Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1041

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
16/700229/16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 33-jarige man uit Huizen is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en een rijontzegging van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. De man veroorzaakte in 2016 op de A27 bij Eemnes een ongeval waarbij een 23-jarige man om het leven kwam. Zijn vriendin raakte zwaargewond.

De man is in zijn Volvo met een snelheid van 175 kilometer per uur achterop een Volkswagen Caddy gebotst. Hierdoor verloor de bestuurder van de Caddy de macht over het stuur en is uiteindelijk van de weg geraakt en tegen een boom aan gereden. De 23-jarige bestuurder overleed ter plekke en zijn vriendin liep zwaar lichamelijk letsel op. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat er juridisch gezien sprake is van ‘aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag’.

Rechters hebben landelijke oriëntatiepunten voor straffen zodat voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd. Bij deze vorm van schuld wordt een taakstraf van 240 uur genoemd. De rechtbank vindt dat er reden is om in dit geval een hogere straf op te leggen. Gevaarlijk verkeersgedrag leidt in toenemende mate tot verontwaardiging in de maatschappij. De rechtbank rekent de man ook zijn gedrag na het ongeval aan. Hij is weggelopen naar een parkeerplaats in de buurt zonder zich om de slachtoffers te bekommeren. Hij belde zijn vader die hij naar voren schoof als bestuurder. Omdat hij in eerste instantie verklaarde de bijrijder te zijn is geen alcoholtest bij de man afgenomen en is niet vast te stellen of hij te veel had gedronken. Een taakstraf is tegen deze achtergrond niet meer passend, zo oordeelt de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/700229/16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 maart 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1984] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. N.M. Collenburg en van hetgeen verdachte en mr. H. de Kroon, advocaat te Hilversum, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de verklaringen van [slachtoffer 1] (slachtoffer en vriendin van [slachtoffer 2] ) en de nabestaanden van [slachtoffer 2] , te weten [moeder] (moeder) en [stiefmoeder] (stiefmoeder, mede namens vader [vader] ).

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

primair: op 10 december 2016 in Eemnes op de Rijksweg A27 als bestuurder van een personenauto zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, waardoor [slachtoffer 2] werd gedood en zijn vriendin [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. (art. 6 WvW)

subsidiair: op 10 december 2016 in Eemnes op de Rijksweg A27 als bestuurder van een personenauto zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de A12 heeft veroorzaakt. ( art. 5 WvW)

Feit 2: op 9 december 2016, na betrokken te zijn geweest bij een verkeersongeval op de Johan de Wittlaan te Arnhem, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander schade was toegebracht. (art. 7 WvW)

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten het veroorzaken van een verkeersongeval op 10 december 2016 te Eemnes, waarbij [slachtoffer 2] is overleden en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie is van mening dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Voor de beoordeling van een verdenking met betrekking tot artikel 6 van de WVW dient naar het geheel van de gedragingen van de verdachte te worden gekeken. Er is in dit geval geen sprake geweest van slechts een kort moment van onoplettendheid. Indien wordt uitgegaan van de reconstructie van de momenten voorafgaand aan het ongeval blijkt dat verdachte vanuit de invoegstrook in Huizen, die doorliep in een uitvoegstrook van het Tango tankstation, met grote snelheid de A27 is opgereden, daar een snelheid van 175 kilometer per uur heeft gereden, terwijl op dat stuk 130 kilometer per uur was toegestaan. Voorts heeft hij onvoldoende afstand gehouden van de auto die voor hem reed en is hij, zonder te remmen, vol achterop deze auto gebotst. Deze auto reed daar met een normale snelheid en met de verlichting aan. Er is geen enkele verklaring voor het feit dat verdachte die auto niet heeft kunnen zien. De officier van justitie is van mening dat deze opeenstapeling van handelingen moet leiden tot een bewezenverklaring van dood door schuld in het verkeer, waarbij zij uitgaat van “aanmerkelijk onvoorzichtig” rijgedrag.

