Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:1023

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
UTR 16/5833-T en UTR 16/5349-T
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:RBMNE:2019:3929
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak; Wob-verzoek; procesbelang; beperking beroep tot 70 documenten; vrijheid van informatie; journalistiek medium; bedrijfs- en fabricagegegevens; onevenredige benadeling; persoonlijke beleidsopvattingen; gehanteerde weigeringsgronden zijn op (onderdelen) van documenten onvoldoende gemotiveerd; verweerder wordt opgedragen gebrek te herstellen.

Artikel 7:12 en 8:51b Awb: artikelen 10, lid 1, onder c, 10, lid 2, onder en g en 11, lid 1 Wob; artikel 10 EVRM

Samenvatting:

Verzoek van omroepvereniging AVROTROS tot openbaarmaking van informatie door de minister van VWS over de kwaliteitsbewaking van producten van Terumo, die in het productieproces gebruik maakt van producten van Henkel, en correspondentie daaromtrent. Het Wob-verzoek omvat volgens verweerder in totaal 709 documenten. AVROTROS heeft daaruit een selectie gemaakt van 70 documenten.

De rechtbank oordeelt dat AVROTROS haar beroep niet heeft beperkt tot de geselecteerde 70 documenten, omdat zij wel gronden heeft aangevoerd tegen het geheel van documenten en zij voorts heeft gesteld dat de selectie van 70 documenten bij wijze van steekproef is en dat, als blijkt dat daarin teveel is weggelakt, alsnog naar alle documenten moet worden gekeken. De rechtbank begrijpt het beroep verder zo dat zij zich bij de beoordeling in eerste instantie kan beperken tot de geselecteerde 70 documenten en dat, indien blijkt dat aan de (gedeeltelijke) weigering daarvan geen gebreken kleven, de rechtbank het daar bij kan laten en dat indien aan de (gedeeltelijke) weigering daarvan wel gebreken kleven, ook de andere documenten moeten worden beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat AVROTROS procesbelang heeft ten aanzien van de documenten die reeds door de Belgische autoriteiten openbaar zijn gemaakt.

De rechtbank oordeelt met betrekking tot het beroep van AVROTROS op artikel 10 van het EVRM dat AVROTROS in dit geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die een ongerechtvaardigde belemmering in haar recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen zouden meebrengen, als bedoeld in de uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2883). De enkele stelling van AVROTROS dat zij een journalistiek medium is en dat de gevraagde informatie betrekking heeft op een kwestie die van maatschappelijk belang is, is hiertoe onvoldoende. Dat was namelijk ook het geval in voornoemde uitspraak van de ABRvS (vliegramp met de MH17).

De rechtbank beoordeelt vervolgens de absolute en relatieve weigeringsgronden van de 70 documenten en concludeert dat van een aantal onvoldoende is gemotiveerd waarom de gehanteerde weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. De rechtbank doet een dringend appel op verweerder om, indien hij van de gelegenheid gebruik wil maken het gebrek te herstellen, aan de hand van wat in deze uitspraak is overwogen nader te onderzoeken of ten aanzien van de weigering van de overige 639 documenten sprake is van vergelijkbare gebreken. De rechtbank beoordeelt die documenten thans nog niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/5833-T en UTR 16/5349-T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2018 in de zaak tussen

de vereniging AVROTROS, te Hilversum, eiseres 1

(gemachtigden: mr. H.A.J.M. van Kaam en mr. M.L. Diepenhorst),

Henkel Belgium N.V., te Sint Jans Molenbeek (België) en Henkel Nederland B.V., te Nieuwegein, eiseressen 2

(gemachtigden: mr. J.H.A. van der Grinten en mr. L.W. Feenstra)

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Berg).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Terumo Europe N.V., te Leuven (België), (gemachtigden: mr. P.L. Tjiam en mr. E.W.A. Driest). De vereniging AVROTROS en Henkel Belgium N.V. en Henkel Nederland B.V. hebben eveneens over en weer in elkaars zaak als derde-partij deelgenomen.

