Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1037

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
6251088 / MC EXPL 17-8299
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van aanneming van werk voor een uitbouw aan de woning van gedaagde. Aannemer informeert bij de Gemeente Almere of voor de uitbouw een omgevingsvergunning nodig is. De Gemeente Almere deelt mede dat een vergunning niet is vereist. Partijen sluiten vervolgens een overeenkomst van aanneming van werk. Later blijkt dat een omgevingsvergunning wel vereist is. Gedaagde annuleert/ontbindt de overeenkomst. Aannemer vordert betaling van de door hem gemaakte kosten en gederfde winst op grond van de algemene voorwaarden. De kantonrechter oordeelt dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst. Het verweer van gedaagde wordt opgevat als een beroep op wederzijdse dwaling. Beide partijen is geen verwijt te maken van de dwaling. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavig geval een redelijke verdeling van de door de dwaling ontstane financiële gevolgen met zich brengt dat aannemer uitsluitend aanspraak kan maken op de door haar gemaakte kosten ten behoeve van de offerte/opdrachtbevestiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2018/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 21 maart 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6251088 / MC EXPL 17-8299 van

[eiser] ,
(mede) h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna ook te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde DAS Rechtsbijstand,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. T.R. Dicke.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

  • -

    het tussenvonnis van 29 november 2017

  • -

    de brief van 14 februari 2018 aan de zijde van [handelsnaam]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 29 september 2016 stuurt [handelsnaam] aan [gedaagde] een offerte voor het uitvoeren van werkzaamheden bestaande uit het realiseren van een uitbouw met een breedte van 6.70 meter en een diepte van 3 meter onder toezending van de door haar te hanteren Algemene Voorwaarden voor een prijs van € 36.670,43 inclusief BTW.

2.2.

In de Algemene Voorwaarden is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 5 Verplichtingen van de wederpartij

1. De wederpartij moet ervoor zorgen dat:

a. hij alle voor de uitvoering van de overeenkomst benodigde informatie (waaronder vergunningen, ontheffingen, beschikkingen e.d.) tijdig en op de door de gebruiker gewenste wijze aan hem ter beschikking stelt.

Artikel 10 Schorsing, beëindiging van het werk in onvoltooide staat en opzegging.

5. De wederpartij mag de overeenkomst altijd geheel of gedeeltelijk opzeggen. De gebruiker heeft in dat geval recht op de aanneemsom, vermeerderd met de kosten die gebruiker als gevolg van de niet-voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. De gebruiker zendt de wederpartij hiervoor een gespecificeerde eindafrekening.

6. Indien door partijen de prijs afhankelijk is gesteld van de werkelijk door gebruiker te maken kosten, wordt de verschuldigde prijs bij opzegging berekend aan de hand van de gemaakte kosten, de verrichte arbeid en de winstderving van gebruiker.

2.3.

In oktober 2016 heeft [handelsnaam] zich gewend tot de Gemeente Almere met het verzoek mede te delen of voor de werkzaamheden een omgevingsvergunning nodig was. De Gemeente Almere heeft toen medegedeeld dat een omgevingsvergunning niet nodig was. [handelsnaam] heeft deze informatie toen aan [gedaagde] medegedeeld.

2.4.

Op 9 december 2016 stuurt [handelsnaam] aan [gedaagde] een opdrachtbevestiging voor de door haar uit te voeren werkzaamheden voor een aangepaste prijs van € 36.000,00, welke opdrachtbevestiging door [gedaagde] voor akkoord is ondertekend.

2.5.

[handelsnaam] besteedt het werk uit op basis van een onderaannemings- overeenkomst gedateerd 9 december 2016 aan de onderaannemer [naam onderaannemer] te [vestigingsplaats] voor een bedrag van € 26.000,00.

2.6.

[handelsnaam] heeft aan [gedaagde] op 12 december 2016 een bedrag van € 9.000,00 en op 15 december 2016 een bedrag va € 7.200,00 aan [gedaagde] gefactureerd.

2.7.