Voorts acht de officier van justitie het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig de door haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota, vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte weliswaar kan worden verweten dat hij te hard heeft gereden, maar dat het maken van één verkeersovertreding niet betekent dat verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig of onoplettend is geweest. Er is sprake geweest van een momentane onoplettendheid, hetgeen onvoldoende is voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kan naar de mening van de raadsvrouw wettig en overtuigend bewezen worden.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Bewijsmiddelen 1

Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (hierna: VOA)

Op 10 december 2016, omstreeks 19.28 uur waren op de Rijksweg A27, linker rijbaan te

Eemnes een personenauto en een bestelauto bij een kop-staart botsing betrokken.

De bestelauto, hierna te noemen voertuig 2, bereed de Rijksweg A27 links, komende uit de richting van afrit/toerit Huizen (afrit 35) en gaande in de richting van afrit/toerit Eemnes (afrit 34). De personenauto, hierna te noemen voertuig 1, bereed de A27 in dezelfde richting en bevond zich voor het moment van de botsing achter voertuig 2.

Om onbekende reden is voertuig 1 met de voorzijde tegen de achterzijde van voertuig 2 gebotst.

Als gevolg van deze aanrijding is voertuig 1 de middenberm ingereden, aldaar ongeveer 180°

geroteerd en, gezien zijn rijrichting, achterstevoren tegen de geleiderail tot stilstand gekomen. Voertuig 2 is uiteindelijk rechts naast de rijbaan de berm ingereden en aldaar tegen een boom gebotst. De bestuurder van dit voertuig overleed op de plaats van het ongeval en diens passagier raakte gewond.

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Voertuig:

1. personenauto, merk Volvo, type V40, kenteken [kenteken] .

2. personenauto, merk Volkswagen, type Caddy D47 Kw, kenteken [kenteken] .2

Het verkeersongeval had plaatsgevonden tussen hectometerpaal 101.5 en 101.4.

De A27 heeft zijn verloop ter plaatse van nagenoeg noord (Rijksweg A6) naar nagenoeg zuid (A58) en vice versa. Het ongeval vond gezien de rijrichting van betrokken voertuigen, plaats op een recht weggedeelte van de A27 links. De rijbaan had een breedte van ongeveer 6,8 meter en was door middel van een onderbroken witte asstreep verdeeld in 2 rijstroken. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een vluchtstrook die door middel van een ondoorbroken kantstreep was gescheiden van de rijbaan.

Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 130 km/h.3

Op het moment van de aanrijding was de lichtgesteldheid: nacht.

Wegverlichting: geen straatverlichting.

Weersgesteldheid: regen.4

De voertuigen 2 en 1 reden in genoemde volgorde over rijstrook 1 van de Rijksweg A27 links. De bestuurder van voertuig 2 reed met een indicatieve snelheid gelegen tussen 117 km/h en 125 km/h. De bestuurder van voertuig 1 reed met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan. Uit het onderzoek van de data opgeslagen door de RCM (airbag module) van voertuig 1 bleek dat door dit systeem een snelheid was geregistreerd van ongeveer 175 km/h gedurende de laatste 5 seconden voor de botsing. Op een enig moment botste de bestuurder van voertuig 1 met de voorzijde van zijn voertuig tegen de achterzijde van voertuig 2. De bestuurder van voertuig 1 heeft in de genoemde 5 seconden de stand van het gaspedaal niet gewijzigd, niet geremd of getracht een uitwijkmanoeuvre uit te voeren.5

Proces-verbaal van bevindingen

Op 22 december 2016 was ik, verbalisant [verbalisant] , belast met het onderzoek naar de dodelijke aanrijding welke is gebeurd op 10 december 2016 op de Rijksweg A27 ter hoogte van Eemnes.

Uit de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] bleek dat ze samen met slachtoffer [slachtoffer 2] in diens auto bij de Mc Donald’s in Lelystad zijn geweest kort voor de aanrijding. Hierop zijn de beelden van de Mc Donald’s gevorderd.