Procesverloop

Bij deelbesluiten van 21 augustus 2015 en 25 september 2015 (samen: het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van de vereniging AVROTROS (AVROTROS) om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 14 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van Henkel Belgium N.V. en Henkel Nederland B.V. (Henkel) en Terumo Europe N.V. (Terumo) deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de bezwaren van AVROTROS deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

AVROTROS, Henkel en Terumo hebben tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld. Deze beroepen zijn achtereenvolgens geregistreerd onder de zaaknummers UTR 16/5833, UTR 16/5349 en UTR 16/5341. Henkel en Terumo hebben daarnaast afzonderlijk verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze zaken zijn achtereenvolgens geregistreerd onder de zaaknummers UTR 16/5315 en UTR 16/5340.

Het onderzoek ter zitting in de voorzieningenprocedure heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om een nadere zienswijzeronde te laten plaatsvinden.

Naar aanleiding van de nadere zienswijzeronde heeft verweerder bij brief van 17 maart 2017 een overzicht aan de rechtbank toegezonden waarin is vermeld welke documenten volgens de laatste stand van zaken reeds openbaar zijn gemaakt en welke documenten gedeeltelijk dan wel integraal zijn geweigerd. Bij brief van 23 maart 2017 heeft verweerder een afschrift van de meest recente versie van de gelakte stukken onder toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank toegezonden. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grond van die stukken uitspraak te doen op de beroepen.

Bij uitspraak van 11 april 2017 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit en het bestreden besluit geschorst, voor zover het de nog niet openbaar gemaakte stukken betreft, tot twee weken na verzending van de uitspraak op de beroepen.

Bij brief van 18 mei 2017 heeft Terumo haar beroep ingetrokken. Terumo neemt sindsdien als derde-partij deel aan deze procedure.

Het onderzoek ter zitting in de beroepsprocedure heeft plaatsgevonden op 9 juni 2016. AVROTROS heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Namens Henkel zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens Terumo is verschenen [C] , bijgestaan door haar gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een reactie in te dienen naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank van 8 juni 2017 over verweerders verzoek om geheimhouding van stukken op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van door Terumo en Henkel ingediende zienswijzen. Partijen hebben hierop een reactie ingediend.

Bij brief van 5 juli 2017 heeft de rechtbank partijen om toestemming gevraagd om zonder verdere zitting uitspraak te doen. Partijen hebben deze toestemming verleend. Bij brief van 29 augustus 2017 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Bij brief van 3 november 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2883). Partijen hebben hierop een reactie ingediend.

Bij brief van 24 november 2017 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij al dan niet opnieuw op een zitting willen worden gehoord. Bij brief van 21 december 2017 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat de uitspraak voor een deel door andere rechters zal worden gedaan dan de rechters die de zaken op 9 juni 2017 op zitting hebben behandeld. In verband hiermee heeft de rechtbank partijen opnieuw in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij opnieuw op een zitting willen worden gehoord. Binnen deze termijn heeft geen van de partijen meegedeeld opnieuw op een zitting te willen worden gehoord. Daarom heeft de rechtbank bij brief van 23 januari 2018 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. AVROTROS heeft op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van informatie over kort gezegd de kwaliteitsbewaking van producten van Terumo (die in het productieproces gebruik maakt van producten van Henkel) en correspondentie daaromtrent. Het Wob-verzoek omvat volgens verweerder in totaal 709 documenten.

2. Verweerder heeft het verzoek gedeeltelijk ingewilligd. Volgens verweerder verzetten de weigeringsgronden van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, tweede lid, aanhef en onder e en g, en artikel 11, eerste lid, van de Wob zich tegen volledige openbaarmaking van de gevraagde documenten.

3. De rechtbank constateert dat verweerder in de brief van 17 maart 2017 heeft meegedeeld dat de nadere zienswijzeronde tijdens de voorzieningenprocedure ertoe heeft geleid dat er aanvullende passages in de betreffende documenten zijn weggelakt, op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, in combinatie met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de brief van 17 maart 2017 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, zodat de beroepen moeten worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

4. De rechtbank constateert voorts dat met het besluit van 17 maart 2017 meer passages zijn geweigerd, zodat het rechtsgevolg van het bestreden besluit is gewijzigd. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de beroepen van AVROTROS en Henkel tegen het bestreden besluit reeds hierom gegrond moeten worden verklaard en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, zij het om andere redenen dan door AVROTROS en Henkel is aangevoerd. De rechtbank zal hierna beoordelen of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Het beroep van AVROTROS

