Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:867

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
5362336 / MV EXPL 16-137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eisers vorderen dat de gemeente onder bepaalde voorwaarden een woonwagencentrum herinricht. De kantonrechter oordeelt dat in het tussenvonnis de kantonrechter de voorwaarden voor het komen tot een eindoplossing helder heeft geschetst. Uit de stellingen van partijen volgt, dat het vooral de eisers zijn geweest die in de periode na het tussenvonnis van deze uitgangspunten afwijkende dan wel daarop aanvullende voorwaarden hebben gesteld. Omdat partijen nu – in het kader van deze kort geding procedure – voldoende tijd is gegund om met elkaar tot een minnelijke regeling te komen, en zij daar ondanks de gegeven voorwaarden en uitgangspunten niet uit zijn gekomen, en de oorzaak daarvan naar het oordeel van de kantonrechter in overwegende mate aan eisers moet worden toegeschreven, is de kantonrechter van oordeel dat de gemeente, onder deze omstandigheden, niet langer gehouden is om de renovatie van woonwagencentrum voort te zetten. Dat leidt ertoe dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis in kort geding van 22 februari 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5362336 / MV EXPL 16-137 van

1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. [eiser 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
5. [eiser 5] ,
wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [eiser 7],

wonende te [woonplaats] ,

8. [eiser 8],

wonende te [woonplaats] ,

9. [eiser 9],

wonende te [woonplaats] ,

10. [eiser 10],

wonende te [woonplaats] ,

11. [eiser 11],

wonende te [woonplaats] ,

12. [eiser 12],

wonende te [woonplaats] ,

13. [eiser 13],

wonende te [woonplaats] ,

14. [eiser 14],

wonende te [woonplaats] ,

15. [eiser 15],

wonende te [woonplaats] ,

16. [eiser 15],

wonende te [woonplaats] ,
eisers, hierna tezamen te noemen: [eiser 1 c.s.] ,
gemachtigde mr. M.J. Hamer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE HILVERSUM,
zetelend te Hilversum,
gedaagde, hierna ook te noemen: de Gemeente,
vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Heuft.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 oktober 2016

  • -

    de akte van de Gemeente van 23 december 2016

  • -

    de antwoordakte tevens houdende akte vermeerdering en vermindering van eis van [eiser 1 c.s.] van 25 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vordering

2.1.

[eiser 1 c.s.] hebben bij hun akte hun eis vermeerderd en verminderd, waarna deze als volgt komt te luiden: dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis

I. de Gemeente gebiedt om, tot er in de bodemprocedure een in kracht van gewijsde beslissing is gegeven, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag, ingaande 7 dagen na betekening van het vonnis, de herinrichting van [woonwagencentrum] voort te zetten met toekenning aan de bewoners met een artikel 10 status, onder de navolgende voorwaarden

a. Verplaatsing van de woonwagen op kosten van de gemeente Hilversum naar de gerenoveerde standplaats;

b. € 15.000 bruto (zegge: vijftienduizend euro) voor het verplaatsen van de wagen wanneer de wagen niet door de gemeente verplaatst wordt;

c. € 8.000 bruto (zegge: achtduizend euro) voor het bestraten van de nieuwe standplaats;

d. € 5.857 bruto (zegge: vijfduizend achthonderd en zevenenvijftig euro) als wettelijke verhuiskostenvergoeding;

II. de Gemeente gebiedt om, tot er in de bodemprocedure een in kracht van gewijsde beslissing is gegeven, op straffe van een dwangsom van € 1000 per dag, ingaande 7 dagen na betekening van het vonnis, de herinrichting van [woonwagencentrum] voort te zetten met toekenning aan de bewoners met een zogenaamde starterstatus:

a. € 5.857 bruto (zegge: vijfduizend achthonderd en zevenenvijftig euro) als wettelijke verhuiskostenvergoeding;

b. € 8.000 bruto (zegge: achtduizend euro) voor het bestraten van de nieuwe standplaats;

c. Verplaatsing van de woonwagen op kosten van de gemeente Hilversum;

III. de Gemeente verbiedt gedurende de duur van het geding in hoofdzaak een muur / afscheiding althans een afscheiding tussen het gerenoveerde en het nog te renoveren gedeelte te maken, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag, waarvan een deel van de dag geldt als een hele dag;

IV. de Gemeente veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, en in de nakosten.

2.2.

