauwe ganzen, verwilderde gedomesticeerde ganzen en Canadese ganzen met behulp van het middel CO2. De ontheffing ziet op de periode van 1 mei tot 1 augustus in de jaren 2017 tot en met 2019. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. Verweerder heeft in de verleende ontheffing overwogen dat provincies en de natuur- en landbouworganisaties hebben geconstateerd dat de schade aan landbouwgewassen door standganzen (jaarrond in Nederland verblijvende ganzen) in de zomer te groot wordt. De populatie groeit omdat er steeds meer ganzen in Nederland broeden. Als er niets aan wordt gedaan, dan blijft de schade toenemen. In navolging van het (vervallen) ganzenakkoord over het verkleinen van het aantal standganzen, heeft de Faunabeheereenheid ontheffing gevraagd voor het nemen van extra maatregelen om het aantal grauwe ganzen te beperken gedurende de periode 1 mei tot 1 augustus voor de jaren 2017 tot en met 2019. Deze maatregelen bestaan uit het vangen met vangkooien en doden met behulp van CO2 van ruiende ganzen ter voorkoming en bestrijding van belangrijke schade aan landbouwgewassen. De streefstand van de grauwe ganzen voor de provincie Utrecht is door het Provinciaal ganzenoverleg Utrecht bepaald op basis van de verhouding tussen het aantal getelde grauwe ganzen en de getaxeerde schade. Gelet hierop is een streefstand van 4.000 exemplaren vastgesteld als voorjaarspopulatie. Dit komt overeen met een zomerstand van ongeveer 7.000 ganzen. In juli 2016 werden er in de provincie Utrecht 27.737 grauwe ganzen geteld. De reductie van ruim 20.000 grauwe ganzen zal in de jaren tot en met 2019 gerealiseerd dienen te worden. De streefstand van 7.000 grauwe ganzen vormt een ruime bovengrens ten aanzien van de gunstige staat van instandhouding. Voor de verwilderde gedomesticeerde ganzen is geen doelstand geformuleerd, omdat het een verwilderde soort betreft, die niet beschermd is en waarvoor dus geen gunstige staat van instandhouding is vereist. Voor de Canadese ganzen is geen doelstand geformuleerd, omdat het een soort is die is geplaatst op de landelijke vrijstellingslijst. Verweerder heeft in de bijlage bij de ontheffing voorschriften en beperkingen gesteld. Verweerder heeft daarnaast ook opdracht gegeven op basis van artikel 3.18, eerste lid, van de Wnb aan de Faunabeheereenheid om de omvang van de ganzenpopulatie te beperken ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder tevens de schadecijfers uit het Faunabeheerplan 2014-2019, vastgesteld bij besluit van 2 september 2014, ten grondslag gelegd. In hoofdstuk 6 van het Faunabeheerplan is opgenomen dat de broedpopulatie grauwe ganzen in Nederland nog steeds significant (toename > 5%) toeneemt. Verreweg de meeste schade ontstaat door vraatschade, al dan niet in combinatie met vervuiling door uitwerpselen op graslanden. Daarnaast kan schade optreden aan gelegerd graan. Ondanks de verhoogde beheersinspanning is de populatie zomerganzen met 9% toegenomen. Uit het Faunabeheerplan blijkt verder dat samenhangend met de aanzienlijke populatiegroei, de schade die veroorzaakt wordt door ganzen gedurende het zomerhalfjaar enorm is toegenomen. De doelstelling is om binnen de provincie Utrecht de stand van zomerganzen te reduceren tot het niveau van 2005 (ca. 4000 exemplaren grauwe ganzen in het voorjaarsbestand) en een schadeniveau van ca. 7700 euro.

4. Ter zitting is door verweerder en de Faunabescherming toegelicht hoe het vangen van de ganzen in zijn werk gaat. De ganzen worden in de armen van een vangkraal geleid. De ganzen worden, eventueel vanaf het water, opgedreven. Vervolgens worden de ganzen naar de installatie geleid, die op een aanhanger staat, waarin de CO2 wordt toegepast.

5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat ook voor het doden van verwilderde gedomesticeerde ganzen en Canadese ganzen door middel van CO2 een ontheffing van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb is vereist.