5. De rechtbank stelt vast dat, zoals ook in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 april 2017 is vermeld, verweerder de volgende stukken (reeds) openbaar heeft gemaakt:

documenten 8, 36, 48, 54, 55, 63, 81, 92, 93, 94 van inventarislijst B1;

documenten 9.2, 58.1, 85.1, 114.0, 117.1, 132.1, 144.1, 150.1, 160.1, 160.2, 163.1
van inventarislijst B2;

documenten 4.1, 59.1, 59.2, 84.1, 92.1, 110.1, 114.1, 115.1, 116.1, 158.1, 162.1,
190.1 en 191.1 van inventarislijst B3.

De openbaarmaking van deze stukken is niet (meer) in geschil en de verplichting tot openbaarmaking ingevolge de Wob heeft daarom op deze stukken geen betrekking.

6. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat het ‘veiligheidsinformatieblad E3508M0D3’ (document 60.3 van inventarislijst B2) op de website van Henkel gepubliceerd is en derhalve feitelijk ook reeds openbaar is. Het document is echter niet naar zijn aard openbaar, zoals bijvoorbeeld een krantenartikel of bepaalde informatie die op grond van de Handelsregisterwet voor eenieder opvraagbaar is bij de Kamer van Koophandel, en verweerder heeft geweigerd dit document geheel openbaar te maken. Zodoende heeft AVROTROS ten aanzien van dit document wel belang bij een oordeel van de rechtbank over de door verweerder toegepaste weigeringsgronden.

7. Het is de rechtbank voorts gebleken dat de Belgische autoriteiten eveneens documenten openbaar hebben gemaakt. Het betreft deels dezelfde documenten als in deze procedure. De Belgische autoriteiten hebben de stukken vrijwel ongelakt verstrekt. AVROTROS ziet hierin bevestiging voor het standpunt dat verweerder teveel passages heeft weggelakt.

8. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of AVROTROS procesbelang heeft bij de stukken die reeds door de Belgische autoriteiten openbaar zijn gemaakt, nu deze vrijwel ongelakt zijn verstrekt. Het betreft de documenten 86 van inventarislijst B1, 60.3, 129.0, 153.1, 184.0 en 185.0 van inventarislijst B2 en 188.0 van inventarislijst B3. Van document 60.3 van inventarislijst B2 is reeds onder 6 vastgesteld dat AVROTROS ten aanzien hiervan procesbelang heeft. Wat betreft de overige documenten overweegt de rechtbank dat onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor de conclusie dat de openbaarmaking hiervan door de Belgische autoriteiten hetzelfde rechtsgevolg heeft als openbaarmaking door verweerder op grond van de Wob, namelijk openbaarmaking voor een ieder. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat AVROTROS geen procesbelang heeft ten aanzien van die documenten.

9. De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of AVROTROS haar beroep al dan niet heeft beperkt tot de door haar geselecteerde 70 documenten. AVROTROS heeft in haar beroepschrift 70 documenten geselecteerd, uit de in totaal 709 documenten die het Wob-verzoek omvat, waarvan volgens AVROTROS aannemelijk is dat hierin teveel informatie is weggelakt. Indien de rechtbank tot dit oordeel komt, toont dit volgens AVROTROS aan dat er een vermoeden bestaat dat ook teveel informatie in de overige 639 documenten is weggelakt. In dat geval verzoekt AVROTROS de rechtbank om verweerder op te dragen ook de overige 639 documenten opnieuw te beoordelen. AVROTROS heeft in de brief van 7 juni 2017 nadrukkelijk gesteld dat het beroep niet is beperkt tot de geselecteerde 70 documenten, maar dat deze selectie bij wijze van steekproef is en dat, als blijkt dat daarin teveel is weggelakt, alsnog naar alle documenten moet worden gekeken. Henkel en Terumo hebben zich op het standpunt gesteld dat AVROTROS haar beroep heeft beperkt tot deze 70 documenten, nu zij ten aanzien van de overige documenten geen gronden heeft aangevoerd. De rechtbank is echter van oordeel dat AVROTROS wel gronden heeft aangevoerd tegen het geheel van documenten. Nu AVROTROS voorts heeft gesteld dat de selectie van 70 documenten bij wijze van steekproef is en dat, als blijkt dat daarin teveel is weggelakt, alsnog naar alle documenten moet worden gekeken, is de rechtbank van oordeel dat AVROTROS haar beroep niet heeft beperkt tot de geselecteerde 70 documenten. De rechtbank begrijpt het verder zo dat zij zich bij de beoordeling in eerste instantie kan beperken tot de geselecteerde 70 documenten en dat, indien blijkt dat aan de (gedeeltelijke) weigering daarvan geen gebreken kleven, de rechtbank het daar bij kan laten en dat indien aan de (gedeeltelijke) weigering daarvan wel gebreken kleven, ook de andere documenten moeten worden beoordeeld.