Ik heb de beelden bekeken. Ik zag dat

- de beelden zijn van 10 december 2016;

- om 18.42.44 een voertuig in het beeld komt rijden;

- het voertuig dezelfde vorm had van de Volkswagen Caddy waarin slachtoffer [slachtoffer 2] reed;

-het voertuig dezelfde kleur had als de Volkswagen Caddy van het slachtoffer;

-op de linker voorzijde van het voertuig een licht vlak te zien was, Dit vlak heeft een overgang van licht en donker. Het vlak komt qua vorm, grootte en kleur overeen met de reclamesticker die op het voertuig van het slachtoffer zat;

- de verlichting van het voertuig aan stond. Ik zag dat zowel de linker als de rechter achterlichten werkten.6

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige]

Op 10 december 2016, omstreeks 19.30 uur reed ik over de Rijksweg A27 in de richting van Utrecht. Mijn snelheid was 130 km/u. Je mag daar 130 km/u. Ik reed op de rechterbaan.

Ter hoogte van Huizen heb je een Tango tankstation. Bij de uitvoegstrook van dit

tankstation werd ik rechts met hoge snelheid ingehaald door een Volvo V40 die over de

uitvoegstrook reed. Ik schat zijn snelheid op circa 160 tot 170 km/u.

Mijn zicht op de Volvo raakte ik kwijt omdat die zo hard reed. Een paar honderd meter verderop zag ik ineens dat een auto ging tollen en in tegengestelde richting tegen de linker vangrail in de middenberm aan zat. Bij het passeren van deze auto zag ik dat het de betreffende Volvo was, die mij eerder had ingehaald.

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1]

Wij reden op de A27 en ik voelde een klap tegen de achterzijde van de auto. Ik

voelde dat de stoel waarop ik zat naar achter klapte en door de afscheiding van de

laadruimte brak. Ik kwam dus plat te liggen.

Dan voel ik dat de auto begint te glijden door de berm aan de rechterzijde van de weg en vervolgens zijn we tot stilstand gekomen.7

V: welk letsel heb je overgehouden aan deze aanrijding?

Ik heb een breukje in de schedel op de overgang naar mijn nekwervel. Verder heb ik pijn over mijn hele lichaam.8

Schouwverslag [slachtoffer 2]

Verkeersongeval waarbij bestuurder met hoge snelheid tegen een boom is gereden; daarbij is hij bekneld geraakt in zijn auto en is overleden als gevolg van ernstig hoofd/nekletsel.9

Akte van overlijden

Overledene

Geslachtsnaam: [slachtoffer 2]

Voornamen: [slachtoffer 2]

Dag van overlijden: [2016]10

Geneeskundige verklaring [slachtoffer 1]

Achternaam: [slachtoffer 1]

Voornamen: [slachtoffer 1]

Omschrijving van het letsel.

A. Uitwendig waargenomen letsel:

Multiple contusies Co #

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht:

10/12/2016

E. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel ed)

Co # wv Philadelphia kraag

F. Geschatte duur van de genezing:

Enkele maanden 11

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting

Ik reed op 10 december 2016 op de Rijksweg A27 in de richting van Utrecht. Ik ken de weg daar goed. Ik ben bij de oprit Huizen de snelweg op gegaan. Ik heb de lange invoegstrook helemaal uitgereden. De invoegstrook liep door in de uitvoegstrook van de Tango.

Ik heb daarbij een auto rechts ingehaald terwijl ik op de invoegstrook reed. Die auto reed op de rechterrijbaan. Ik reed harder dan de maximale toegestane snelheid. Ik reed voor mijn gevoel 140 tot 150 kilometer per uur. U, voorzitter, houdt mij voor dat op de tenlastelegging 175 kilometer per uur staat. Ik denk dat dit ook kan kloppen. Ik weet het niet meer, maar die snelheid komt uit onderzoek naar voren. Ik betwist niet dat ik 175 kilometer per uur heb gereden. Ik had goed zicht. Ik zat alleen in de auto en ik had geen bijzondere reden om zo hard te rijden. Ik ben tegen de achterkant van de VW Caddy aangereden. Ik heb de VW Caddy niet gezien.12

Bewijsoverwegingen

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de ten laste gelegde schuld in de zin van artikel 6 WVW wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.

