Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:846

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
UTR 16/2071
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor uitbreiden supermarkt Jumbo en wijzigen winkelcentrum Urkerhard te Urk. Ontheffing van de verplichting om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein kan niet worden gebaseerd op een overeenkomst waarbij parkeerplaatsen worden gehuurd voor uitsluitend medewerkers van de Jumbo. De Rechtbank is van oordeel dat wel ontheffing kan worden verleend omdat in de directe nabijheid een openbare parkeerplaats is met voldoende parkeergelegenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/2071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2017 in de zaak tussen

Winkeliersvereniging Urkerhard, te Urk, eiseres

(gemachtigde: H. Slump),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Urk, verweerder

(gemachtigde: L. Ras en P.J. van Slooten),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Prominent Vastgoed Bouwmanagement BV, te Tollebeek,

(gemachtigden: D. Korf en W. de Boer)

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de supermarkt Jumbo, het deels wijzigen van het winkelcentrum Urkerhard en het voeren van handelsreclame op en nabij het adres [adres] te [woonplaats] .

Bij besluit van 9 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op (het voldoen aan) de geldende parkeernormen. Verweerder heeft in het bestreden besluit alsnog een omgevingsvergunning verleend voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Voorts heeft verweerder aan de omgevingsvergunning een voorwaarde verbonden verband houdend met het voorzien in de parkeerbehoefte.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016. Eiseres is vertegenwoordigd door [A] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is vertegenwoordigd door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Vergunninghoudster heeft op 29 april 2015 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de supermarkt Jumbo, het deels wijzigingen van het winkelcentrum Urkerhard en het voeren van handelsreclame op en nabij adres [adres] te [woonplaats] . Bij besluit van 20 juli 2015 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

2. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder conform het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften alsnog toestemming verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan Parapluherziening parkeernormen Urk op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft aan de omgevingsvergunning de voorwaarde verbonden dat in de parkeerbehoefte wordt voorzien door het afsluiten van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen W. de Boer en vergunninghoudster voor de verhuur van 6 parkeerplaatsen.

3. Verweerder is in het bestreden besluit uitgegaan van een toename van het bvo van de Jumbo met 105 m². Verweerder heeft ter berekening van de parkeerbehoefte gerekend met de norm 5,4 per 100 m² voor fullservice supermarkten (laag/middellaag prijsniveau), zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de 'Notitie Parkeernormen Urk 2014 (1e herziening)' (Notitie) en komt tot een parkeerbehoefte van (afgrond) 6 parkeerplaatsen.

4. Eiseres voert aan dat verweerder de parkeerbehoefte niet juist heeft berekend. Zowel de gehanteerde norm als het bruto vloeroppervlak (bvo) zijn volgens eiseres niet juist. De uitbreiding betreft een toename van het bvo met 250 m² en moet geheel worden toegerekend aan het bvo van de Jumbo. Verder had verweerder moeten uitgaan van de norm van 6,5 per 100 m², die op grond van de Notitie geldt voor discountsupermarkten. De totale parkeerbehoefte bedraagt volgens eiseres dus 20 parkeerplaatsen. Voor zover verweerder moet worden gevolgd in zijn standpunt dat de (nieuwe) overdekte passage niet behoort tot de supermarkt, moet deze uitbreiding worden aangemerkt als binnenruimte van het winkelcentrum, waarvoor een parkeernorm van 2,7 per 100 m² geldt. In dat geval bedraagt de totale parkeerbehoefte 19 parkeerplaatsen.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het verweerschrift en ook ter zitting aan de hand van de bouwtekeningen (gedingstukken 6 en 7) afdoende toegelicht dat 105 m² bvo moet worden toegerekend aan de Jumbo. Eiseres kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de (nieuwe) overdekte passage moet worden meegenomen bij de berekening van het bvo. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt bouwtekening O-01, laatstelijk gewijzigd op 12 februari 2015, en situatietekening S-01, overgelegd, waaruit volgens haar de toename van het bvo van de Jumbo van 250 m² valt af te leiden. De rechtbank stelt op basis van de door verweerder overgelegde bouwtekeningen vast dat de omgevingsvergunning niet is verleend op de door eiseres overgelegde bouwtekening, maar op bouwtekening O-01, laatstelijk gewijzigd op 4 juni 2015 (gedingstuk 7). Een nadere schriftelijke onderbouwing dat de berekening van verweerder van de toename van het bvo van de Jumbo niet deugt, heeft eiseres niet overgelegd. Eiseres kan verder niet worden gevolgd in haar standpunt dat voor het bepalen van de parkeernorm de (nieuwe) overdekte passage als binnenruimte van het winkelcentrum moet worden meegenomen bij de berekening van het bvo. Deze binnenruimte behoort immers niet tot de Jumbo en betreft ook geen uitbreiding van het winkelcentrum als geheel. Ook volgt de door eiseres voorgestane wijze van berekenen niet uit de Notitie of de bijbehorende Bijlage 1. Dit betekent dat verweerder bij de berekening van de parkeernorm terecht is uitgegaan van een bvo van 105 m².

