Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:933

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
5669399
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing werknemersverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0305
AR 2017/1310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Lelystad

Zaak- en rekestnummer: 5669399 / LE VERZ 17-6

Datum beslissing: 27 februari 2017

Beschikking in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde mr. G.J.P.M. Grijmans,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

gemachtigde mr. M.J.M. Groen.

Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 24 januari 2017;

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 9 februari 2017;

- een tweetal nadere producties aan de zijde van [verzoeker] , ingekomen op 13 februari 2017;

- de mondelinge behandeling van 13 februari 2017, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden. Verschenen zijn:

[verzoeker] , bijgestaan door mr. [A] ;

[verweerster] , vertegenwoordigd door de heer [B] , bijgestaan door mr. Groen.

- de pleitnota van mr. Grijmans met een productie;

- de pleitnota van mr. Groen.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is een onderneming dat zich bezig houdt met luchtfiltratie, ontstoffingsfiltratie en procesfiltratie. Zij brengt ten behoeve van deze processen filters op de markt.

2.2.

[verzoeker] , geboren op [1962] , is op 1 december 2003 bij [verweerster] in dienst getreden in de functie van Verkoopmedewerker Binnendienst. Het laatstelijk genoten salaris bedraagt € 4.016,51 bruto, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen met een looptijd van één jaar na het einde van het dienstverband.

2.4.

Op 16 februari 2016 heeft [verzoeker] een officiële waarschuwing van [verweerster] ontvangen wegens normoverschrijdend gedrag.

2.5.

Op 4 juli 2016 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld bij [verweerster] ten gevolge van, door [verzoeker] ervaren, spanningen op het werk.

2.6.

Vervolgens heeft op 18 juli 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , diens leidinggevenden en de arbodienst. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat [verzoeker] eerst zijn vakantie zou opnemen en aansluitend weer het werk zou hervatten. Per 25 juli 2016 is [verzoeker] hersteld gemeld.

2.7.

Tijdens de vakantie van [verzoeker] is hij op 22 juli 2016 onwel geraakt en door een ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis. [verweerster] is hiervan op de hoogte gesteld.

2.8.

Na zijn vakantie heeft [verzoeker] zijn werkzaamheden niet hervat. [verweerster] bericht [verzoeker] in haar brief van 24 augustus 2016 het volgende:

(…) Na uw vakantie bent u niet op uw werk verschenen. Uw leidinggevende heeft daarop telefonisch contact met u opgenomen en u hebt aangegeven dat u zich niet in staat voelt om te werken. Nadien hebben zowel uw leidinggevende als de bedrijfsarts meerdere malen tevergeefs geprobeerd u te bereiken. U neemt ook niet zelf contact op met uw werkgever. De bedrijfsarts kan dan ook niet vaststellen of de situatie anders is dan voor uw vakantie. Uw ziekmelding wordt daarom niet aanvaard. (…)

Wij willen u hierbij uitnodigen om maandag aanstaande om 10.00 uur bij ons op kantoor te verschijnen voor een bespreking met uw direct leidinggevende en de concerndirectie om de ontstane situatie te bespreken en op te lossen.

Wanneer u wederom geen gehoor aan een oproep van uw werkgever mocht geven, zullen wij genoodzaakt zijn met onmiddellijke ingang een loonsanctie aan u op te leggen.

2.9.

[verzoeker] is op voornoemde bespreking niet verschenen, zonder bericht van afmelding aan zijn leidinggevenden of de concerndirectie. Zijn collega’s liet hij weten een afspraak bij zijn huisarts te hebben op het moment van het door [verweerster] geplande overleg. Met ingang van 29 augustus 2016 heeft [verweerster] een loonsanctie aan [verzoeker] aangekondigd alsmede het innemen van de leaseauto van [verzoeker] .

2.10.

Op 14 september 2016 bericht de bedrijfsarts van [verweerster] , naar aanleiding van een spreekuurconsult, dat de klachten en beperkingen van [verzoeker] een geheel situatief karakter dragen. Er is volgens de bedrijfsarts sprake van een arbeidsconflict.

2.11.

[verweerster] heeft met ingang van 22 september 2016 het salaris van [verzoeker] niet meer betaald, om de reden dat [verzoeker] vanaf die datum niet heeft gewerkt en heeft geweigerd om met [verweerster] in gesprek te gaan over (de condities ter zake van) werkhervatting.

2.12.

Op 11 oktober 2016 heeft [verzoeker] een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV, welke op 11 november 2016 is verleend. Het oordeel luidt:

(…) Ons deskundigenoordeel

U vindt dat u uw eigen werk op 8 augustus 2016 niet kon doen. Uw werkgever vindt echter dat u uw eigen werk wel kon doen. Ons oordeel is dat u uw eigen werk op 8 augustus 2016 inderdaad niet kon doen. (…)”.