10. AVROTROS voert aan dat zij als journalistiek medium een groot belang heeft bij openbaarmaking van de gevraagde documenten. AVROTROS beroept zich daarbij op artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens AVROTROS omvat deze bepaling de vrijheid om informatie te ontvangen en daarmee het recht om van bepaalde informatie kennis te nemen. AVROTROS wijst in dit kader voorts op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 november 2016 inzake Maygar Helsinki Bizottság/Hongarije, nr. 18030/11 (www.echr.coe.int). Op grond van dit arrest moeten volgens AVROTROS de omstandigheden dat het Wob-verzoek door een journalistiek medium is ingediend en de gevraagde informatie betrekking heeft op een kwestie die van maatschappelijk belang is, bij de beoordeling van het Wob-verzoek worden meegewogen. Een dergelijke belangenafweging en een motivering hieromtrent ontbreken in het bestreden besluit, vindt AVROTROS.

11. AVROTROS heeft in reactie op de uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2883) verwezen naar de pleitaantekeningen die zij ter zitting heeft overgelegd en voorgedragen en waarin zij het standpunt heeft ingenomen zoals hiervoor onder 10 is vermeld. Verweerder, Henkel en Terumo hebben zich in reactie op de uitspraak op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden als bedoeld in die uitspraak die maken dat AVROTROS, ondanks toepassing van de Wob, rechten kan ontlenen aan artikel 10 van het EVRM.

12. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017 volgt dat er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd, aldus de ABRvS.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft AVROTROS in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dergelijke zeer bijzondere omstandigheden die zouden meebrengen dat van een ongerechtvaardigde belemmering als bedoeld in voornoemde uitspraak sprake is. De enkele stelling van AVROTROS dat zij een journalistiek medium is en dat de gevraagde informatie betrekking heeft op een kwestie die van maatschappelijk belang is, is hiertoe onvoldoende. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het ook in de uitspraak van de ABRvS van 25 oktober 2017 ging om een journalistiek medium en een kwestie van maatschappelijk belang (de vliegramp met de MH17). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat AVRTOROS in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze is belemmerd in haar aan artikel 10, eerste lid, van het EVRM ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. De stelling van AVROTROS dat verweerder de omstandigheden dat het Wob-verzoek door een journalistiek medium is ingediend en dat de gevraagde informatie betrekking heeft op een kwestie die van maatschappelijk belang is, als afzonderlijke belangen bij zijn beoordeling had moeten meewegen, slaagt daarom niet.

14. AVROTROS voert verder aan dat verweerder een te ruime uitleg en toepassing heeft gegeven aan de weigeringsgronden. In zijn algemeenheid geldt dat het uitgangspunt van openbaarheid zwaar weegt. Het enkele feit dat gegevens in vertrouwen zijn verstrekt, maakt volgens AVROTROS niet dat dit uitgangspunt opzij moet worden gezet. AVROTROS wijst ook in dit verband op het journalistieke en maatschappelijk belang bij openbaarmaking.