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet onderbouwd waarom de Jumbo moet worden gerekend tot de categorie discountsupermarkt. De enkele verwijzing naar de indeling die het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) maakt, is daartoe niet toereikend. Nog daargelaten dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de Jumbo in de door het CBL gehanteerde indeling behoort tot het formuletype Service Discount, hanteert het CBL een andere indeling in supermarktformules dan de Notitie, zodat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat voor het bepalen van de parkeernorm de Jumbo niet tot de fullservice supermarkten kan worden gerekend. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiseres in haar bezwaarschrift ook zelf is uitgegaan van de norm van 5,4 voor fullservice supermarkten (laag/middellaag prijsniveau).

7. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de parkeerbehoefte van (afgerond) 6 parkeerplaatsen juist heeft berekend door uit te gaan van een bvo van 105 m² en een norm van 5,4 per 100 m² voor fullservice supermarkten (laag/middellaag prijsniveau).

8. Eiseres voert verder aan dat ten onrechte ontheffing is verleend van de planvoorschriften, omdat niet is aangetoond dat de huur van de parkeerplaatsen duurzaam en toereikend is en deze parkeerplaatsen zich niet bevinden in een openbare ruimte.

9. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Op grond van artikel 4.1 van het bestemmingsplan Parapluherziening parkeernormen Urk (het bestemmingsplan) wordt tot een gebruik strijdig met de in artikel 2.1 genoemde plannen gegeven bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet op eigen terrein bij de ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze hiervoor is opgenomen in de 'Notitie Parkeernormen Urk 2014 (1e herziening)' (vastgesteld d.d. 4 november 2014).

Op grond van artikel 4.3 van het bestemmingsplan kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in de leden 4.1 en 4.2 en toestaan dat:

a. parkeergelegenheid niet op eigen terrein bij de ontwikkeling wordt gerealiseerd, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en wordt voldaan aan de in de ´Notitie Parkeernormen Urk 2014 (1e herziening)´ (vastgesteld d.d. 4 november 2014) daarvoor gestelde voorwaarden;

b. met maximaal 10% wordt afgeweken van de toe te passen parkeernorm in gevallen waarin de toepassing van de parkeernormering conform de ´Notitie Parkeernormen Urk 2014 (1e herziening)´ (vastgesteld d.d. 4 november 2014) naar hun oordeel in individuele gevallen tot niet bedoelde en onaanvaardbare normen leidt.

10. In paragraaf 5.2 van de Notitie is het volgende opgenomen.

‘Indien blijkt dat het voor aanvrager of initiatiefnemer onmogelijk is om in zijn eigen parkeerbehoefte te voorzien, het college een afweging zal maken, tussen het (economisch) belang van de ontwikkeling enerzijds en de eventuele (tijdelijke) negatieve gevolgen ten aanzien van de goede ruimtelijke ordening (welke verplichting voortvloeit uit artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de bereikbaarheid, leefbaarheid etc. Het college kan, naar aanleiding van bovenstaande belangenafweging, ontheffing verlenen van de verplichting tot het voldoen aan de parkeereis.

Naast de wettelijke verplichting tot kostenverhaal op basis van artikel 6.1 Wro (zie paragraaf 5.4) zijn er twee situaties waarin ontheffing kan worden verleend van de verplichting om te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Deze situaties zijn:

• In het openbare gebied zijn op acceptabele loopafstand van het bouwplan voldoende

parkeermogelijkheden aanwezig of te realiseren;

Als binnen een termijn van 10 jaar binnen de aanvaardbare loopafstand een fysieke,

juridische en stedenbouwkundige mogelijkheid bestaat om parkeervoorzieningen op

maaiveld aan te leggen, dan wordt hiervoor gekozen. Uitgangspunten hierbij zijn dat

de parkeerplaatsen openbaar toegankelijk blijven en dat de aanvrager een vergoeding

ad € 5.000,- aan de gemeente verschuldigd is. (…)

• Het is mogelijk om op acceptabele loopafstand parkeergelegenheid te realiseren op een gehuurd of aangekocht terrein. Deze mogelijkheid kan alleen als de duurzaamheid van deze oplossing verzekerd is en dat parkeerterrein voldoende aantoonbare overcapaciteit heeft.’

11. Niet in geschil is dat de parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen niet op eigen terrein kan worden gerealiseerd. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de in artikel 4.3, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan neergelegde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid en ontheffing verleend van de verplichting om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Verweerder heeft de ontheffing verleend op grond van paragraaf 5.2, tweede bullet, van de Notitie. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de parkeergarage bij het winkelcentrum. Vergunninghoudster heeft daartoe een huurovereenkomst gesloten met eigenaar W. de Boer.

12. Naar het oordeel van de rechtbank is de duurzaamheid van de parkeerplaatsen, gelet op de huurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, in beginsel gewaarborgd. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van 26 maart 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2014:1065. Ook heeft verweerder met zijn in het verweerschrift opgenomen berekening en de toelichting daarop ter zitting aangetoond dat in de parkeergarage, met inachtneming van de parkeernormen voor de bijbehorende appartementen, in ieder geval 6 plaatsen beschikbaar zijn.

