Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:932

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
5621191
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering werknemer afgewezen, art. 7:629 en 7:628 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0283
AR 2017/1298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civiel recht

kantonrechter

zitting houdend te Lelystad

Zaak- en rolnummer: 5621191 LV EXPL 17-1

Datum vonnis: 27 februari 2017

Vonnis in het kort geding van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde mr. G.J.P.M. Grijmans,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde mr. M.J.M. Groen.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 januari 2017;

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 9 februari 2017, mede ingediend ten behoeve van het gelijktijdig behandelde verzoek van [eiser] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

- een tweetal nadere producties aan de zijde van [eiser] , ingekomen op 13 februari 2017;

- de mondelinge behandeling van 13 februari 2017, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden. Verschenen zijn:

[eiser] , bijgestaan door mr. [A] ;

[gedaagde] , vertegenwoordigd door de heer [B] , bijgestaan door mr. Groen.

- de pleitnota van mr. Grijmans met een productie;

- de pleitnota van mr. Groen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een onderneming dat zich bezig houdt met luchtfiltratie, ontstoffingsfiltratie en procesfiltratie. Zij brengt ten behoeve van deze processen filters op de markt.

2.2.

[eiser] , geboren op [1962] , is op 1 december 2003 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van Verkoopmedewerker Binnendienst. Het laatstelijk genoten salaris bedraagt € 4.016,51 bruto, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.3.

Op 16 februari 2016 heeft [eiser] een officiële waarschuwing van [gedaagde] ontvangen wegens normoverschrijdend gedrag.

2.4.

Op 4 juli 2016 heeft [eiser] zich ziek gemeld bij [gedaagde] ten gevolge van, door [eiser] ervaren, spanningen op het werk.

2.5.

Vervolgens heeft op 18 juli 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , diens leidinggevenden en de arbodienst. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat [eiser] eerst zijn vakantie zou opnemen en aansluitend weer het werk zou hervatten. Per 25 juli 2016 is [eiser] hersteld gemeld.

2.6.

Tijdens de vakantie van [eiser] is hij op 22 juli 2016 onwel geraakt en door een ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis. [gedaagde] is hiervan op de hoogte gesteld.

2.7.

Na zijn vakantie heeft [eiser] zijn werkzaamheden niet hervat. [gedaagde] bericht [eiser] in haar brief van 24 augustus 2016 het volgende:

(…) Na uw vakantie bent u niet op uw werk verschenen. Uw leidinggevende heeft daarop telefonisch contact met u opgenomen en u hebt aangegeven dat u zich niet in staat voelt om te werken. Nadien hebben zowel uw leidinggevende als de bedrijfsarts meerdere malen tevergeefs geprobeerd u te bereiken. U neemt ook niet zelf contact op met uw werkgever. De bedrijfsarts kan dan ook niet vaststellen of de situatie anders is dan voor uw vakantie. Uw ziekmelding wordt daarom niet aanvaard. (…)

Wij willen u hierbij uitnodigen om maandag aanstaande om 10.00 uur bij ons op kantoor te verschijnen voor een bespreking met uw direct leidinggevende en de concerndirectie om de ontstane situatie te bespreken en op te lossen.

Wanneer u wederom geen gehoor aan een oproep van uw werkgever mocht geven, zullen wij genoodzaakt zijn met onmiddellijke ingang een loonsanctie aan u op te leggen.

2.8.

[eiser] is op voornoemde bespreking niet verschenen, zonder bericht van afmelding aan zijn leidinggevenden of de concerndirectie. Zijn collega’s liet hij weten een afspraak bij zijn huisarts te hebben op het moment van het door [gedaagde] geplande overleg. Met ingang van 29 augustus 2016 heeft [gedaagde] een loonsanctie aan [eiser] aangekondigd alsmede het innemen van de leaseauto van [eiser] .

2.9.

Op 14 september 2016 bericht de bedrijfsarts van [gedaagde] , naar aanleiding van een spreekuurconsult, dat de klachten en beperkingen van [eiser] een geheel situatief karakter dragen. Er is volgens de bedrijfsarts sprake van een arbeidsconflict.

2.10.

[gedaagde] heeft met ingang van 22 september 2016 het salaris van [eiser] niet meer betaald, om de reden dat [eiser] vanaf die datum niet heeft gewerkt en heeft geweigerd om met [gedaagde] in gesprek te gaan over (de condities ter zake van) werkhervatting.

2.11.

Op 11 oktober 2016 heeft [eiser] een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV, welke op 11 november 2016 is verleend. Het oordeel luidt:

(…) Ons deskundigenoordeel

U vindt dat u uw eigen werk op 8 augustus 2016 niet kon doen. Uw werkgever vindt echter dat u uw eigen werk wel kon doen. Ons oordeel is dat u uw eigen werk op 8 augustus 2016 inderdaad niet kon doen. (…)”.