In de verzekeringsgeneeskundige rapportage concludeert de verzekeringsarts dat [verzoeker] per geschildatum 8 augustus 2016 niet geschikt te achten is voor het eigen werk.

2.13.

Aan de oproep van de bedrijfsarts van 15 november 2016 heeft [verzoeker] geen gehoor gegeven, evenals enkele navolgende oproepen van [verweerster] om in gesprek te treden.

3 Het verzoek van [verzoeker]

3.1.

[verzoeker] verzoekt om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
I. de tussen [verzoeker] en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomstte ontbinden, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn;

II. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan hem van een transitievergoeding van € 33.261,= bruto;

III. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan hem van een billijke vergoeding van € 24.945,75 bruto;

IV. primair: het tussen [verzoeker] en [verweerster] geldende concurrentiebeding/relatiebeding te vernietigen dan wel buiten toepassing te verklaren;

Subsidiair: [verzoeker] ter zake het concurrentiebeding/relatiebeding een vergoeding toe te kennen van € 17.353,33;

V. [verweerster] te veroordelen in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten;

VI. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de verzoeken onder II, III, IV en V vanaf de dag van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Aan zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst legt [verzoeker] , samengevat, ten grondslag dat er sprake is van een dusdanig nijpende situatie dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een gewichtige reden voor de hand ligt. [verzoeker] stelt dat zijn gezondheid heeft te lijden onder de ontstane situatie en dat de houding van [verweerster] dusdanig is dat van een vruchtbare toekomstige samenwerking geen sprake zal kunnen zijn. [verzoeker] stelt dat de gewichtige redenen bestaan uit het feit dat [verweerster] niet tijdig zijn loon voldoet, dat het voortduren van de arbeidsovereenkomst ernstige gevaren voor zijn gezondheid meebrengt, dat hij door ziekte/een andere oorzaak buiten staat is geraakt de bedongen arbeid te verrichten en dat [verweerster] de plichten uit de arbeidsovereenkomst grovelijk veronachtzaamt. Dit is veroorzaakt door het navolgende.

3.3.

[verzoeker] stelt, verkort weergegeven, dat [verweerster] ten onrechte een loonsanctie heeft ingesteld, omdat [verzoeker] wel degelijk per 8 augustus 2016 arbeidsongeschikt is. Volgens [verzoeker] volgt dit ook uit het deskundigenoordeel van het UWV. [verzoeker] is thans onder behandeling van een psycholoog, die de klachten van [verzoeker] als dermate ernstig beoordeelt en hem heeft doorverwezen naar een psychiater. Desalniettemin blijft [verweerster] [verzoeker] rechtstreeks berichten en meermaals op korte termijn oproepen voor besprekingen en voor de bedrijfsarts. In plaats van [verzoeker] rust te gunnen, heeft [verweerster] de druk bij [verzoeker] opgevoerd door loonsancties te treffen en de leaseauto in te nemen en hem herhaaldelijk uit te nodigen voor gesprekken. Tijdens gesprekken met [verweerster] bleef [verweerster] vervolgens herhalen dat [verzoeker] niet arbeidsongeschikt is en dat de problemen enkel bij [verzoeker] liggen. Volgens [verzoeker] neemt [verweerster] zijn klachten niet serieus. [verweerster] heeft geen mediator ingeschakeld of anderszins gepoogd het conflict op te lossen. Als [verzoeker] afwezig was tijdens een gesprek waar hij voor was uitgenodigd, had hij daar een goede reden voor. Zo heeft [verweerster] hem een aantal keren zeer kort voor het gesprek opgeroepen, terwijl [verzoeker] geen auto meer had en geen geld had om naar [vestigingsplaats] af te reizen. [verzoeker] verzoekt op grond van het voorgaande de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden, onder toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Voorts verzoekt [verzoeker] het concurrentiebeding te vernietigen althans buiten werking te stellen, omdat naleving daarvan gelet op de omstandigheden niet verlangd kan worden c.q. het niet redelijk en billijk is dat [verweerster] [verzoeker] – gelet op zijn belangen – aan het concurrentiebeding kan houden.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] verzet zich niet tegen het verzoek van [verzoeker] strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar zij bestrijdt wel de door [verzoeker] daaraan ten grondslag gelegde redenen. Voorts betwist zij de door [verzoeker] verzochte vergoedingen alsmede de verzochte vernietiging c.q. buiten werkingstelling van het concurrentiebeding.

4.2.

