Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:987

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
432066 / HA RK 17-27
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 432066 / HA RK 17-27

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 24 februari 2017

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. O.P. van der Linden te Utrecht,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 31 januari 2017 gedurende welke het
    wrakingsverzoek is gedaan,

  • -

    de brief van 2 februari 2017 van mr. Van der Linden inhoudende een nadere toelichting op
    het wrakingsverzoek

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 10 februari 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Verschenen zijn mr. Van der Linden en verzoekster. De rechter is voor de mondelinge behandeling opgeroepen, maar is niet verschenen. Belanghebbende [naam belanghebbende] en haar gemachtigde zijn opgeroepen maar niet verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J.J.M. de Laat als behandelend kantonrechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer 5281639 UC EXPL 16-11354. Deze zaak ziet op een burengeschil. Ter gelegenheid van de comparitie na antwoord, heeft verzoekster een verzoek tot wraking van de rechter gedaan.

2.2.

Verzoekster heeft het volgende aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. In het proces verbaal van de comparitie van partijen op 31 januari 2017 is opgenomen dat verzoekster aan haar wrakingsverzoek ten grondslag legt ‘irritatie, daardoor betwijfel ik aan de afloop van de zaak.’ In de schriftelijke nadere toelichting op het mondelinge wrakingsverzoek heeft verzoekster haar wrakingsverzoek als volgt onderbouwd. Ter zitting is irritatie ontstaan tussen de gemachtigde van verzoekster en de rechter. Volgens verzoekster werd de irritatie bij de gemachtigde van verzoekster veroorzaakt doordat de rechter de gemachtigde tot twee keer toe onderbrak toen de gemachtigde een vraag van de rechter beantwoordde die zag op een voor de vaststelling van de feiten belangrijk punt. Daar kwam bij dat de tweede onderbreking plaatsvond vlak voordat de gemachtigde zijn punt zou maken. De onderbreking door de rechter vond plaats op een onplezierige en dwingende manier. De gemachtigde meent vervolgens te hebben gezegd dat hij in zijn loopbaan nog nooit een rechter heeft gewraakt, dat hij dat graag zo wilde houden, maar dat hij het irritant vond te worden onderbroken, waarna hij de rechter heeft gevraagd of hij zijn verhaal af mocht maken. Volgens de gemachtigde werd de rechter erg boos door de verwijzing naar wraking en liet de rechter de situatie escaleren. De rechter heeft eerst gezegd dat wraking heel ernstig was, waarna de rechter zou hebben gezegd: ‘Wraak me maar, doe het dan, doe het dan, wraak me maar.’ Na een korte stilte heeft de rechter gezegd bereid te zijn de zaak verder te behandelen, op voorwaarde dat de gemachtigde van verzoekster zijn excuses zou aanbieden. De gemachtigde heeft daar even over nagedacht, en daarop geantwoord dat hij daartoe bereid was, op voorwaarde dat de rechter zou erkennen dat hij de gemachtigde twee keer heeft onderbroken en dat dat niet zo handig was. Volgens de gemachtigde werd de rechter hierdoor nog bozer en hoorde hij de rechter tegen zichzelf zeggen: ‘Ik kan deze zaak niet meer doen’ of woorden van die strekking. De gemachtigde van verzoekster stelt vervolgens een verzoek tot wraking van de rechter te hebben gedaan en dat hij daartoe heeft aangevoerd er geen vertrouwen meer in te hebben dat de zaak verder nog onpartijdig zou worden behandeld en dat een onpartijdig vonnis gewezen zou worden. Volgens verzoekster heeft de rechter hierop op minachtende toon gezegd dat het toch wel duidelijk was dat in deze zaak geen vonnis zou komen. En niet lang daarna, waarbij de gemachtigde niet zeker is of dit voor of na de schorsing van de zitting is geweest, heeft de rechter volgens de gemachtigde van verzoekster gezegd: ‘U komt op de zwarte lijst, ik wil u nooit meer zien,’ en ‘u gaat hier erge spijt van krijgen, het zal u berouwen’ en ‘ik zal persoonlijk verweer voeren tegen deze wraking’ waarbij de rechter de gemachtigde van verzoekster nijdig zou hebben aangekeken. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster verklaard dat zij haar gemachtigde in een e-mail heeft geschreven dat zij blij is dat haar gemachtigde bij de rechter op de zwarte lijst is gekomen, zodat ze er zeker van is dat ze bij deze rechter niet meer terug hoeft te komen.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij voorop dat het de vraag is of het wrakingsverzoek door verzoekster zelf wel gewenst is, nu zij na de zitting zou hebben gezegd het jammer te vinden dat er als gevolg van de wraking geen uitspraak zou komen in haar zaak. Inhoudelijk stelt de rechter zich op het standpunt dat het juist de gemachtigde van verzoekster was die de rechter tot twee keer toe onderbrak, en dat de gemachtigde dat bovendien geagiteerd deed. Volgens de rechter zal een discussie of irritatie tussen rechter en advocaat over relevante feiten normaliter niet snel tot een situatie leiden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat het in dit geval ook niet in de lijn der verwachting lag, volgt volgens de rechter uit de omstandigheid dat al twee van de drie geschilpunten in de zaak van verzoekster ‘opgelost’ waren. Ten aanzien van de na het door de gemachtigde van verzoekster uitgesproken verzoek tot wraking voorgevallen situatie merkt de rechter op dat hetgeen hij nadien nog heeft gezegd, geen deel uitmaakt van de onderbouwing van het verzoek tot wraking, maar dat dat wel reden kan zijn de zaak niet meer verder te behandelen.