Het toetsingskader

6. De relevante bepalingen uit de Wnb en het Besluit natuurbescherming (Bnb) zijn hieronder opgenomen.

Artikel 3.1 Wnb

1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

Artikel 3.3 Wnb

  1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

  2. (…)

  3. (…)

  4. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1º-2o. (…);

3º. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4º-6o. (…);

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

5. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over:

a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden;

b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en

c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Artikel 3.4 Wnb

1. Ingeval het vangen of doden van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, bij of krachtens deze wet is toegestaan, is het verboden deze vogels:

a. te vangen of te doden met:

1º. middelen, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Vogelrichtlijn;

2º. middelen, installaties of methoden voor massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels, of

3º. middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, of

te achtervolgen met behulp van vervoermiddelen, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Vogelrichtlijn, overeenkomstig de daar beschreven wijze.

2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen en provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.3, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. (…)

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen, installaties of methoden worden aangewezen die in elk geval worden gerekend tot de middelen, installaties, onderscheidenlijk methoden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2º of 3º.

Artikel 3.17 Wnb

1. Ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, verlenen gedeputeerde staten ontheffing als bedoeld artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is:

a. ingeval van vogels:

1°-2º. (…);

3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of

4°. (…);

b.-c. (…).

Artikel 3.9 Bnb

1. Als middelen als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

  1. (…);

  2. (…);

  3. (…);

  4. (…);

  5. vangkooien;

  6. (…);

  7. (…);

  8. (…)

  9. (…).

2. Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

  1. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van de gebruikmaking van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen;

  2. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld in onderdeel a;

Ontheffing voor het doden

7. Eiseres voert aan dat de ontheffing voor het doden van de ganzen met CO2 is verleend in strijd met artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn vereist een wettelijke regeling die ten eerste bepaalt voor welke soort de ontheffing wordt verleend. Er is echter niet bij of krachtens de Wnb bepaald dat CO2 op de drie soorten ganzen waar de ontheffing op ziet mag worden toegepast. Verder is op grond van de genoemde bepaling van de Vogelrichtlijn een wettelijke regeling vereist die bepaalt welke middelen, installaties of methoden mogen worden gebruikt. Niet mag worden volstaan met het enkel vermelden van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegestaan. In artikel 3.9, tweede lid, onder a, van het Bnb wordt niet het middel CO2 genoemd, zodat de wettelijke regeling in strijd is met de Vogelrichtlijn. Daarnaast moet in een wettelijke regeling zijn vastgelegd onder welke voorwaarden een ontheffing mag worden verleend. De voorwaarden waaronder CO2 wordt toegepast blijken niet uit de wet, maar uit een toelatingsbesluit van 13 mei 2015 van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Dit is echter onvoldoende in het licht van artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn, aldus eiseres.

8. Uit artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn volgt dat de daarin onder b en c bedoelde voorwaarden met betrekking tot welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en het risico en onder welke omstandigheden van tijd deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen, bij wettelijk voorschrift moeten zijn bepaald.

9. Ingevolge artikel 3.9, tweede lid, onderdeel a, van het Bnb is als methode als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wnb aangewezen het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten. Het gebruik van CO2 is toegestaan krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De rechtbank verwijst hiervoor allereerst naar de Nota van toelichting bij artikel 3.9, tweede lid, onder a en b van het Bnb (Staatsblad 2016, 383), waarin het volgende is opgenomen: “Bij het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten, aangewezen als methode in het tweede lid, onderdeel a, van artikel 3.9 van het Bnb, gaat het om middelen voor het massaal doden van vogels, voor het gebruik waarvan op grond van artikel 3.4, tweede of derde lid, van de Wnb ook vrijstelling of ontheffing moet worden verleend van het verbod op gebruik van methoden voor het massaal doden, gesteld in het eerste lid van dat artikel. Het kan hierbij onder meer gaan om het gebruik van CO2-gas voor het doden van ganzen. In de moties Van Veldhoven werd de regering verzocht een richtsnoer op te stellen voor het doden van ganzen uit oogpunt van dierenwelzijn. Met het oog op de uitvoering van deze moties heeft de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de Raad voor Dierenaangelegenheden een zienswijze gevraagd. In deze zienswijze – die de voormalige Staatssecretaris van Economische Zaken naar de Tweede Kamer heeft gezonden – is een aantal dodingsmethoden nader gewogen. Een van de conclusies uit de zienswijze is dat het gebruik van CO2-gas vanuit oogpunt van dierenwelzijn de meest geschikte methode is om grote aantallen ganzen te doden. Omdat het gebruik van CO2-gas niet toegestaan was op grond van de Biocidenrichtlijn (thans Biocidenverordening), heeft Nederland in 2012 bij de Europese Commissie een dossier ingediend om de stof CO2 toe te laten als dodingsmiddels voor vogels. Op 14 november 2014 heeft het Standing Committee on Biological Products goedkeuring gegeven voor het gebruik van CO2 in Europa. Deze goedkeuring is bekendgemaakt in het EU Publicatieblad van februari 2015. De feitelijke ingangsdatum is juni 2015. Begin 2015 is bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) een nationale toelating aangevraagd, om het middel in Nederland te mogen toepassen. Deze toelating is verleend en is met ingang van 1 juni 2015 van kracht.”