De buurman van [gedaagde] heeft zich tot de Gemeente Almere gewend omtrent de geplande uitbouw van de woning van [gedaagde] , waarna de Gemeente Almere heeft medegedeeld aan [handelsnaam] dat voor de uitbouw wel een omgevingsvergunning vereist is. [handelsnaam] heeft op 28 december 2016 een gesprek gevoerd met de Gemeente Almere (mevrouw [A] ) die heeft erkend aanvankelijk onjuiste informatie te hebben verstrekt aan [handelsnaam] .

2.8.

Bij e-mail van 2 januari 2017 deelt [handelsnaam] aan [gedaagde] het volgende mede:

“Gemeente Almere

[handelsnaam] is in oktober 2016 naar de gemeente Almere gegaan. Er werd toen aan [handelsnaam] medegedeeld dat er geen bouwvergunning nodig was.

Echter door toedoen van uw buurman kwam [handelsnaam] er achter dat dit wel het geval was.

[handelsnaam] heeft dan ook direct stappen ondernomen en is weer naar de gemeente Almere gegaan. Mevrouw [A] van de gemeente Almere vertelde [handelsnaam] da er wel een vergunning nodig was.

Mevrouw [A] heet haar excuses aan [handelsnaam] aangeboden voor de medewerkester die in oktober 2016 niet de juiste informatie aan [handelsnaam] heeft gegeven. Dit heeft [handelsnaam] mondeling aan u medegedeeld op 28 december 2016, nadat [handelsnaam] bij de Gemeente Almere was geweest.

Schriftelijke opdracht

Wij verzoeken u ons zo spoedig mogelijk schriftelijk opdracht te geven voor de architect.

De architect kan dan binnen 4 a 5 werkdagen de bouwtekening klaar hebben.

Indienen Bouwtekening

[handelsnaam] zal de bouwtekening dan bij de gemeente Almere indienen t.b.v. een bouwvergunning.”

2.9.

Bij e-mail van 5 januari 2017 deelt [gedaagde] aan [handelsnaam] mede af te zien van de opdrachtbevestiging:

“U heeft meerdere malen aangegeven dat er gebouwd kan worden zonder vergunning.

Dat wij verder niks hoeven te doen en dat alles geregeld word.

Ik heb toen aangegeven dat er door de buurvrouw doorgegeven was dat de gemeente geen toestemming geeft voor uitbouw bij de voordeur. U heeft toen nogmaals aangegeven dat dat geen probleem is, en dat u wel even met de gemeente zou gaan praten. Ik heb u toen ook verzocht om dit aan de gemeente te vragen en hier schriftelijke terugkoppeling van te vragen, hier heeft u een standaard formulier van meegekregen en mondeling akkoord voor gekregen, zoals wij van u te horen hebben gekregen.

Wij hebben akkoord gegeven op de offerte op basis van een totaalbedrag zoals u ons verteld heeft voor de uitbouw over de gehele breedte en 3 meter lang. Hier zouden geen extra kosten meer in rekening gebracht worden.

Wij vinden het jammer hoe het nu allemaal loopt. Als de afspraken niet waargemaakt kunnen worden die besproken zijn zien wij gezien ons recht af van de gehele opdrachtbevestiging en willen wij geen uitbouw meer.

Gezien de afspraken die wij gemaakt hebben en u ons heeft aangegeven dat er geen vergunning nodig is voor de uitbouw, wij een totaalbudget hebben aangegeven en ook duidelijk hebben aangegeven dat wij niet over dit budget heen kunnen gaan, wij dus niet bereid zijn om de kosten voor de architect te betalen.”

2.10.

Bij e-mail van 6 januari 2017 antwoordt [handelsnaam] :

“Wij begrijpen best dat het een tegenvaller is.

Wij willen je uit coulance de helft van de architect kosten en de helft van de constructeur kosten voor onze rekening nemen.

Wij verzoeken je om met ons voorstel akkoord te gaan en hiervoor binnen 4 dagen schriftelijk opdracht te geven, dan zullen wij direct actie ondernemen om de tekening te laten maken door de architect en de berekeningen. Zodat wij de bouwvergunningen aan kunnen vragen.”

2.11.

Bij e-mail van 12 januari 2016 ziet [gedaagde] definitief af van de overeenkomst:

“Bij deze willen wij graag doorgeven dat wij niet meer willen beginnen met een uitbouw en deze te annuleren.

De redenen hiervoor zijn als volgt:

- Er zijn afspraken gemaakt en beloftes die conform de overeenkomst en dc mondelingen toezeggingen niet waargemaakt kunnen worden.