De Gemeente heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van eis.

3 De beoordeling

Vorderingen sub I en II

3.1.

Bij tussenvonnis van 5 oktober 2016 heeft de kantonrechter overwogen dat

dat de Gemeente gehouden is met [eiser 1 c.s.] in gesprek te gaan over de herstructurering van het resterende deel van [woonwagencentrum] . De kantonrechter heeft partijen hiertoe gezamenlijk opdracht gegeven, waarbij de volgende voorwaarden en vergoedingen als uitgangspunt aan partijen is meegegeven:

Voor alle huishoudens:

  • -

    € 5.892,00 aan minimale verhuiskostenvergoeding;

  • -

    € 8.000,00 indien ervoor wordt gekozen de bestrating zelf aan te leggen;

  • -

    aanleggen van de schuur op kosten van de Gemeente;

  • -

    vrijstelling van de verplichting tot betaling van de huur voor de standplaats totdat de nieuwe standplaats kan worden betrokken;

voor de mensen met een ex artikel 10 status:

 € 15.000,00 € 15.000,00 indien de bewoner er voor kiest een nieuwe of (betere) tweedehands woonwagen aan te schaffen, waarbij de bewoner zelf voor verwijdering van de oude woonwagen dient te zorgen;

voor de starters:

 € 2.750,00 € 2.750,00 als verplaatsingsbijdrage van de woonwagen.

Daarbij heeft de kantonrechter voorts overwogen dat hij van oordeel is dat indien de Gemeente uitvoering geeft aan de hierboven genoemde uitgangspunten, sprake is van een redelijk voorstel, in welk geval van [eiser 1 c.s.] verwacht mag worden dat ook zij medewerking zullen verlenen aan die uitvoering. De voorwaarde die de Gemeente in haar brief van 5 juni 2015 heeft opgenomen, namelijk dat om de herstructurering alsnog te laten plaatsvinden alle bewoners moeten instemmen, gaat naar het oordeel van de kantonrechter te ver. Deze voorwaarde kan ten koste gaan van de bewoners die wel bereid zijn hun medewerking te verlenen. Indien een beperkt aantal bewoners niet bereid is hun medewerking te verlenen, is het aan de Gemeente om te onderzoeken op welke wijze die medewerking alsnog kan worden afgedwongen.

3.2.