In het besluit van het Ctgb van 13 mei 2015 is vermeld dat het middel slechts mag worden gebruikt volgens de in bijlage I weergegeven gebruiksvoorschriften. De rechtbank komt tot de conclusie dat er hiermee een voldoende wettelijke grondslag is voor het gebruik van CO2 voor het doden van de ganzen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van eiseres dat op grond van artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn in de wet per soort gans een wettelijk middel dient te worden aangewezen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ontheffing voor het vangen

10. Eiseres voert verder aan dat voor het vangen van de ganzen niet is voldaan aan de vereisten van de Vogelrichtlijn. De ganzen worden gevangen met vangkooien, maar ook wordt gebruik gemaakt van bootjes, vlonders, netten en hekken. Het betreft middelen en methoden die vallen onder het vangen door middel van bijeendrijven in artikel 3.9, tweede lid, onder a en b, van het Bnb in combinatie met alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen. Volgens eiseres zijn deze bepalingen te ruim om te voldoen aan het vereiste dat de middelen en methoden op grond van artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn in een wettelijk voorschrift moeten zijn opgenomen. Ter zitting is door eiseres nog aangevuld dat de boten om de ganzen uit het water te jagen ook als vangmiddel worden gebruikt. Indien de boot met een snelheid van meer dan 5 km/u wordt aangedreven, is dit volgens eiseres in strijd met bijlage IV van de Vogelrichtlijn.

11. De rechtbank is van oordeel dat uit wat is bepaald in artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bnb volgt dat de door eiseres genoemde middelen moeten worden aangemerkt als ‘middelen en installaties die noodzakelijk zijn om CO2 toe te passen’ en daarmee onderdeel zijn van de onder artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bnb genoemde methode. Het zijn geen zelfstandige vangmiddelen. De rechtbank wijst in dit verband ook op de Nota van toelichting bij artikel 3.9, tweede lid, onder a en b van het Bnb. Hierin wordt vermeld dat het gebruik van CO2 als methode is aangewezen en niet als middel, omdat het gebruik van een dergelijk middel nadere voorzieningen vergt. Bij de bestrijding van ganzen door inzet van CO2-gas wordt bijvoorbeeld een gesloten container waarin het gas toegepast. Dit soort hulpmiddelen zijn onderdeel van de methode; het zijn geen zelfstandige vang- of dodingsmiddelen. Omwille van de duidelijkheid is het bijeendrijven van vogels wel opgenomen in artikel 3.9, tweede lid, onderdeel b, van het Bnb, aldus de Nota van toelichting. Ten aanzien van de inzet van bootjes om de ganzen uit het water te jagen, is de rechtbank van oordeel dat daarbij sprake is van het bijeendrijven van ganzen en dat dit valt onder de methode beschreven in artikel 3.9, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bnb. Niet gebleken is, ook niet uit de ter zitting gegeven toelichting over hoe het vangen van de ganzen in zijn werk gaat, van een zodanige inzet van deze boten, dat het gebruik daarvan niet als het bijeendrijven van ganzen moet worden aangemerkt, maar als het achtervolgen of opjagen van de ganzen. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat de ontheffing is verleend voor middelen en methoden waarbij een voldoende wettelijke grondslag ontbreekt. Er is hiermee dan ook geen sprake van strijd met artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Dat de boten met een snelheid van meer dan 5 km/u worden aangedreven, is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Voorwaarden voor het verlenen van de ontheffing