Vastgesteld kan worden dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer 2] is overleden en waardoor [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Om tot een veroordeling voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, is vereist dat verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen hier is tenlastegelegd als het zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen voorts het volgende is komen vast te staan.

Verdachte reed als bestuurder van een personenauto op 10 december 2016 rond 19.28 uur op de Rijksweg A27, een voor verdachte bekende weg. Het regende, maar verdachte had goed en onbelemmerd zicht. Verdachte kwam vanaf de invoegstrook uit Huizen. Deze invoegstrook liep over in de uitvoegstrook van de Tango. Terwijl hij op de uitvoegstrook van de Tango reed, heeft hij een auto die links van hem op de rechterweghelft reed met een snelheid van 160 tot 170 kilometer per uur ingehaald. Hij is vervolgens de Rijksweg A27 op gereden en naar de linker weg helft gegaan om zo andere auto’s te kunnen inhalen. Op de A27 gold ter plaatse een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur. Verdachte heeft daar met een snelheid van 175 kilometer per uur gereden. Op dat moment reed op de linker rijbaan de VW Caddy met een snelheid van 117 tot 125 kilometer per uur. De VW Caddy reed met de achterlichten aan. Verdachte heeft geen afstand gehouden van de VW Caddy die voor hem reed op de linkerrijbaan en is vervolgens, zonder te remmen, met zijn auto tegen de achterzijde van de VW Caddy gebotst. Ten gevolge van deze klap heeft de bestuurder van die Caddy, [slachtoffer 2] , de macht over het stuur verloren en is rechts naast de rijbaan de berm ingereden en vervolgens tegen een boom gebotst.

Verdachte kan worden verweten dat hij met een veel te hoge snelheid van 175 kilometer per uur geen afstand heeft gehouden van zijn voorganger, deze niet heeft gezien en daarbij, zonder te remmen, vol op deze VW Caddy is gebotst. De situatie ter plaatse was overzichtelijk en er was vrij zicht om de verkeerssituatie verder vooruit te zien. Verdachte had de VW Caddy eerder kunnen en moeten zien.

Van een kort moment van onoplettendheid, zoals door de verdediging betoogd onder verwijzing naar het arrest van Hoge Raad van 29 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD0544 ) was geen sprake. Verdachte liep gedurende honderden meters met een snelheid van ongeveer 50 km/h in op de Caddy die voor hem reed. Met dit snelheidsverschil duurt het ruim zeven seconden om 100 meter op de Caddy in te lopen. Er is dan geen sprake van een situatie waarbij verdachte een kort moment wel heeft gekeken, maar de Caddy over het hoofd heeft gezien, maar van een situatie waarbij verdachte gedurende meerdere seconden niet heeft opgelet, zoals bijvoorbeeld ook aan de orde was in de casus die ten grondslag ligt aan het eerder vermelde (standaard)arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2014. Van een momentane onoplettendheid is dan geen sprake.

De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde feit, in die zin dat de verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een persoon is gedood en een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, waarbij de mate van schuld bestaat uit aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Ten aanzien van feit 2

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het hierna onder 2 bewezen verklaarde bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:13

- een proces-verbaal van aangifte van 9 december 2016;14

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting op 8 maart 2018.15

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

op 10 december 2016 te Eemnes, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A27 (op de linker rijbaan, tussen 101.5 en 101.4, komende uit de richting van afrit/toerit Huizen (afrit 35 en gaande in

de richting van afrit/toerit Eemnes (afrit 34)),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (te weten een personenauto, een

Volvo V40, kenteken [kenteken] )

- met een snelheid van 175 km/u (daar waar een snelheid van 130 km/u is toegestaan) over de Rijksweg A27 te hebben gereden en