13. Uit de brief van 29 februari 2016 van W. de Boer aan de gemeente Urk blijkt dat de parkeerplaatsen zich bevinden in een niet voor het publiek toegankelijke parkeerkelder en dat de parkeerplaatsen worden aangeboden aan medewerkers van de Jumbo, die middels een toegangscode toegang tot de parkeerkelder krijgen.

14. De rechtbank is van oordeel dat het huren van parkeerplaatsen voor uitsluitend eigen personeel van de Jumbo onvoldoende is om aan de toename van de parkeerbehoefte door het bouwplan te voorzien. Door uitbreiding van de Jumbo zal immers niet alleen de parkeervraag bij het personeel van de Jumbo toenemen, maar ook bij andere bezoekers van het winkelcentrum. De bedoeling van de in de Notitie neergelegde beleidsregels is dat bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling het parkeren in balans is. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, wanneer het benodigde parkeeraanbod wordt beperkt tot een bepaalde categorie personen. Dit betekent dat de 6 parkeerplaatsen die nodig zijn om aan de parkeerbehoefte te voldoen voor iedereen, dus zowel voor bezoekers van het winkelcentrum als voor Jumbo-medewerkers toegankelijk dienen te zijn. De omstandigheid dat in de Notitie op dit punt geen (expliciet) voorbehoud wordt gemaakt leidt niet tot een ander oordeel. Dat zich, volgens de verklaring van verweerder ter zitting, in de praktijk nooit parkeerproblemen voordoen, acht de rechtbank niet relevant.

15. Het beroep van eiseres slaagt op het punt van de grondslag van de ontheffing. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre. De rechtbank beslecht de aan haar voorgelegde geschillen zo definitief mogelijk en staat daarom voor de vraag of zij toepassing kan geven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

16. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat zich op een loopafstand van minder dan 200 meter een openbaar toegankelijke parkeerplaats met zeker 20 beschikbare parkeerplaatsen bevindt nabij een school en kerk. Eiseres heeft dit niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde zoals genoemd in paragraaf 5.2, eerste bullet, van de Notitie op grond waarvan gebruik kan worden gemaakt van de in artikel 4.3 van het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid. De omstandigheid dat er een weg ligt tussen deze parkeerplaats en het winkelcentrum maakt niet dat er geen sprake is van een acceptabele loopafstand. Verweerder is in beginsel dus bevoegd om de omgevingsvergunning met ontheffing van de verplichting dat op eigen terrein aan de parkeerbehoefte wordt voldaan, te verlenen.

17. Verweerder heeft in het bestreden besluit, bij zijn afweging om gebruik te maken van zijn bevoegdheid, meegewogen dat er de afgelopen jaren geen problemen zijn geweest met betrekking tot parkeren rondom het winkelcentrum Urkerhard en dat het gegeven dat er rondom het winkelcentrum niet wordt geparkeerd op eigen terrein op geen enkele wijze negatieve gevolgen heeft voor de leefbaarheid, het woon- en leefklimaat, de bereikbaarheid van het winkelcentrum en de verkeersveiligheid.

18. Eiseres heeft aangevoerd dat het bouwplan negatieve gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van de winkels in het winkelcentrum, hetgeen tot een wezenlijke omzetdaling zal leiden. Volgens haar is dat ook uit onderzoek gebleken. De rechtbank overweegt dat uit de toelichting van verweerder ter zitting is gebleken dat de (verlegde) passage de hoofdtoegang tot het winkelcentrum vormt, dat de passage niet door deuren wordt afgesloten maar dat er bloembakken geplaatst worden waardoor het fietsen door de passage wordt voorkomen, dat er nog drie andere ingangen tot het winkelcentrum zijn, dat er geen winkelwagentjes en geen reclameborden in de passage worden geplaatst en dat het mogelijk blijft om door de (verlegde) passage te lopen. Mede in aanmerking genomen dat eiseres het door haar genoemde onderzoeksrapport niet heeft overgelegd en haar standpunt over de verminderde bereikbaarheid ook anderszins niet nader heeft onderbouwd, acht de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de bereikbaarheid van (de winkels in) het winkelcentrum niet wordt aangetast.

19. Gelet op het voorgaande heeft verweerder, alle belangen afwegende, in redelijkheid gebruik kunnen maken van de in artikel 4.3 van het bestemmingsplan neergelegde afwijkingsbevoegdheid om de omgevingsvergunning te verlenen.

20. Op grond van het voorgaande voorziet de rechtbank zelf in de zaak door te bepalen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarde, dat in de parkeerbehoefte wordt voorzien door het afsluiten van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen de heer W. de Boer en Prominent Vastgoed Bouwmanagement BV voor de verhuur van 6 parkeerplaatsen, vervalt. Voorts bepaalt de rechtbank dat met toepassing van artikel 4.3 van de planvoorschriften op grond van paragraaf 5.2, eerste bullet, van de Notitie ontheffing kan worden verleend van de verplichting om te voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein.

21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

22. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarde dat in de parkeerbehoefte wordt voorzien door het afsluiten van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen de heer W. de Boer en Prominent Vastgoed Bouwmanagement BV voor de verhuur van 6 parkeerplaatsen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.W. Verhaagh, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.