- er is toegezegd eind januari klaar te zijn met de uitbouw.

- u heeft doorgegeven dat er geen vergunning nodig zou moeten zijn voor de uitbouw, wat

wel het geval is.

- Er zou zonder vergunning en zonder dat er schriftelijk akkoord gegeven was door de

gemeente begonnen worden met bouwen. Terwijl dit wel door ons aan u gevraagd is.

- Er is een afspraak gemaakt voor een uitbouw over de gehele breedte van de woning, dit lijkt ook niet te kunnen.

- Er is onenigheid ontstaan met de buren en [voornaam van eiser]

Gezien deze omstandigheden willen wij u erop wijzen dat de opdracht die pas van start zou

gaan bij de eerste betaling en gezien ons recht, ontbonden dient te worden.”

3 Het geschil

3.1.

[handelsnaam] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 10.015,31 (hoofdsom € 9.181,25 en buitengerechtelijke incassokosten € 834,06), vermeerderd met de contractuele rente ad 2% per maand over € 9.181,25 en kosten.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt [handelsnaam] dat op 9 december 2016 tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten. Ten onrechte heeft [gedaagde] zonder enige rechtsgrond de overeenkomst ontbonden. Op grond van artikel 10 lid 5 van de Algemene Voorwaarden is [gedaagde] gehouden de aanneemsom, te vermeerderen met de door [handelsnaam] gemaakte kosten als gevolg van de niet-voltooiing en te verminderen met de door de beeindiging door [handelsnaam] bepaarde kosten, aan [handelsnaam] te betalen. [handelsnaam] maakt aanspraak op betaling van € 1.981,25 aan gemaakte kosten (uren, calculatie en administratie) en € 7.200,00 (20% winstverlies over € 36.000,00).

3.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij slechts akkoord is gegaan met de opdrachtbevestiging onder de ontbindende voorwaarde dat er geen omgevingsvergunning vereist zou zijn voor het realiseren van de uitbouw. Bij ontbinding van de overeenkomst geldt dat dit zonder enige kosten gepaard gaat. [gedaagde] is niets verschuldigd. [gedaagde] heeft voor dat hij de overeenkomst heeft gesloten van [handelsnaam] vernomen dat er geen omgevingsvergunning nodig was. Op basis van die informatie is de overeenkomst gesloten. [gedaagde] behoeft dan ook geen uitvoering te geven aan de overeenkomst.

3.3.

De Algemene Voorwaarden zijn niet van toepassing omdat [gedaagde] die voorwaarden niet heeft ontvangen noch daarvoor heeft getekend. Nu de vordering van [handelsnaam] is gebaseerd op artikel 10 van de Algemene Voorwaarden en deze niet van toepassing zijn, dient de vordering te worden afgewezen. Voor zover de Algemene Voorwaarden wel toepassing vinden dan heeft te gelden dat werkzaamheden in het offerte stadium voor rekening en risico dienen te blijven van [handelsnaam] , terwijl ook de onderliggende uren, bezoeken en administratie worden betwist. [handelsnaam] is niet met de werkzaamheden begonnen zodat zij ook geen kosten heeft gemaakt. Tot slot wordt het gestelde winstverlies bestreden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat partijen op 9 december 2016 een aannemingsovereenkomst hebben gesloten. [handelsnaam] heeft zich daarbij verplicht ten behoeve van de woning van [gedaagde] een uitbouw te plaatsen tegen betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 36.000,00.

Algemene Voorwaarden

4.2.