- vervolgens met die snelheid van 175 km/u terwijl hij kennelijk

onvoldoende afstand hield met de voorzijde van zijn, verdachtes, auto

tegen de achterzijde van een bestelauto (Volkswagen Caddy,

kenteken [kenteken] ), welke auto werd bestuurd door [slachtoffer 2] en waarin

[slachtoffer 1] als passagier zat, te zijn gebotst,

- ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] de macht over het stuur is verloren

en voornoemde bestelauto (met kenteken [kenteken] ) rechts naast de rijbaan

de berm in is gereden en vervolgens tegen een boom is gebotst,

waardoor een ander, te weten voornoemde [slachtoffer 2] , werd gedood en

waardoor een ander, te weten voornoemde [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te

weten een schedelbreuk, werd toegebracht;

2.

als degene die als bestuurder van een motorrijtuig

betrokken was geweest bij een verkeersongeval,

en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Arnhem

op de Johan de Wittlaan, op 09 december 2016

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander, te weten [slachtoffer 3] ,

schade was toegebracht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde een taakstraf op te leggen. Ook een ontzegging van de rijbevoegdheid ligt in de rede. Ze ziet daarbij geen meerwaarde om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Verdachte is ten diepste overtuigd van het feit dat hij zich geen enkele verkeersfout meer kan veroorloven, daar is geen stok achter de deur meer voor nodig. De door de reclassering geadviseerde ambulante behandeling gericht op inzicht en gedragsverandering lijkt overbodig, nu verdachte dat inzicht al heeft verkregen en tevens zijn gedrag heeft veranderd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten adviseren in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood als gevolg en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een taakstraf op te leggen van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van twaalf maanden.

De rechtbank heeft om de navolgende redenen aanleiding gezien een straf op te leggen die hoger is dan dit oriëntatiepunt.

Allereerst merkt de rechtbank op dat gevaarlijk verkeersgedrag de laatste jaren in toenemende mate tot verontwaardiging en onrust in de maatschappij leidt. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de grote publieke belangstelling voor het dodelijke ongeval te Meijel, waarbij een bestuurder van een auto drie dodelijke slachtoffers veroorzaakte, twee grootouders en hun kleinkind (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3709). Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de recente arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10871 (Vinkeveense plassen) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9380 (ongeval met hoge snelheid op de A2), waarbij het Hof tot hogere straffen kwam dan in eerste aanleg door de rechtbank opgelegd, vanwege de grote gevolgen voor de slachtoffers.

Tegen deze achtergrond is de forse strafeis van de officier van justitie niet onbegrijpelijk, maar naar het oordeel van de rechtbank toch te hoog. De officier van justitie eist zowel een langere gevangenisstraf als een langere rijontzegging dan de straf die door het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch in het hiervoor genoemde arrest van 23 september 2015 is opgelegd, terwijl het gerechtshof in die zaak uitging van zeer onvoorzichtig rijgedrag en er drie dodelijke slachtoffers te betreuren waren. De strafeis van de officier van justitie zal de rechtbank om die reden niet volgen. Wel maakt de hier genoemde en in de rechtspraak ook terugkomende maatschappelijke ontwikkeling dat de rechtbank ook in deze zaak meent dat gelet op de gevolgen van het ongeval, alsook gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet met een taakstraf (het LOVS uitgangspunt) kan worden volstaan.