15. Wat betreft de bedrijfs- en fabricagegegevens, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, voert AVRTROS aan dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. Dat gegevens vertrouwelijk zijn verstrekt betekent nog niet dat sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens. De door Terumo in haar beroepschrift genoemde voorbeelden bevatten volgens AVRTROS geen bedrijfsgegevens. De gegevens waar het AVROTROS om gaat zijn veelal geen bedrijfs- en fabricagegegevens, maar gegevens over geconstateerde tekortkomingen en informatie over klachten met betrekking tot de producten van Terumo. Naar die klachten en tekortkomingen doet AVROTROS onderzoek. Klachten en geconstateerde tekortkomingen zijn naar hun aard geen bedrijfsgegevens. Ze bevatten geen wetenswaardigheden over de technische bedrijfsvoering of het productieproces. Dat openbaarmaking van deze informatie evenwel nadelig kan zijn voor Terumo of Henkel, betekent niet dat ze onder de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob kunnen worden geschaard. Daarnaast kan verweerder bij het hanteren van deze weigeringsgrond niet volstaan met het noemen van de definitie van bedrijfs- en fabricagegegevens, maar had verweerder nader moeten toelichten wat voor documenten het betreft en waarom hele pagina’s van documenten die zien op tekortkomingen en klachten onder de reikwijdte van deze weigeringsgrond vallen, vindt AVROTROS.

16. Over toepassing van de weigeringsgrond onevenredige benadeling, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, voert AVROTROS aan dat een concrete belangenafweging ontbreekt. Dat openbaarmaking voor Terumo en Henkel nadelig is, is onvoldoende voor het inroepen van deze weigeringsgrond. Het moet immers gaan om onevenredige benadeling.

17. Wat betreft de weigeringsgrond persoonlijke beleidsopvattingen, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wob, is AVROTROS van mening dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Verweerder heeft passages over de wijze en voortgang van onderzoek naar de injectienaalden als persoonlijke beleidsopvattingen aangemerkt. Verweerder had echter eerst moeten beoordelen of de documenten voor intern beraad zijn opgesteld. Bovendien beoogt het onderzoek en het daaruit voortvloeiende rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) transparant te zijn. Het rapport is gepubliceerd op de website van het RIVM. Het publiek heeft recht op deze informatie. AVROTROS wijst bij wijze van voorbeeld naar stuk 188.0 van inventarislijst B3, welk stuk volgens AVROTROS een objectief karakter heeft en geen mening of oordeelsvorming bevat. Zulke informatie mag niet worden aangemerkt als een persoonlijke beleidsopvatting. Verder zou verweerder gebruik hebben kunnen maken van zijn bevoegdheid om deze informatie openbaar te maken zonder dat deze te herleiden is tot personen, bijvoorbeeld door het weglakken van namen en e-mailadressen. Het uitgangspunt is immers dat feitelijke informatie openbaar wordt gemaakt zolang deze informatie niet te herleiden is tot individuele personen.

18. De rechtbank heeft aan de hand van deze beroepsgronden beoordeeld of verweerder de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de door AVROTROS geselecteerde 70 documenten mocht weigeren. Hieronder volgen eerst een aantal algemene overwegingen van de rechtbank over de wijze waarop zij deze stukken heeft beoordeeld en wat zij daarbij heeft bevonden. Daarna volgt per document, of groepen documenten, een beoordeling.

19. Daar waar verweerder zowel een absolute als relatieve weigeringsgrond ten grondslag heeft gelegd aan de weigering om informatie openbaar te maken en waar de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder openbaarmaking op een van deze gronden heeft mogen weigeren, heeft de rechtbank de overige door verweerder genoemde weigeringsgronden niet verder beoordeeld. De openbaarmaking mocht immers reeds worden geweigerd. Bij de beoordeling is de rechtbank uitgegaan van de weigeringsgronden die in de documenten zijn vermeld. De weigeringsgronden in de documenten komen niet altijd overeen met de weigeringsgronden die op de inventarislijsten zijn vermeld. Dat de inventarislijsten zodoende op sommige onderdelen onjuistheden bevatten, zoals AVROTROS heeft betoogd, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank verbindt aan de onjuiste inventarislijsten dan ook geen gevolgen. De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat, zoals AVROTROS heeft aangevoerd, informatie soms inconsistent is weggelakt. Dit is wellicht onzorgvuldig, maar de rechtbank heeft de weglakkingen op zichzelf beoordeeld en als zij daarbij tot de conclusie is gekomen dat verweerder deze informatie heeft mogen weigeren openbaar te maken, doen eventuele inconsistenties daar niet aan af. Ook hieraan verbindt de rechtbank zodoende geen gevolgen. Tot slot heeft de rechtbank geconstateerd dat van een aantal documenten de ongelakte of gelakte versie ontbreekt. Zo ontbreekt van de documenten 28.6 tot en met 28.9 van inventarislijst B2 een ongelakte versie. Deze documenten heeft de rechtbank zodoende niet kunnen beoordelen. Verweerder moet deze documenten alsnog overleggen. Van de documenten 29.2, 29.7, 30.3, 30.4, 30.6 en 35.3 van inventarislijst B2 ontbreekt een gelakte versie. De rechtbank heeft deze documenten wel kunnen beoordelen omdat deze door AVROTROS als bijlage bij het beroepschrift zijn overgelegd.