De Gemeente heeft in haar akte van 23 december 2016 meegedeeld dat partijen er niet in zijn geslaagd om tot overeenstemming te komen. Samengevat heeft het volgende daar toe geleid, aldus de Gemeente. Op verzoek van [eiser 1 c.s.] zijn partijen onder leiding van mevrouw Wil Tonkes, als arbiter en mediator werkzaam bij het bureau ReulingSchutte, in gesprek gegaan. Tijdens de eerste bijeenkomst tussen partijen op 25 oktober 2016, waarin eerst alle door de kantonrechter geformuleerde uitgangspunten plenair zijn doorgenomen, heeft de advocaat van [eiser 1 c.s.] geopperd dat er een mogelijkheid zou zijn voor woonwagenbewoners om een lening af te sluiten tegen gunstige voorwaarden. Het bleek een koopsubsidieregeling te zijn die inmiddels niet meer bestaat. De Gemeente heeft [eiser 1 c.s.] tijdens deze bijeenkomst gevraagd om uiterlijk op 8 november 2016 mee te delen of medewerking onder de gestelde uitgangspunten mogelijk was. Tijdens de vervolgbespreking op 8 november 2016, opnieuw onder leiding van Tonkes, heeft de advocaat van [eiser 1 c.s.] aandacht gevraagd voor de verplaatsing van de starters. Zij zouden de verplaatsing niet kunnen betalen, en de Gemeente zou daar een oplossing voor moeten vinden. De Gemeente was het daar niet mee eens, maar Tonkes heeft de Gemeente de suggestie meegegeven om desondanks toch te onderzoeken of de Gemeente collectief tot verplaatsing van de woonwagens over kon gaan omdat een opdracht tot verplaatsing van alle woonwagens mogelijk tot een prijsvoordeel kon leiden. Martin Kuik sr. heeft aangeboden te onderzoeken of er een mogelijkheid was een collectieve verzekering af te sluiten voor eventuele schade als gevolg van de verplaatsingen. Op 16 november 2016 heeft de Gemeente [eiser 1 c.s.] meegedeeld dat zij geen opdracht zal geven voor de collectieve verplaatsingen. De Gemeente heeft besloten deze opdracht niet te zullen geven, mede omdat zij daardoor het risico loopt op aansprakelijkstellingen voor schades aan woonwagens als gevolg van die in haar opdracht uitgevoerde verplaatsingen. Bovendien blijkt uit de met [eiser 1 c.s.] gedeelde berekeningen van de in totaal door de Gemeente aan [eiser 1 c.s.] uit te keren vergoedingen zoals die door de kantonrechter als uitgangspunt zijn geformuleerd (ca. € 150.000), dat [eiser 1 c.s.] daarmee een kraanbedrijf alle verplaatsingen kan laten verrichten.

De Gemeente heeft [eiser 1 c.s.] gevraagd door ondertekening van een verklaring kenbaar te maken of meegewerkt kan worden aan de totale renovatie en dit uiterlijk op 22 november 2016 aan de Gemeente mee te delen. De advocaat van [eiser 1 c.s.] heeft de Gemeente op 21 november 2016 bericht dat [eiser 1 c.s.] meer tijd nodig hebben om de collectieve verplaatsing te onderzoeken. De Gemeente heeft ingestemd met een uitstel van twee weken.

Op 6 december 2016 hebben 4 bewoners (eisers 10, 11, 12 en 14) aan de Gemeente bericht mee te willen werken, onder de voorwaarde dat zij in de nieuwe situatie bij elkaar komen te staan. Twee andere bewoners (eisers 4 en 5) willen een standplaats kopen, maar enkel die standplaats die in het oorspronkelijke ontwerp aan hen was toegedeeld. De realisatie van de wensen van deze zes bewoners is afhankelijk van medewerking van twee andere bewoners. Deze zijn weliswaar bereid mee te werken, maar zij zeggen dat niet te kunnen vanwege (kort gezegd) de kosten die aan verplaatsing verbonden zijn.

Volgens de Gemeente is de optelsom van alle aan [eiser 1 c.s.] uit te keren vergoedingen ruimschoots voldoende om alle kosten van alle verplaatsingen te voldoen. De Gemeente concludeert dat het [eiser 1 c.s.] onderling niet is gelukt om onderling tot overeenstemming te komen om de kosten en de te ontvangen vergoedingen te delen. De Gemeente vervolgt met de stelling dat van de twaalf huishoudens die nog herplaatst moeten worden, slechts zes bereid zijn om (onder voorwaarden) mee te werken. Dit leidt ertoe dat er nog zes huishoudens overblijven, waarvoor de Gemeente medewerking zou kunnen afdwingen. Volgens de Gemeente is dat niet een ‘beperkt aantal’ bewoners zoals door de kantonrechter in 4.10. van het tussenvonnis overwogen, zodat de Gemeente heeft afgezien van een gedwongen verplaatsing. De Gemeente komt tot de slotsom dat het niet is gelukt om met [eiser 1 c.s.] tot overeenstemming te komen over de herinrichting van [woonwagencentrum] .

3.3.