In deze zaak gaat de rechtbank uit van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag aan de zijde van verdachte. Dat is een lichtere schuldcategorie dan zeer onvoorzichtig rijgedrag of roekeloosheid, de overige schuldcategorieën in dit type zaken. Verdachte is met een snelheid van 175 kilometer per uur met zijn auto tegen een andere, ongeveer 50 km per uur minder snel rijdende auto aangebotst. Hierdoor is het verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan de op dat moment 23-jarige [slachtoffer 2] is overleden en zijn vriendin [slachtoffer 1] zwaar gewond is geraakt. Daarmee is [slachtoffer 2] beroofd van het hoogste rechtsgoed dat de wet beschermt: het leven. De verdachte heeft schuld aan het ongeval en door zijn handelen is onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer 2] . De ouders en de vriendin van [slachtoffer 2] hebben dit op indrukwekkende wijze onder woorden gebracht in hun slachtofferverklaringen. Er is hun onherstelbaar leed en verdriet berokkend. [slachtoffer 2] was in de bloei van zijn leven, was bezig met het opzetten van een eigen bedrijf en had zojuist een huis gekocht, waarin hij met zijn vriendin aan een mooie toekomst wilde gaan bouwen. Wat uit deze verklaringen voorts naar voren komt, is boosheid over het handelen van verdachte nadat het ongeval had plaatsgevonden. De rechtbank houdt bij de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening met die handelwijze. Verdachte heeft na de botsing zijn auto verlaten en is naar de nabijgelegen parkeerplaats bij het tankstation gelopen om zijn vader te bellen. Zijn vader is naar hem toe gereden en ze zijn samen teruggekeerd naar de auto van verdachte. De vader van verdachte heeft ter plekke, op verzoek van verdachte, tegen de politie gezegd dat hij de bestuurder is geweest van de auto en dat hij bij het verkeersongeval was betrokken. Op deze manier heeft verdachte allereerst geen hulp verleend aan of hulp ingeroepen voor de slachtoffers, maar heeft hij ook zijn rol van bestuurder van de auto willen verhullen. Ook op het moment dat hij van de politie hoorde dat er sprake was een dodelijk slachtoffer is hij zijn vader naar voren blijven schuiven als bestuurder. Ten gevolge van dit handelen heeft verdachte geen blaastest hoeven ondergaan en is niet duidelijk geworden of hij te veel alcohol had gedronken voorafgaand aan het ongeval. Verdachte heeft in eerste instantie als getuige (zijn vader was aanvankelijk immers verdachte) verklaard dat hij dacht dat zijn auto van achteren werd aangereden. Nadat hij heeft toegegeven de bestuurder te zijn geweest, heeft verdachte in zijn eerste verhoren volgehouden dat hij 120 kilometer per uur zou hebben gereden, terwijl hij – zo volgt uit zijn verklaring ter terechtzitting – wist dat hij de maximumsnelheid van 130 kilometer per uur had overschreden. Verdachte heeft zijn autosleutel aan zijn vader overhandigd en heeft geprobeerd in zijn telefoon en die van zijn vader de gespreksgeschiedenis te wissen, om te voorkomen dat duidelijk zou worden dat hij kort na het ongeval met zijn vader had gebeld. Verdachte wilde verhullen dat hij had gereden, omdat hij bang was zijn rijbewijs te verliezen. Hij vreesde dat hij mogelijk te veel zou hebben gedronken voorafgaand aan het ongeval.

Dit zijn voor de nabestaanden en voor de rechtbank onbegrijpelijke keuzen. Het getuigt – ondanks de geuite excuses van verdachte op de terechtzitting – van een volstrekt tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het onder 2 bewezenverklaarde feit, nu hij de dag voor het dodelijke verkeersongeval bij Eemnes, ook betrokken was bij een aanrijding in Arnhem, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten. Ook uit dit gedrag blijkt een gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ten nadele van verdachte rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 26 januari 2018 waaruit volgt dat verdachte meermalen, voor het laatst in 2012, minder dan vijf jaar voor de bewezen verklaarde feiten, is veroordeeld voor rijden onder invloed (artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994). Daarnaast heeft verdachtes vader hem meerdere malen gewaarschuwd om voorzichtiger te rijden. Dit advies heeft verdachte genegeerd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 16 november 2017, uitgebracht door Iris Zorg. De reclassering adviseert een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting.

Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank een taakstraf niet meer passend. De rechtbank zal aan verdachte voor het onder feit 1 primair en onder feit 2 bewezen verklaarde een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal daar geen bijzondere voorwaarden aan verbinden. De rechtbank acht het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf een voldoende stok achter de deur voor verdachte. Daarnaast zal de rechtbank verdachte ten aanzien van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal bepalen dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

- 14 a, 14b, 14c, 57 van het Wetboek van Strafrecht en

- 175, 176 en 179 van de WVW 1994

zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1 primair en onder feit 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 primair en onder feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Ten aanzien van feit 1 primair:

- ontzegt verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

- bepaalt dat van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een gedeelte van 1 (één) jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G van Ommeren, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 maart 2018.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 10 december 2016 te Eemnes, althans in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, de Rijksweg A27 (op de linker rijbaan, tussen 101.5 en

101.4, komende uit de richting van afrit/toerit Huizen (afrit 35 en gaande in

de richting van afrit/toerit Eemnes (afrit 34)),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden doorzeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend,

met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig (te weten een personenauto, een

Volvo V40, kenteken [kenteken] )

- met een snelheid van 175 km/u (althans met een te hoge snelheid) (daar waar

een snelheid van 130 km/u is toegestaan) over de Rijksweg A27 te hebben

gereden en/of

- ( vervolgens) (met die snelheid van 175 km/u) (terwijl hij kennelijk

onvoldoende afstand hield) met de voorzijde van zijn, verdachtes, auto (door

onbekende oorzaak) tegen de achterzijde van een bestelauto (Volkswagen Caddy,

kenteken [kenteken] ), welke auto werd bestuurd door [slachtoffer 2] en waarin

[slachtoffer 1] als passagier zat, te zijn gebotst,

- ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] de macht over het stuur is verloren

en/of voornoemde bestelauto (met kenteken [kenteken] ) (rechts naast de rijbaan)

de berm in is gereden/geraakt en (vervolgens) tegen een boom is gebotst,

waardoor een ander (te weten voornoemde [slachtoffer 2] ) werd gedood en/of

waardoor een ander (te weten voornoemde [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te

weten een schedelbreuk, of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, werd toegebracht;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 10 december 2016, te Eemnes, althans in Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, een Volvo V40,

met kenteken [kenteken] ), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Rijksweg A27 (op de linker rijbaan, tussen 101.5 en 101.4,

komende uit de richting van afrit/toerit Huizen (afrit 35 en gaande in

de richting van afrit/toerit Eemnes (afrit 34)),

met dat door verdachte bestuurde motorrijtuig

- met een snelheid van 175 km/u (althans met een te hoge snelheid) (daar waar

een snelheid van 130 km/u is toegestaan) over de Rijksweg A27 heeft

gereden en/of

- ( vervolgens) (met die snelheid van 175 km/u) (terwijl hij kennelijk onvoldoende afstand hield) met de voorzijde van zijn, verdachtes, auto (door onbekende oorzaak) tegen de achterzijde van een bestelauto (Volkswagen Caddy, kenteken [kenteken] ), welke auto werd bestuurd door [slachtoffer 2] en waarin [slachtoffer 1] als passagier zat, is gebotst,

- ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] de macht over het stuur is verloren

en/of voornoemde bestelauto (met kenteken [kenteken] ) (rechts naast de rijbaan)

de berm in is gereden/geraakt en (vervolgens) tegen een boom is gebotst,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij,

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke

gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht,

althans als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig

betrokken was geweest bij een verkeersongeval,

en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Arnhem, althans in Nederland,

op/aan de Johan de Wittlaan, op of omstreeks 09 december 2016

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] )

letsel en/of schade was toegebracht;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 april 2017, genummerd PL0900-2016381837, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 323. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse opgesteld door P. Kortstra, pagina 101.

3 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse opgesteld door P. Kortstra, pagina 102.

4 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse opgesteld door P. Kortstra, pagina 103.

5 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse opgesteld door P. Kortstra, pagina 156.

6 Een proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2016, pagina 49.

7 Een proces-verbaal van verhoor van 12 december 2016, pagina 77.

8 Een proces-verbaal van verhoor van 12 december 2016, pagina 78.

9 Een geschrift, te weten een Schouwverslag van 11 december 2016, pagina 72.

10 Een geschrift, te weten een akte van overlijden van 13 december 2016, pagina. 74.

11 Een geschrift, inhoudende een geneeskundige verklaring [slachtoffer 1] d.d. 22 december 2016, pagina 79.

12 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 maart 2018.

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 april 2017, genummerd PL0900-2016381837, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 323. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

14 Een proces-verbaal van aangifte van 9 december 2016, pagina 210.

15 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 maart 2018.