20. De stelling van AVROTROS dat klachten, fouten of (interne) testresultaten naar hun aard geen bedrijfs- of fabricagegeven zijn, volgt de rechtbank niet. Informatie over klachten, fouten of (interne) testresultaten kan wel degelijk bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten. Informatie over interne testresultaten en interne correspondentie daarover binnen het bedrijf, schaart de rechtbank dan ook onder bedrijfsvertrouwelijke informatie, voor zover daarin informatie is vermeld die aan het productie- of bedrijfsproces raakt. Voor zover interne correspondentie niet het productie- of bedrijfsproces raakt, kan deze evenwel onder de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob vallen. Dergelijke correspondentie binnen bestuursorganen zou immers onder artikel 11, eerste lid, van de Wob kunnen vallen, en daarom ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede dat deze correspondentie binnen het bedrijf van Terumo of van Terumo met derden, zoals leveranciers, onder de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, of het tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob kan vallen. De medewerkers van het bedrijf mogen er immers op vertrouwen dat interne correspondentie vertrouwelijk wordt behandeld en niet openbaar wordt gemaakt.

21. De rechtbank constateert dat AVROTROS in haar beroepsgronden over toepassing van de weigeringsgronden herhaaldelijk heeft benadrukt dat zij een journalistiek medium is en dat openbaarmaking van maatschappelijk belang is. Gelet op wat onder 13 is geoordeeld, heeft verweerder deze specifieke belangen niet afzonderlijk bij zijn afweging hoeven betrekken. Wat AVRTROS hierover in dit kader heeft aangevoerd, treft zodoende geen doel.

22. Met betrekking tot de geweigerde passages in de navolgende documenten is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen weigeren deze openbaar te maken op de grond zoals in het document vermeld. Het betreft de passages in de volgende documenten:

  • -

    document 7 van inventarislijst B1;

  • -

    documenten 28.4, 28.5, 29.2, 29.7, 29.8, 29.9, 30.3, 30.4, 30.6, 59.1, 59.2 en 59.3, 60.3, 84.0, 84.1, 90.0, 95.1, 95.2, 95.3, 96.0, 98.3, 100.2, 105.5, 105.6, 118.1, 136.0, 141.0, 145.0, 154.1, 159.0, 164.0, 186.0, 187.0, 188.0, 192.0, 193.0, 196.0, 203.0, 204,0, 205.0, 208.0, 209.0, 210.0, 216.0, 217.0, 218.0, 219.0, 220.0, 221.0, 222.0, 223.0 en 224.0 van inventarislijst B2;

  • -

    documenten 139.0, 193.0, 199.1 en 204.0 van inventarislijst B3.

Over document 29.8 van inventarislijst B2 heeft AVROTROS betoogd dat hierin een datum is weggelakt. De rechtbank constateert echter dat op de ongelakte versie van dit document geen datum is vermeld. Over de documenten 59.1, 59.2 en 59.3 van inventarislijst B2 merkt de rechtbank op dat deze documenten een soort tussenstand van onderzoeken bevatten. Nu het definitieve rapport van deze onderzoeken (document 163.1 van inventarislijst B2) openbaar is gemaakt beschouwt de rechtbank de documenten 59.1, 59.2 en 59.3 als een conceptversie, waarvan verweerder openbaarmaking op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft mogen weigeren. Wat betreft document 100.2 van inventarislijst B2 is opmerkelijk dat de titel van het document in de inventarislijst is vermeld, maar dit laat onverlet dat verweerder openbaarmaking van de weggelakte passages in het document op de genoemde weigeringsgronden heeft mogen weigeren. Verder begrijpt de rechtbank uit de context van document 118.0 van inventarislijst B2 dat document 118.1 van inventarislijst B2 een eerste aanzet is en dat dit document onvolledig is. Gelet hierop heeft verweerder de hierin geweigerde passages op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, mogen weigeren openbaar te maken. Ook de overige in dit document genoemde weigeringsgronden kunnen de weigering dragen.