Allereerst beoordeelt de kantonrechter de vraag of de Algemene Voorwaarden van [handelsnaam] op de overeenkomst van toepassing zijn, zoals door [handelsnaam] gesteld, maar door [gedaagde] betwist. In de opdrachtbevestiging van 9 december 2016 wordt onderaan iedere bladzijde verwezen naar de toepasselijke Algemene Voorwaarden. Verder is van belang dat op de offerte van 8 september 2016 ook steeds op iedere bladzijde wordt verwezen naar de Algemene Voorwaarden. In de aanbiedingsbrief van 28 september 2016 wordt medegedeeld dat alle werkzaamheden worden uitgevoerd met garantie en volgens de Algemene Leveringsvoorwaarden als gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amersfoort. Daarmede staat genoegzaam vast dat de Algemene Voorwaarden van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Voor zover [gedaagde] zich heeft willen beroepen op de vernietigbaarheid van de Algemene Voorwaarden op grond van artikel 6:233 onder b BW, omdat hij geen redelijke mogelijkheid heeft gehad kennis te kunnen nemen van de Algemene Voorwaarden doordat deze niet aan hem ter hand zijn gesteld is het volgende van belang. Bij aanbiedingsbrief van 28 september 2016 van de offerte staat vermeld dat als bijlage is meegezonden de Algemene Voorwaarden. Bij e-mail van 29 september 2016 aan [gedaagde] worden de Algemene Voorwaarden meegezonden. Ter comparitie van partijen heeft [gedaagde] erkend dat hij de Algemene Voorwaarden heeft ontvangen, maar niet bij het tekenen van de overeenkomst op 9 december 2016. Daarmee staat in voldoende mate vast dat [gedaagde] kennis heeft genomen althans kennis heeft kunnen nemen van de Algemene Voorwaarden. Ter beschikkingstelling van de Algemene Voorwaarden in het offerte-traject is voldoende en hoeft niet nog eens bij ondertekening van de uiteindelijke overeenkomst te geschieden, zoals door [gedaagde] kennelijk gesuggereerd. Voor de toepasselijkheid of de ontvangst is niet nodig dat de Algemene Voorwaarden worden voorzien van ondertekening of een paraaf. Vernietiging op grond van artikel 6:233 onder b BW is dan ook niet aan de orde.

4.3.

Ter comparitie heeft [gedaagde] zich nog beroepen op vernietiging van artikel 10 lid 5 van de Algemene Voorwaarden op grond van artikel 6:233 onder a, omdat het beding voor [gedaagde] als onredelijk bezwarend valt te kwalificeren en op die grond naar de kantonrechter begrijpt vernietigbaar is. De kantonrechter stelt voorop dat een beding in algemene voorwaarden slechts vernietigbaar is, indien sprake is van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het beding gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend zou zijn voor [gedaagde] . Van een onredelijk bezwarend beding in de hiervoor bedoelde zin is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Uit het enkele feit dat [handelsnaam] in het beding aanspraak maakt op vergoeding van haar schade bij opzegging - aanneemsom plus kosten minus besparingen -, een veel voorkomend beding, volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat het beding daarmee onredelijk bezwarend is. Overige feiten en omstandigheden waaruit zou volgen dat dit artikel onredelijk bezwarend zou zijn, zijn door [gedaagde] niet gesteld. Het beroep op vernietiging van artikel 10 lid 5 van de Algemene Voorwaarden van [handelsnaam] zal dus worden verworpen.

Opzegging/ontbinding/wederzijdse dwaling

4.4.

Tussen partijen is in geschil welke gevolgen er moeten worden verbonden aan de mededeling van de Gemeente Almere aan [handelsnaam] dat voor de uitbouw aan de woning van [gedaagde] geen omgevingsvergunning nodig is, waarvan achteraf is gebleken dat die vergunning wel is vereist.

4.5.

De kantonrechter neemt de volgende omstandigheden en feiten bij haar beoordeling in aanmerking. Vaststaat dat [handelsnaam] in oktober 2016 bij de Gemeente Almere heeft geïnformeerd of voor de uitbouw een omgevingsvergunning nodig was. De Gemeente Almere heeft aan [handelsnaam] medegedeeld dat een dergelijke vergunning niet is vereist. [handelsnaam] heeft deze informatie met [gedaagde] gedeeld, waarna [gedaagde] de aan hem toegezonden opdrachtbevestiging op 9 december 2016 heeft getekend. Ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst verkeerden beide partijen in de veronderstelling dat een omgevingsvergunning voor de uitbouw niet noodzakelijk was. Op 28 december 2016 bleek de informatie van de Gemeente Almere niet juist en is dit ook aan [handelsnaam] medegedeeld, die vervolgens [gedaagde] daarvan op de hoogte heeft gesteld. Naar aanleiding van die mededeling heeft [gedaagde] uiteindelijk op 5 januari 2017 aan [handelsnaam] medegedeeld af te willen zien van de uitvoering van de opdracht, omdat in weerwil van de eerdere mededeling van [handelsnaam] wel een omgevingsvergunning nodig is en [gedaagde] niet in staat is over het door hem vastgestelde financiële budget voor de uitbouw heen te gaan. Bij e-mail van 12 januari 2017 heeft [gedaagde] de overeenkomst dan ook definitief geannuleerd c.q. ontbonden.