In de verzekeringsgeneeskundige rapportage concludeert de verzekeringsarts dat [eiser] per geschildatum 8 augustus 2016 niet geschikt te achten is voor het eigen werk.

2.12.

Aan de oproep van de bedrijfsarts van 15 november 2016 heeft [eiser] geen gehoor gegeven, evenals enkele navolgende oproepen van [gedaagde] om in gesprek te treden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] heeft gevorderd de veroordeling van [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad:

I. om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.140,19 + PM zijnde het (achterstallige) bruto salaris over de maanden september, oktober, november, december 2016, alsmede januari 2017, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

II. om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging over de onder I. genoemde bedragen als bedoeld in – naar de kantonrechter begrijpt – artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”).

III. om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente vanaf het moment van respectievelijke opeisbaarheid van de onder I. en II. genoemde vorderingen, dit tot aan de dag der algehele voldoening.

IV. om aan [eiser] te betalen het [eiser] toekomende bruto maandloon, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten vanaf 1 februari 2017, totdat dit dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid van elke salaristermijn tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de wettelijke verhoging ex – naar de kantonrechter begrijpt – artikel 7:625 BW.

V. in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de daarmee verband houdende nakosten.

3.2.

[eiser] stelt, verkort weergegeven, dat [gedaagde] ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd, omdat [eiser] wel degelijk per 8 augustus 2016 arbeidsongeschikt is. Volgens [eiser] volgt dit ook uit het deskundigenoordeel van het UWV. [eiser] is thans onder behandeling van een psycholoog, die hem heeft doorverwezen naar een psychiater. Om die redenen meent [eiser] een loonaanspraak op grond van artikel 7:629 BW te hebben. Desalniettemin blijft [gedaagde] [eiser] rechtstreeks berichten en meermaals op korte termijn oproepen voor besprekingen en voor de bedrijfsarts. Daarnaast baseert [eiser] zijn loonvordering op het bepaalde in artikel 7:628 BW. [eiser] meent dat hij recht heeft op loon, omdat hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht vanwege een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van [gedaagde] dient te komen. [eiser] stelt in dit kader dat hij zich beschikbaar heeft gehouden voor het voeren van gesprekken met [gedaagde] en de bedrijfsarts. In plaats van [eiser] rust te gunnen, heeft [gedaagde] de druk bij [eiser] opgevoerd door loonsancties te treffen en de leaseauto in te nemen en hem herhaaldelijk uit te nodigen voor gesprekken. Tijdens gesprekken met [gedaagde] bleef [gedaagde] vervolgens herhalen dat [eiser] niet arbeidsongeschikt is en dat de problemen enkel bij [eiser] liggen. Volgens [eiser] neemt [gedaagde] zijn klachten niet serieus. [gedaagde] heeft geen mediator ingeschakeld of anderszins gepoogd het conflict op te lossen. Als [eiser] afwezig was tijdens een gesprek waar hij voor was uitgenodigd, had hij daar een goede reden voor. Zo heeft [gedaagde] hem een aantal keren zeer kort voor het gesprek opgeroepen, terwijl [eiser] geen auto meer had en geen geld had om naar [vestigingsplaats] af te reizen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van [eiser] en heeft – samengevat – het navolgende naar voren gebracht. Sinds 2013 laten houding en gedrag van [eiser] in toenemende mate te wensen over. [eiser] maakt zich, volgens [gedaagde] , schuldig aan grof taalgebruik, het uitschelden van leidinggevenden en het opruien van het personeel. Na daarop meermaals te zijn aangesproken, heeft [eiser] zich in de loop van 2016 ziek gemeld. Volgens [gedaagde] is er door de bedrijfsarts geconstateerd dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar dat er sprake is van een – in ieder geval aan de zijde van [eiser] als zodanig – ervaren arbeidsconflict. De instructie van de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te gaan is door [eiser] een aantal maanden stelselmatig genegeerd, ondanks een zestal daarop gerichte oproepen van [gedaagde] . Juist nu [eiser] een arbeidsconflict ervaart, mag van hem verwacht worden dat hij tot herstel van de verhoudingen tracht te komen teneinde werkhervatting mogelijk te maken. [eiser] stelt dat hij arbeidsongeschikt is, maar dit blijkt volgens [gedaagde] nergens uit. Hij heeft geen medische verklaringen of een verklaring van een deskundige ex artikel 7:629a BW overgelegd waaruit zou blijken dat [eiser] vanaf 14 september 2016 niet in staat is te werken of met [gedaagde] in gesprek te treden. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het oordeel van de bedrijfsarts, luidende dat op 14 september 2016 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid aan de zijde van [eiser] als gevolg van ziekte of gebrek. Het deskundigenoordeel van het UWV heeft betrekking op de datum 8 augustus 2016 en niet op de periode vanaf 14 september 2016. [gedaagde] verzoekt derhalve de vorderingen van [eiser] af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3.4.