[verweerster] heeft als verweer, samengevat, het navolgende naar voren gebracht. Sinds 2013 laten houding en gedrag van [verzoeker] in toenemende mate te wensen over. [verzoeker] maakt zich, volgens [verweerster] , schuldig aan grof taalgebruik, het uitschelden van leidinggevenden en het opruien van het personeel. Na daarop meermaals te zijn aangesproken, heeft [verzoeker] zich in de loop van 2016 ziek gemeld. Volgens [verweerster] is er door de bedrijfsarts geconstateerd dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar dat er sprake is van een – in ieder geval aan de zijde van [verzoeker] als zodanig – ervaren arbeidsconflict. De instructie van de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te gaan is door [verzoeker] een aantal maanden stelselmatig genegeerd, ondanks een zestal daarop gerichte oproepen van [verweerster] . Juist nu [verzoeker] een arbeidsconflict ervaart, mag van hem verwacht worden dat hij tot herstel van de verhoudingen tracht te komen teneinde werkhervatting mogelijk te maken. [verzoeker] stelt dat hij arbeidsongeschikt is, maar dit blijkt volgens [verweerster] nergens uit. Hij heeft geen medische verklaringen of een verklaring van een deskundige ex artikel 7:629a van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) overgelegd waaruit zou blijken dat [verzoeker] vanaf 14 september 2016 niet in staat is te werken of met [verweerster] in gesprek te treden. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het oordeel van de bedrijfsarts, luidende dat op 14 september 2016 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid aan de zijde van [verzoeker] als gevolg van ziekte of gebrek. Het deskundigenoordeel van het UWV heeft betrekking op de datum 8 augustus 2016 en niet op de periode vanaf 14 september 2016.

4.3.

[verweerster] bestrijdt de gevorderde ontbinding niet, maar verzet zich wel tegen de verzochte inachtneming van de opzegtermijn. [verzoeker] heeft geen aanspraak op salaris en heeft om die reden geen belang bij een uitgestelde ontbinding, volgens [verweerster] . Nu er geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster] , komt [verzoeker] geen aanspraak toe op een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Ten aanzien van het concurrentiebeding voert [verweerster] aan dat [verzoeker] zijn belang bij toekenning van zijn verzoek niet heeft onderbouwd, terwijl de filtermarkt klein en sterk concurrerend is. [verzoeker] beschikt over specifieke kennis die [verweerster] ernstig zou kunnen schaden indien [verzoeker] bij een concurrent in dienst treedt. [verweerster] heeft derhalve verzocht om de (neven)verzoeken van [verzoeker] af te wijzen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen kan en moet worden ontbonden. Indien ontbonden wordt, is het de vraag of [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Verder staat de gegrondheid van het nevenverzoek aangaande het concurrentiebeding ter discussie.

Het verzoek

5.2.

Hoewel partijen het niet eens zijn over de oorzaak van de thans bestaande gespannen arbeidsverhouding, is het de kantonrechter uit de processtukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de arbeidsrelatie geen vruchtbare toekomst meer heeft. Dit geldt temeer nu [verweerster] zich niet tegen de door [verzoeker] verzochte ontbinding verzet. Er is derhalve sprake van een zodanige omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, zodat het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671c lid 1 en 2 onder a BW zal worden ontbonden. Dat in afwijking van voornoemde bepaling rekening zou moeten worden gehouden met de wettelijke opzegtermijn, heeft [verzoeker] onvoldoende gemotiveerd, zodat daaraan voorbij gegaan zal worden en de arbeidsovereenkomst derhalve met ingang van 15 maart 2017 zal worden ontbonden.

5.3.

[verzoeker] verzoekt voorts om een transitievergoeding van € 33.261,= bruto. Ingevolge artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW kan een transitievergoeding bij een werknemersverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst enkel worden toegekend indien er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

5.4.

[verzoeker] heeft ter zitting aangevoerd dat de ernstige verwijtbaarheid van [verweerster] gelegen is in de door hem aangevoerde gewichtige redenen tevens zijnde dringende redenen, te weten 1. het feit dat [verweerster] niet tijdig zijn loon voldoet, 2. dat het voortduren van de arbeidsovereenkomst ernstige gevaren voor zijn gezondheid meebrengt, 3. dat hij door ziekte/een andere oorzaak buiten staat is geraakt de bedongen arbeid te verrichten en 4. dat [verweerster] de plichten uit de arbeidsovereenkomst grovelijk veronachtzaamt. In het navolgende zal de kantonrechter beoordelen of deze redenen aanwezig zijn en bovendien als ernstig verwijtbaar aan de zijde van [verweerster] kwalificeren.

Niet tijdig voldoen loon

5.5.