[eiser 1 c.s.] hebben bij antwoordakte gereageerd. Zij hebben – samengevat – het volgende aangevoerd als oorzaak voor het mislukken van het door de kantonrechter opgedragen overleg dat tot een oplossing in der minne moest leiden. [eiser 1 c.s.] stellen voorop dat zij allen de renovatie van het resterende deel van [woonwagencentrum] wensen. Met acht van de zestien eisers was al overeenstemming, maar voor hen is het niet gelukt om tot definitieve afspraken te komen. De bewoners die een kavel willen kopen, moeten van de Gemeente instemmen met een door de Gemeente aan hen toegewezen kavel. Dit weigeren zij. Daarnaast was de Gemeente niet bereid te onderhandelen over een korting voor het feit dat de Gemeente door de koop het voorzieningengebouw en de aansluiting op de nutsvoorzieningen niet hoeft aan te leggen. Vier van de bewoners wensten bij elkaar te komen wonen. Deze wens kon de Gemeente niet inwilligen omdat dat de Gemeente niet tot afspraken kon komen met twee andere bewoners die – om dit te kunnen bewerkstelligen – moeten meewerken aan de herinrichting. Doordat zij dat weigeren moeten de vier bewoners genoegen nemen met een willekeurige andere kavel op [woonwagencentrum] , waardoor zij niet bij elkaar komen te wonen. Met vier eisers met een artikel 10 status (samen vier woonwagens) is het net niet gelukt om tot overeenstemming gekomen, omdat de Gemeente weigert de wagens voor hen te verplaatsen. Deze bewoners menen dat de Gemeente na de mondelinge behandeling van het kort geding aan hen de keuze heeft gelaten de woonwagens zelf te (laten) verplaatsen dan wel dat de Gemeente dit voor hen zou doen. Volgens [eiser 1 c.s.] is de Gemeente later op deze keuzemogelijkheid teruggekomen. Daarnaast verwachten enkele van deze bewoners dat de kosten voor verplaatsing meer dan € 15.000 zullen bedragen, maar weigert de Gemeente deze extra kosten voor hen te dragen. Deze bewoners zijn niet bereid deze eventuele extra kosten zelf te financieren uit de andere vergoedingen die zij van de Gemeente krijgen (de vergoeding voor bestrating en de verhuiskostenvergoeding). Indien de Gemeente de kosten voor verplaatsing voor haar rekening neemt, gaan deze bewoners akkoord. Voorts zijn er drie zogenaamde probleemgevallen (drie woonwagens, vijf eisers). Zij hebben geen geld om de verplaatsing zelf te betalen. De Gemeente is niet bereid hierin een oplossing aan te dragen, door bij voorbeeld een lening te verstrekken in het kader van bijzondere bijstand, of door een huurwoonwagen aan te bieden. Voor één van deze bewoners (eiser sub 16) heeft de Gemeente aan de renovatie bovendien een voorwaarde gekoppeld die ziet op de verhuur van een (in eerste instantie) kleiner stuk weiland voor zijn paarden dan door de Gemeente aanvankelijk toegezegd.

De op verzoek van [eiser 1 c.s.] ingeschakelde bemiddelaar Tonkes heeft de Gemeente voorgesteld dat de Gemeente een collectieve verplaatsing zou organiseren. De Gemeente heeft daar van af gezien. Dit is onterecht, omdat de Gemeente in het verleden wel verplaatsingen heeft verzorgd. Daarnaast stellen [eiser 1 c.s.] zich op het standpunt dat de eis van de Gemeente dat [eiser 1 c.s.] gezamenlijk elkaars verplaatsingskosten dragen, door alle vergoedingen aan te wenden voor alle verplaatsingen, volgens het tussenvonnis van de kantonrechter onredelijk is. Ten slotte verwijten [eiser 1 c.s.] de Gemeente dat de Gemeente haar stellingen over (onder meer) de kosten van verplaatsing baseert op aannames, en waar zij stelt dat zij offertes heeft opgevraagd, de Gemeente niet bereid is deze offertes met [eiser 1 c.s.] te delen.