Op de nadere stellingen van partijen zal – voor zover relevant – in het navolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Omdat [eiser] heeft gesteld dat hij door de stopzetting van de salarisbetalingen in financiële problemen raakt, is in voldoende mate gebleken van een spoedeisend belang van [eiser] bij het door hem gevorderde.

4.2.

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.3.

De kern van het geschil betreft de vraag of [eiser] recht heeft op loon vanaf 22 september 2016, het moment waarop [gedaagde] haar loonbetaling jegens [eiser] heeft stopgezet. [eiser] baseert zijn loonvordering op artikel 7:629 BW en 7:628 BW. Voor wat betreft de loonvordering van [eiser] gebaseerd op artikel 7:629 BW oordeelt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij na een aanvankelijke loonsanctie het loon tot 22 september 2016 alsnog heeft voldaan, vanwege het deskundigenoordeel van 11 november 2016 waarin geoordeeld werd dat [eiser] op 8 augustus 2016 arbeidsongeschikt was. Op 14 september 2016 is echter door de bedrijfsarts geconstateerd dat de klachten en beperkingen van [eiser] geheel situatief zijn en derhalve van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 7:629 BW geen sprake is. Vanaf 22 september 2016 heeft [gedaagde] de loonbetaling derhalve stopgezet. [eiser] heeft verwezen naar het deskundigenoordeel van 11 november 2016 waaruit volgens hem volgt dat hij thans nog steeds arbeidsongeschikt is en hij dientengevolge recht heeft op loon ex artikel 7:629 BW. Anders dan [eiser] aanvoert, leidt de kantonrechter niet uit het deskundigenoordeel af dat het oordeel ook ziet op de periode vanaf 14 september 2016. Het deskundigenoordeel ziet namelijk enkel op de datum 8 augustus 2016 en kan derhalve niet als deskundigenoordeel, gevolgd op het advies van de bedrijfsarts van 14 september 2016, worden beschouwd. Gelet op het tijdsbestek had van [eiser] echter gevergd kunnen worden dat hij een relevant deskundigenoordeel had aangevraagd en overgelegd. De kantonrechter volgt [gedaagde] in haar verweer dat er bovendien geen andersluidende (medische) oordelen zijn overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] vanaf 14 september 2016 arbeidsongeschikt is. Gelet op het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure op deze grond een loonvordering van [eiser] zal worden toegewezen.

4.4.

[eiser] beroept zich tevens op het bepaalde uit artikel 7:628 BW. [eiser] meent dat hij recht heeft op loon, omdat hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht vanwege een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van [gedaagde] dient te komen. [eiser] stelt zich beschikbaar te hebben gehouden voor het voeren van gesprekken met [gedaagde] en de bedrijfsarts. Hij stelt voorts dat [gedaagde] zich had moeten inspannen de gerezen kwestie op te lossen door bijvoorbeeld een mediator in te schakelen. De kantonrechter leidt uit onder andere de overgelegde producties van [gedaagde] en het verhandelde ter zitting af dat [gedaagde] herhaalde en tevergeefse pogingen heeft ondernomen om met [eiser] in gesprek te treden. Gebleken is dat aan het merendeel van deze oproepen [eiser] geen gehoor heeft gegeven en in de meeste gevallen zich evenmin (op de voorgeschreven wijze) heeft afgemeld. Ditzelfde geldt voor enkele oproepen van de bedrijfsarts, waaraan [eiser] geen gevolg heeft gegeven. Om die reden kan redelijkerwijs niet van [gedaagde] verwacht worden dat zij het loon van [eiser] onverkort doorbetaalt. Immers, van beide partijen gaat een inspanningsverplichting uit om een gerezen conflict op te lossen. Het is de kantonrechter niet gebleken dat [eiser] om de inzet van een mediator heeft verzocht of anderszins voorstellen aan [gedaagde] heeft gedaan om de verhoudingen tussen partijen te herstellen. Ook heeft hij geen aantoonbaar bericht doen uitgaan naar [gedaagde] dat hij niet in staat zou zijn om een gesprek te voeren of naar de bedrijfsarts af te reizen. Daarbij komt dat [eiser] zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat hij niet situatief arbeidsongeschikt is, maar op medische gronden en dat hij geen adequate maatregelen heeft getroffen – bijvoorbeeld door het aanvragen van een relevant deskundigenoordeel – teneinde duidelijkheid te verschaffen over zijn arbeidsongeschiktheid. Hierdoor is het belangrijkste twistpunt tussen partijen blijven voortbestaan. Gelet op het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure op deze grond een loonvordering van [eiser] zal worden toegewezen.

4.5.

Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.6.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 600,= voor salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 600,=;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2017.