4.6.

[handelsnaam] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat [gedaagde] sowieso op grond van artikel 5 van de Algemene Voorwaarden gehouden was zorg te dragen voor verstrekking van de omgevingsvergunning, zodat [gedaagde] ten onrechte heeft afgezien van de uitvoering van de opdracht. Nu [handelsnaam] zelf, en volgens [gedaagde] op grond van hetgeen zou zijn afgesproken, naar de Gemeente Almere is gegaan om duidelijkheid te verkrijgen in hoeverre een omgevingsvergunning was vereist, vervolgens de mededeling had gekregen dat die niet was vereist en [gedaagde] daarover had geïnformeerd, mocht [gedaagde] ervan uitgaan dat die verkregen informatie juist was. Op [gedaagde] rustte daarom ook geen nadere onderzoeksverplichting of een verplichting die informatie te verifiëren dan wel alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen.

4.7.

[gedaagde] stelt nu dat tussen partijen zou zijn overeengekomen dat de overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat er geen vergunning vereist zou zijn voor het realiseren van de uitbouw. Van een dergelijke ontbindende voorwaarde is de kantonrechter niet gebleken. Die voorwaarde blijkt in ieder geval niet uit de tussen partijen gesloten schriftelijke overeenkomst van 9 december 2016 en strookt ook niet met hetgeen verder door partijen is aangevoerd. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat de overeenkomst is gesloten op basis van de informatie van [handelsnaam] dat geen omgevingsvergunning noodzakelijk was, terwijl nadien is gebleken dat deze wel was vereist. Ook de door [gedaagde] gevoerde correspondentie wijst erop dat [gedaagde] bedoeld heeft te zeggen dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten, althans niet onder gelijke voorwaarden, indien hij wist dat wel een omgevingsvergunning nodig was. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] aldus dat hij zich beroept op dwaling, meer specifiek op wederzijdse dwaling. De kantonrechter zal de stellingen van partijen dan ook in het leerstuk van de wederzijdse dwaling plaatsen.

4.8.

In het algemeen komt het risico van een partij voor een onjuiste voorstelling bij het aangaan van een overeenkomst voor haar eigen rekening. Immers, alleen een partij die de normale, in het verkeer geboden voorzichtigheid in acht neemt, verdient bescherming. Dit wordt alleen anders als de wederpartij de onjuiste voorstelling van zaken heeft opgewekt of versterkt. Er moet dus sprake zijn van verwijtbaarheid, met andere woorden: indien een schijn is gecreëerd waarop de dwalende mocht afgaan. De dwaling komt in dat geval voor rekening van de wederpartij van de dwalende: het risico is versprongen. Maar bij wederzijdse dwaling speelt de verwijtbaarheid c.q. de opgewekte schijn geen rol. Beide partijen gingen immers uit van een onjuiste veronderstelling, er is sprake van een misverstand. Dan blijft alleen de vraag over, welke partij naar verkeersopvatting het risico van deze dwaling moet dragen. Anders gezegd: indien geen van beide partijen iets te verwijten valt, welke partij draagt dan het risico van de werkelijkheid? Er zijn dan twee mogelijke resultaten: a) de overeenkomst blijft in stand en degene die haar vernietigd wil zien lijdt het nadeel, of b) de overeenkomst wordt vernietigd wegens wederzijdse dwaling en het risico van de werkelijkheid wordt verdeeld, tenzij er omstandigheden zijn die het misverstand naar redelijkheid voor rekening van een der partijen doen komen. Het enige dat bij wederzijdse dwaling geldt, is het vereiste dat beide partijen zijn uitgegaan van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken, en dat die veronderstelling bij de totstandkoming van de overeenkomst een rol heeft gespeeld. Vast moet staan dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. Dit betekent dat de partij die zich op wederzijdse dwaling beroept, moet stellen en eventueel bewijzen dat is voldaan aan de vereisten dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling, dat deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, en dat de wederpartij van dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als de dwalende. De wederpartij moet stellen en eventueel bewijzen dat zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had hoeven begrijpen dat de dwalende daardoor de overeenkomst niet zou sluiten, met andere woorden, dat de relevantie van de dwaling ook bij een juiste voorstelling van zaken voor haar niet kenbaar zou zijn geweest.