Samengevat stellen [eiser 1 c.s.] dat de verschillen tussen de Gemeente en [eiser 1 c.s.] zo klein zijn, dat zij verwachten dat een tweede mondelinge behandeling in deze procedure tot een definitieve regeling zou kunnen leiden. Om die reden verzoeken zij de kantonrechter een mondelinge behandeling te bepalen.

3.4.

De kantonrechter overweegt als volgt. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter de voorwaarden voor het komen tot een eindoplossing helder geschetst. Uit de stellingen van partijen volgt, dat het vooral [eiser 1 c.s.] zijn geweest die in de periode na het tussenvonnis van deze uitgangspunten afwijkende dan wel daarop aanvullende voorwaarden hebben gesteld. Onder andere dat de Gemeente de verplaatsing van de woonwagens voor haar rekening moest nemen en het vragen aan de Gemeente van het dragen van kosten voor verplaatsing voor zover deze kosten boven € 15.000 uit stijgen. Daarnaast blijkt dat de advocaat van [eiser 1 c.s.] ruis op de lijn heeft veroorzaakt door [eiser 1 c.s.] voor te houden dat het mogelijk zou zijn op grond van een regeling een lening tegen gunstige voorwaarden af te sluiten, terwijl deze regeling niet langer bestond. Uit de stukken volgt dat vervolgens een groot deel van [eiser 1 c.s.] van een dergelijke – niet bestaande – regeling gebruik wensten te maken. Voorts volgt de kantonrechter [eiser 1 c.s.] niet in hun stelling bij akte dat uit de na het tussenvonnis door de Gemeente verstrekte stukken blijkt dat de Gemeente [eiser 1 c.s.] de keuze heeft gelaten tussen het laten uitkeren van een vergoeding van € 15.000 voor verplaatsing of verplaatsing door de Gemeente uit te laten voeren. In het stadium waarin partijen met elkaar verkeerden, en gelet op de door de kantonrechter gegeven voorwaarden, ziet de kantonrechter voor deze nieuw gestelde voorwaarden geen rechtvaardiging. Bovendien geldt voor de situatie waarin partijen verkeerden, dat het voor het komen tot een regeling in der minne noodzakelijk is dat beide partijen water bij de wijn doen. Het moet uit de lengte of uit de breedte komen. In dit licht merkt de kantonrechter op dat naast de vergoedingen die de Gemeente aan [eiser 1 c.s.] zal uitkeren op grond van de door de kantonrechter in het tussenvonnis geschetste uitgangspunten, de Gemeente ook nog alle kosten van renovatie van het deel van [woonwagencentrum] waar [eiser 1 c.s.] wonen voor haar rekening neemt. Omdat partijen nu – in het kader van deze kort geding procedure – voldoende tijd is gegund om met elkaar tot een minnelijke regeling te komen, en zij daar ondanks de gegeven voorwaarden en uitgangspunten niet uit zijn gekomen, en de oorzaak daarvan naar het oordeel van de kantonrechter in overwegende mate aan [eiser 1 c.s.] moet worden toegeschreven, is de kantonrechter van oordeel dat de Gemeente, onder deze omstandigheden, niet langer gehouden is om de renovatie van [woonwagencentrum] voort te zetten. Dat leidt ertoe dat de vorderingen sub I en sub II moeten worden afgewezen.

Vordering sub III: de muur

3.5.

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter onder rechtsoverweging 4.11. reeds overwogen dat deze vordering moet worden afgewezen.

Vordering sub IV: proceskosten

3.6.

[eiser 1 c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op € 600,00 voor salaris gemachtigde.

Vordering sub V

3.7.

[eiser 1 c.s.] vorderen tot slot dat de kantonrechter een zodanig vonnis zal wijzen als de kantonrechter in goede justitie juist acht. Een dergelijke vordering is onvoldoende bepaald om als afzonderlijke vordering te worden beoordeeld.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser 1 c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 600,00,

4.3.

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2017.