23. Ten aanzien van de hierna volgende (onderdelen van) documenten is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder gehanteerde weigeringsgrond de weigering niet kan dragen, dan wel dat onvoldoende gemotiveerd is waarom de weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking verzet.

Document 23 van inventarislijst B1: de weglakking van het feit dat het een Kamervraag betreft lijkt een vergissing te zijn gelet op wat in de inventarislijst bij dit document is vermeld, namelijk “e-mailwisseling IGZ-VWS - kamervragen injectienaalden”. Het betreft alleen de attendering dat er een Kamervraag is gesteld. Niet duidelijk is waarom de weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. De overige informatie heeft verweerder mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob en op de grond dat een deel van de informatie buiten het Wob-verzoek valt.

Documenten 60, 83 en 84 van inventarislijst B1: het gaat om conceptverslagen. De informatie die op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob is weggelakt heeft verweerder op die grond mogen weigeren openbaar te maken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 11, eerste lid, op de betreffende passages van toepassing is, omdat het grotendeels om feiten gaat. Dat het hier om verslagen, adviezen en concepten gaat, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft vermeld, is onvoldoende om openbaarmaking te weigeren. Zonder nadere motivering valt ook niet in te zien waarom de stand van zaken van een RIVM-onderzoek onder deze weigeringsgrond valt. Verweerder heeft in het bestreden besluit vermeld dat de feiten in deze documenten openbaar zijn gemaakt, maar in de verslagen onder ‘Feiten en scenario’s’, zijn feiten weggelakt, zonder dat hiervoor een afdoende motivering is gegeven. De documenten bevatten ook actiepunten en besluitenlijsten, waarvan evenmin duidelijk is waarom dit onder de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob valt. De rechtbank merkt verder over de conceptverslagen op dat, als er definitieve versies van deze verslagen openbaar zijn gemaakt, de concepten mogelijk onder de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob kunnen vallen. Verweerder zal dit echter wel nader moeten motiveren. De in dit kader gegeven motivering in het bestreden besluit ziet alleen op Kamervragen en kan de weigering de betreffende informatie openbaar te maken dan ook niet dragen.

Document 25.1 van inventarislijst B2: de informatie die op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob is weggelakt heeft verweerder op die grond mogen weigeren openbaar te maken. Toepassing van de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd, omdat de betreffende informatie feitelijkheden bevat. Zodoende is niet duidelijk waarom deze weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. Ten aanzien van onderdeel 3 kan de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob de weigering deze informatie openbaar te maken wel dragen.

Document 35.3 van inventarislijst B2: de informatie die op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob is weggelakt heeft verweerder op die grond mogen weigeren openbaar te maken. Ten aanzien van de overige passages in dit document valt, gelet op wat op de inventarislijst bij dit document is vermeld (“Arc Royal Veld Veiligheidsmelding”), zonder nadere motivering niet in te zien waarom artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zich tegen openbaarmaking verzet. Verweerder moet dit nader motiveren.

Document 56.0 van inventarislijst B2: ten aanzien van de eerste en derde alinea heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 11, eerste lid, van de Wob zich tegen openbaarmaking verzet, omdat deze passages feitelijkheden bevatten. In de tweede alinea kan de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob de weigering dragen.