4.9.

Zoals uit overweging 4.5 volgt staat vast dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst partijen van de veronderstelling zijn uitgegaan dat voor de uitbouw geen omgevingsvergunning nodig was. Nu partijen daar voorafgaand aan de overeenkomst met elkaar over hebben gecommuniceerd, moet worden aangenomen dat het al dan niet verkrijgen van een omgevingsvergunning bij de totstandkoming van de overeenkomst een (essentiële) rol heeft gespeeld. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [gedaagde] aldus dat hij bij wetenschap dat wel een omgevingsvergunning was vereist de overeenkomst niet, althans onder andere voorwaarden zou hebben gesloten. Dit vloeit onder meer voort uit de tussen partijen nadien gevoerde correspondentie. [gedaagde] heeft immers bij e-mail van 5 januari en 12 januari 2017 aangegeven dat de overeenkomst op basis van een totaalbudget is gesloten, terwijl er geen ruimte bestond voor een hogere financiële bijdrage. Het aanvragen van een omgevingsvergunning en de inschakeling van een architect brengt extra kosten met zich die [gedaagde] zegt niet te kunnen dragen. [handelsnaam] heeft dit standpunt niet weersproken. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten, indien hij op de hoogte was van het feit dat wel een omgevingsvergunning was vereist. Genoegzaam is komen vast te staan dat ook [handelsnaam] van de door de Gemeente Almere achteraf onjuist gebleken informatie is uitgegaan. Niet gesteld noch gebleken is dat de relevantie van de dwaling voor [handelsnaam] niet kenbaar zou zijn geweest. Geconcludeerd moet worden dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst heeft gedwaald en dat de e-mail van 12 januari 2017 aan [handelsnaam] moet worden opgevat als een (terecht) beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling, zoals in het kader van deze procedure ook als exceptief verweer wordt aangemerkt. De overeenkomst is/wordt vernietigd wegens wederzijdse dwaling.

4.10.

Dan blijft thans alleen de vraag over, welke partij naar verkeersopvatting het risico van deze dwaling moet dragen. Beide partijen is geen verwijt te maken van de dwaling. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavig geval een redelijke verdeling van de door de dwaling ontstane financiële gevolgen met zich brengt dat [handelsnaam] uitsluitend aanspraak kan maken op de door haar gemaakte kosten ten behoeve van de offerte/opdrachtbevestiging bestaande uit 12,75 uur calculatie (€ 45,00 per uur) en 9,5 uur administratie (25,00 pr uur) en 10 uur bezoeken (€ 45,00 per uur), derhalve totaal € 1.261,25. Daar doet niet aan af dat normaal gesproken in het offerte traject de kosten voor rekening van de aannemer blijven, zoals door [gedaagde] gesteld. De kantonrechter gaat daarbij uit van de door [handelsnaam] overgelegde specificatie (productie 8 bij dagvaarding) welke specificatie de kantonrechter niet onaannemelijk voorkomt, behoudens het onderdeel bezoeken dat voor matiging in aanmerking komt en door de kantonrechter wordt begroot op 10 uur. De bezoeken aan [gedaagde] (19 uur) komt de kantonrechter zonder nadere onderbouwing bovenmatig voor; de bezoeken aan de onderaannemers, architect en de gemeente Almere op 28 december 2016 (5,5 uur) dienen voor rekening van [handelsnaam] te blijven. De kantonrechter acht het, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet redelijk dat [gedaagde] ook het risico van de mogelijke winstderving van [handelsnaam] dient te dragen.

4.11.

De vordering van [handelsnaam] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.261,25. De gevorderde contractuele rente van 2% per maand wordt afgewezen, omdat dat beding als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt.

4.12.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ziet de kantonrechter geen aanleiding tot toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4.13.

De kantonrechter zal de proceskosten tussen partijen compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.261,25;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.