12. Eiseres voert verder aan dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn zware motiveringsplicht dat de ontheffing nodig is ter voorkoming van belangrijke schade aan de gewassen. Zij wijst erop dat de ganzen over het algemeen rustige (natuur)gebieden opzoeken om te ruien en daar geen schade veroorzaken. Dit betekent volgens eiseres dat de handelingen geen enkele relatie hebben met de eventuele schadepercelen, waardoor het vangen van de ganzen dus ook geen enkel schadebeperkend effect heeft. Eiseres stelt dan ook dat de ontheffing volledig gericht is op populatiebeheer. De relatie tussen de grootte van de populatie en de hoogte van de schade blijkt volgens eiseres niet uit de door verweerder aangevoerde cijfers. Eiseres voert daarbij aan dat in het Faunabeheerplan en in de ontheffing alleen schadebedragen per jaar voor de hele provincie worden aangegeven. Het opgevoerde schadebedrag is daarbij niet uitgesplitst naar regio, wildbeheereenheid, gewas en schadegeval. Door niet te specificeren naar plaats en gewas, heeft verweerder in wezen een generieke ontheffing verleend voor het vangen en doden in de hele provincie. Verder wijst eiseres erop dat in de periode mei – juni grote aantallen ruiende grauwe ganzen uit Duitsland, Polen, Tsjechië en Oostenrijk naar de Oostvaardersplassen komen en geen enkele relatie hebben met de opgevoerde landbouwschade. Eiseres voert daarnaast aan dat door verweerder niet aannemelijk is gemaakt dat er geen andere bevredigende oplossing mogelijk is. De noodzaak van CO2-gas is niet aangetoond. Verweerder heeft niet gekeken naar alternatieve maatregelen en ook niet aannemelijk gemaakt dat deze niet voorhanden zijn. Volgens eiseres zijn er alternatieve maatregelen om de schade effectief te beperken.

Tenslotte heeft eiseres betoogd dat verweerder het vereiste van ‘belangrijke schade’ in artikel 3.17 van de Wnb onjuist invult door daarvoor aan te sluiten bij het schadebedrag van € 250,- dat aan boeren wordt uitgekeerd.

13. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat populatiebeheer ingeval van vogels uitdrukkelijk als grondslag voor het verlenen van een ontheffing is opgenomen in artikel 3.17, eerste lid, van de Wnb, indien de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wnb nodig is ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.

14. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3209, is de rechtbank van oordeel dat bij de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’, waarbij verweerder een zekere beoordelingsruimte toekomt, het door verweerder gehanteerde uitgangspunt van een geval van getaxeerde schade van minimaal € 250,- op het niveau van wildbeheereenheden niet onredelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.

15. In de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2824, over de verleende ontheffing aan de Faunabeheereenheid om van 1 maart 2015 tot 1 november 2019 grauwe ganzen te doden met behulp van geweer, is in rechtsoverweging 5.3 geoordeeld dat uit het Faunabeheerplan 2014-2019 onvoldoende blijkt dat een relatie bestaat tussen de populatie grauwe ganzen en de omvang van de schade in de provincie. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft dat niet op een andere wijze voldoende nauwkeurig en treffend gemotiveerd. Ook is in rechtsoverweging 6.1 overwogen dat uit het Faunabeheerplan volgt dat, ondanks dat het afschot in 2013 is gestegen, ook de populatie zomerganzen met 9% is gestegen. Het Faunabeheerplan geeft hier geen verklaring voor. Noch heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht op andere wijze gemotiveerd waarom het afschieten van grauwe ganzen een effectieve oplossing is om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen.

16. Verweerder heeft zich in het verweerschrift, naar aanleiding van deze uitspraak, niet alleen gebaseerd op het Faunabeheerplan, maar ook op meer recente cijfers. Het beroep van eiseres slaagt, nu de volledige motivering van verweerder eerst in de beroepsprocedure is gevolgd. Gelet hierop is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel. De rechtbank zal hierna beoordelen of deze aanvullende motivering van verweerder aanleiding geeft om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

17. Bij het besluit waarbij ontheffing wordt verleend moet bewijs worden geleverd dat aan de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn opgesomde redenen, voorwaarden en vereisten wordt voldaan en moet dat besluit steunen op een nauwkeurige en treffende motivering. De rechtbank verwijst naar de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2017 (rechtsoverweging 5.1).