[verzoeker] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat het niet tijdig voldoen van zijn loon door [verweerster] ernstig verwijtbaar is. [verzoeker] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat hij niet situatief arbeidsongeschikt is, maar op medische gronden. Hij heeft echter geen adequate maatregelen getroffen – bijvoorbeeld door het aanvragen van een relevant deskundigenoordeel – om duidelijkheid te verschaffen over zijn arbeidsongeschiktheid. Hierdoor is het belangrijkste twistpunt tussen partijen blijven voortbestaan en kan onder deze omstandigheden niet van ernstige verwijtbaarheid met betrekking tot het niet tijdig voldoen van loon gesproken worden.

Ernstige gevaren voor gezondheid

5.6.

Volgens [verzoeker] brengt het voortduren van de arbeidsovereenkomst ernstige gevaren voor zijn gezondheid met zich mee, die niet duidelijk waren ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij zal gaan. Niet gesteld of gebleken is immers dat het werk van [verzoeker] ernstige gevaren voor zijn gezondheid oplevert.

Door ziekte/een andere oorzaak buiten staat om de bedongen arbeid te verrichten

5.7.

Daarnaast zou [verzoeker] door ziekte/een andere oorzaak zonder zijn toedoen buiten staat zijn geraakt de bedongen arbeid te verrichten. Zoals reeds onder 5.5. overwogen, is van ziekte niet gebleken en evenmin heeft [verzoeker] een andere oorzaak aangevoerd op grond waarvan hij de bedongen arbeid niet kan verrichten.

Grove veronachtzaming van plichten uit arbeidsovereenkomst

5.8.

De kantonrechter is gelet op het vooroverwogene van oordeel dat er geen sprake is van een grovelijke veronachtzaming van de plichten uit de arbeidsovereenkomst door [verweerster] .

Conclusie

5.9.

De door [verzoeker] aangevoerde gronden kunnen op grond van het voorgaande niet als ernstige verwijtbaar aan de zijde van [verweerster] worden gekwalificeerd, zodat het verzoek om toekenning van een transitievergoeding zal worden afgewezen.

5.10.

[verzoeker] verzoekt voorts om een billijke vergoeding van € 24.945,75 bruto. Ingevolge artikel 7:671c lid 2 sub b BW kan de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Zoals reeds hiervoor overwogen is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster] geen sprake, zodat het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding zal worden afgewezen.

Het nevenverzoek

5.11.

[verzoeker] heeft verzocht om primair het tussen hem en [verweerster] geldende concurrentiebeding/relatiebeding te vernietigen dan wel buiten toepassing te verklaren en subsidiair een vergoeding toe te kennen van € 17.353,33.

5.12.

Op grond van artikel 7:653 lid 3 sub b BW kan de rechter het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen indien, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat hij onbillijk wordt benadeeld door het concurrentbeding/relatiebeding. Hij heeft ter zitting verklaard nog geen concreet uitzicht te hebben op een andere baan, zodat hij thans ook niet wordt belemmerd door het concurrentiebeding. [verweerster] heeft op haar beurt haar belangen bij instandhouding van het concurrentiebeding wel gemotiveerd en heeft bovendien ter zitting aangegeven dat zij bereid is om met [verzoeker] te overleggen over een oplossing, indien en zodra [verzoeker] concreet zicht heeft op een nieuwe baan bij een concurrent of relatie van [verweerster] . Om die reden zal het concurrentiebeding/relatiebeding niet worden vernietigd of (voor zover al rechtens mogelijk) buiten toepassing worden verklaard. Evenmin komt [verzoeker] om voornoemde redenen aanspraak toe op de door hem verzochte vergoeding.

Intrekkingsmogelijkheid

5.13.

Nu de kantonrechter voornemens is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoeker] uit te spreken zonder toekenning van een vergoeding, zal [verzoeker] , conform artikel 7:686a lid 6 en 7 BW, in de gelegenheid worden gesteld om zijn verzoek in te trekken.

5.14.

De proceskosten zullen gezien de uitkomst van de procedure worden gecompenseerd, in die zin dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

stelt partijen in kennis van het voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 15 maart 2017;

6.2.

stelt [verzoeker] in de gelegenheid om zijn verzoek in te trekken uiterlijk op 13 maart 2017 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de afdeling Civiel recht, o.v.v. kantonzaken, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij, en;

voor het geval [verzoeker] zijn verzoek niet intrekt:

6.3.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 maart 2017;

6.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

6.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst het meer of anders verzochte af;

voor het geval [verzoeker] zijn verzoek intrekt:

6.7.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van dit geding, begroot op € 600,= salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2017.