3 De beoordeling

3.1.

Voordat de wrakingskamer overgaat tot een inhoudelijk oordeel op het wrakingsverzoek, wordt het volgende vooropgesteld. Het proces-verbaal van de comparitie is over hetgeen tot het verzoek tot wraking heeft geleid en ook over dat verzoek zelf summier. Het volgende is vermeld:

‘6. (…) Er ontstaat een discussie tussen de rechter en mr. Van der Linden. Waarna mr. Van der Linden de rechter wraakt.

7. Wrakingsgrond: Irritatie daardoor betwijfel ik aan de afloop van deze zaak.’

In de toelichtingen van de gemachtigde van verzoekster en van de rechter op hetgeen ter zitting is voorgevallen, vindt de wrakingskamer sterke aanwijzingen dat sprake was van irritatie tussen hen die is geëscaleerd en die vervolgens heeft geleid tot het verzoek tot wraking. Hetgeen de rechter volgens de gemachtigde van verzoekster kort na het verzoek tot wraking tegen de gemachtigde van verzoekster heeft gezegd heeft de rechter in zijn verweerschrift niet besproken; de rechter gaat niet inhoudelijk daarop in. De wrakingskamer heeft behoefte aan een nadere toelichting van de rechter op hetgeen is voorgevallen tijdens de comparitie. Om die reden ziet de wrakingskamer aanleiding om een nieuwe mondelinge behandeling plaats te laten vinden. Daarnaast wenst de wrakingskamer te vernemen of de opmerking van de rechter die hij maakt over wat hij na het verzoek tot wraking zou hebben gezegd tegen de gemachtigde van verzoekster, moet worden beschouwd als een (voorwaardelijk) verzoek tot verschoning, gericht aan de wrakingskamer. Indien dat het geval is, kan de rechter dit voor de nadere mondelinge behandeling schriftelijk berichten. De wrakingskamer wijst partijen er op dat zij naar aanleiding van die reactie kan beslissen om alsnog af te zien van het houden van een nieuwe mondelinge behandeling.

3.2.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

beveelt een verschijning van verzoekster, haar gemachtigde en de rechter voor het geven van inlichtingen,

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op om met inachtneming van de verhinderdata van verzoekster, diens gemachtigde, de rechter en de samenstelling van deze wrakingskamer, om een datum te bepalen voor een mondelinge behandeling die bij deze rechtbank, locatie Utrecht, zal plaatsvinden,

4.3.

houdt iedere verdere beslissing aan,

4.4.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter, en de (gemachtigde van) mw. [naam belanghebbende] , alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel- en bestuursrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter en mr. S.C. Hagedoorn en mr. H.A. Brouwer als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.

de griffier de voorzitter

de griffier is buiten staat deze beslissing

mede te ondertekenen