Documenten 194.0 en 195.0 (onder punt 2 en punt 3) van inventarislijst B2: de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob kan de weigering van de betreffende passages dragen. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob zich tegen openbaarmaking van de op grond hiervan weggelakte passages verzet. Deze passages bevatten voor een deel fabricage- en bedrijfsgegevens, maar bevatten voor een deel ook een vermelding of omschrijving van een klacht of een reactie daarop. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom deze informatie onder deze weigeringsgrond valt. Volgens rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 30 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3165), dient de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is dan ook slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Gelet hierop zal verweerder de weigering van deze passages nader moeten motiveren. Verweerder moet voorts de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob nader motiveren, omdat niet zonder meer valt in te zien waarom openbaarmaking van de op grond hiervan weggelakte gegevens tot onevenredige benadeling leidt.

Document 197.0 van inventarislijst B2: zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de passage op pagina 1, in de rechter kantlijn, onder de weigeringsgronden van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, of tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob valt. Ook de overige weigering van de passages in dit document op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en het tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob moet verweerder nader toelichten, omdat niet zonder meer valt in te zien waarom het bedrijfs- en fabricagegegevens betreft en waarom openbaarmaking tot onevenredige benadeling leidt.

Documenten 212.0 en 215.0 van inventarislijst B2: deze documenten bevatten verschillende stukken. De stukken getiteld ‘Performance reply’ betreffen een reactie op een klacht. Verweerder moet nader motiveren waarom deze passages onder de weigeringsgronden van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob vallen. Dit geldt ook voor de passages onder ‘Corrective Action Request’. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen als hiervoor weergegeven bij de documenten 194.0 en 195.0 van inventarislijst B2. Voor het overige kan de weigering worden gedragen door de genoemde weigeringsgrond. Daarbij merkt de rechtbank op dat bij de foto in het document gegevens zijn vermeld die verweerder op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob heeft mogen weigeren. Tot slot merkt de rechtbank over dit document op dat het verschillende stukken bevat die gaan over de kwaliteit van producten van Terumo. Strikt genomen vallen deze stukken onder het Wob-verzoek, maar het gaat in veel stukken over andere kwesties dan lijmresten.

24. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit ten aanzien van de onder 23 genoemde documenten niet berust op een deugdelijke motivering. Het besluit is daarom genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Het beroep van Henkel

25. De gemachtigde van Henkel heeft ter zitting toegelicht dat het beroep van Henkel uitsluitend nog ziet op de vraag of de door verweerder bij brief van 23 maart 2017 toegezonden gelakte Wob-stukken in overeenstemming zijn met de door Henkel in de periode van 21 december 2016 tot en met 23 maart 2017 ingediende zienswijzen. Nu de openbaarmaking van de stukken waarover deze zienswijzen gaan in onderhavige procedure in geschil is, is de rechtbank van oordeel dat Henkel procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank echter aan deze beoordeling nu nog niet toe.

Conclusie ten aanzien van de beroepen van AVROTROS en Henkel

26. Zoals hiervoor 19 is overwogen, kan de rechtbank thans niet alle 70 documenten beoordelen en kleeft, zoals hiervoor onder 23 en 24 is overwogen, aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal verweerder opdragen de ontbrekende documenten alsnog te verstrekken. Het gebrek leent zich in beginsel voor herstel. De rechtbank stelt verweerder daarom, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Het herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet verweerder de geweigerde informatie ten aanzien waarvan de gegeven motivering onvoldoende is bevonden ofwel alsnog openbaar maken, ofwel ten aanzien hiervan met inachtneming van wat hiervoor is overwogen een nadere motivering indienen.

27. De rechtbank doet in dit kader voorts een dringend appel op verweerder om, indien hij van de gelegenheid gebruik wil maken het gebrek te herstellen, aan de hand van wat in deze uitspraak is overwogen nader te onderzoeken of ten aanzien van de weigering van de overige documenten sprake is van vergelijkbare gebreken. De rechtbank zal de overige documenten thans nog niet beoordelen. Nu het een eigen voorstel van AVROTROS betreft om in eerste instantie de geselecteerde 70 documenten te beoordelen, is de rechtbank van oordeel dat AVROTROS door deze gang van zaken niet wordt benadeeld.

28. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank AVROTROS, Henkel en Terumo in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op de beroepen.

29. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op de beroepen. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op van de documenten 28.6 tot en met 28.9 van inventarislijst B2 alsnog een ongelakte versie over te leggen;
- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzitter, en mr. R.J. Praamstra en mr. H.H.L. Krans leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.