18. In het verweerschrift gaat verweerder naar aanleiding van deze recente uitspraak van de ABRvS in op de relatie tussen de populatieomvang van de ganzen en de schade. Verweerder geeft aan dat de omvang van de broedpopulatie niet de enige variabele is die de omvang van de schade beïnvloed. Hierdoor kan het zo zijn dat er geen lineair verband bestaat tussen afzonderlijke jaren. Duidelijk is wel, aldus verweerder, dat de omvang van de populatie wel degelijk van invloed is. Als verder wordt uitgezoomd, dan dat alleen naar specifieke jaren wordt gekeken, is duidelijk dat de schade enorm is toegenomen ten opzichte van het verleden (figuren 3, 4 en 5 in het verweerschrift) en dat de ganzenpopulatie ook is toegenomen in die periode (figuur 1 en 2 in het verweerschrift). Verweerder is van oordeel dat met deze uitleg over de verschillende variabelen zou kunnen worden verklaard waarom de populatie stijgt of daalt, terwijl de schadecijfers een ander beeld laten zien voor een specifiek jaar. Uitgezoomd en kijkend naar langere periodes, waardoor de variabelen in een specifiek jaar minder relevant worden, blijkt volgens verweerder wel degelijk dat de omvang van de populatie een (belangrijke) variabele is om de omvang van de schade te verklaren.

19. De rechtbank acht de door verweerder aangeleverde cijfers onvoldoende om de conclusie van verweerder over het verband tussen de populatie ganzen en de omvang van de schade te kunnen dragen. Ook de door verweerder ter zitting gegeven toelichting is hiervoor onvoldoende, nu daarbij naar voren is gekomen dat er nog meer variabelen zijn die van invloed zijn op de schadecijfers, zoals de claimbereidheid van mensen die schade hebben geleden en de gewasprijzen. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat eiseres er, onbetwist, op heeft gewezen dat in andere provincies op een meer nauwkeurige wijze inzicht wordt verstrekt in de landbouwschade en in de aantallen ganzen, bijvoorbeeld door de cijfers te splitsen naar zomer- en winterschade. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op basis van de gebruikte gegevens niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen geen andere bevredigende oplossing voorhanden is dan ingrijpen in de populatieomvang van de ganzen. De aan de verlening van de ontheffing ten grondslag gelegde cijfers vormen geen nauwkeurige en treffende motivering dat aan die voorwaarde is voldaan.

20. De rechtbank overweegt verder dat zij in de door verweerder aangevoerde cijfers een daling ziet in de populatie van ganzen. Uit de cijfers opgenomen in het jaarverslag Faunabeheereenheid 2016, dat eiseres in beroep heeft overgelegd, volgt dat in de jaren 2014-2016 grote aantallen grauwe ganzen in de zomer zijn afgeschoten. Verweerder heeft geen afdoende verklaring gegeven voor de stijging van de schade, terwijl de afgelopen jaren grote aantallen ganzen zijn gedood. Verweerder heeft dan ook niet afdoende gemotiveerd waarom het doden van ganzen een effectieve oplossing is om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen.

21. Naar het oordeel van de rechtbank is ook met de aanvullende motivering in het verweerschrift niet voldaan aan de hiervoor genoemde vereisten van de ABRvS. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en ziet om deze reden geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist. Mede in het licht van de eerdere uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2017, doet de rechtbank geen tussenuitspraak. Partijen kunnen hierdoor meteen in hoger beroep bij de ABRvS om het geschil (wederom) voor te leggen aan de hogerberoepsrechter.

22. Omdat uitvoering van de ontheffing onomkeerbare gevolgen heeft voor de ganzen, ziet de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende de schorsing van het primaire besluit tot zes weken nadat een nieuw besluit op bezwaar is genomen.

23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 751,50 (0,5 punt voor het indienen van een reactie op het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank kent geen punt toe voor het indienen van het beroepschrift, nu het beroepschrift door eiseres zelf is ingediend.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- schorst het primaire besluit tot zes weken nadat een nieuw besluit op bezwaar is genomen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 751,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. drs. S. Wijna, leden, in aanwezigheid van mr. M. Knoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

(de voorzitter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen)

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.