Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:844

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
5612827 / ME VERZ 16-354
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ, arbeidsongeschikt, ontbindingsverzoek wegens niet meewerken re-integratie verplichtingen afgewezen, geen deskundigenoordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0218
AR 2017/992

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Beschikking van 21 februari 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5612827 / ME VERZ 16-354 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,

verweerster in de nevenverzoeken,
gemachtigde mr. A.A.E. Ferdinandusse,

tegen

[verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,

verzoekster in de nevenverzoeken,

gemachtigde mr. M.M. van Til.

Partijen zullen hierna [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] en [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 52 producties van 28 december 2017,

- het verweerschrift met nevenverzoeken met 9 producties van 27 januari 2017,

- de fax van de zijde van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] met producties 52 tot en met 76 van 2 februari 2017,

- het verweerschrift in het kader van de nevenverzoeken van 3 februari 2017,

- de mondelinge behandeling van 7 februari 2017, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden,

- de pleitnotitie van mr. Ferdinandusse,

- de pleitnotitie van mr. Van Til.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , geboren op [1967] , is op 1 juli 2013 in dienst getreden bij [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] te [vestigingsplaats] in de functie van incassomedewerker voor 24 uur per week. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] is voor onbepaalde tijd in dienst bij [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] . Het loon van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] bedraagt € 1.000,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] werkt voornamelijk met het debiteurenbeheerprogramma “ [...] ” van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] .

2.2.

Voor haar indiensttreding bij [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] had [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] een WAO uitkering. Voor [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] geldt een no-risk polis ex artikel 29b van de Ziektewet.

2.3.

Vanaf 30 november 2015 is [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] arbeidsongeschikt. Haar loon bedraagt vanaf dat moment € 932,- bruto per maand, bestaande uit € 700,- ziekengeld en een bedrag van € 222,32 als aanvulling daarop tot het wettelijk minimumloon. Het bedrag van € 700,- werd van december 2015 tot 4 oktober 2016 door UWV aan [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] betaald. Sinds 4 oktober 2016 wordt het ziekengeld door het UWV direct aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] betaald.

2.4.

Kort na de ziekmelding van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] aan het UWV toestemming verzocht tot opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] om bedrijfseconomische redenen. Het UWV heeft het verzoek van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] niet in behandeling genomen wegens de arbeidsongeschiktheid van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] .

2.5.

Op 18 maart 2016 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] en een door [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] ingeschakelde bedrijfsarts. Volgens het oordeel van de bedrijfsarts kon [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] op dat moment vanuit huis enkele uren per dag aangepaste werkzaamheden verrichten. Op 15 april 2016 is een plan van aanpak opgesteld. Het plan van aanpak is door [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] in juli 2016 getekend. Op 4 juli 2016 is [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] geopereerd.

2.6.

Op 9 juli 2016 is [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] weer opgeroepen bij de bedrijfsarts. In het advies van de bedrijfsarts wordt gesteld dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , naast haar medische problematiek, een probleem in de arbeidsrelatie ervaart. De bedrijfsarts geeft aan dat het aan werkgever en werknemer is om dit probleem op te lossen, bijvoorbeeld in een gesprek.

2.7.

Op 29 juli 2016 heeft een gesprek tussen [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] en de bedrijfsarts plaatsgevonden. De bedrijfsarts heeft het volgende geadviseerd:

“Conclusie & Advies

1. Arbeidsongeschikt voor het eigen werk ten gevolge van een reële medische aandoening.

2. Er zijn beperkt, re-integratiemogelijkheden. Zij is momenteel enkele uren achter elkaar in staat

3. De prognose is goed, ik verwacht dat zij over 4 tot 8 weken weer normaal belastbaar is voor haar eigen werk.

4. UWV is van de situatie op de hoogte.

Analyse

Uw medewerkster verzuimt overwegend door energetische beperkingen waardoor er ook beperkingen betreffende het persoonlijk en sociaal functioneren ontstaan. Een en ander door een objectiveerbare medische aandoening. Een ingreep (met complicaties) heeft inmiddels plaatsgevonden en er is geleidelijk herstel. Gezien de beperkte fysieke conditie voorafgaand aan de ingreep verloopt het herstel traag. Ik verwacht dat zij ca 8 tot 12 weken na de operatie weer normaal belastbaar zal zijn. Er zijn wel re-integratiemogelijkheden nu, enkele uren per dag wisselend geconcentreerd bezig zijn is mogelijk. Zij in staat met de auto naar kantoor te komen dat kost echter veel energie en zal van invloed zijn op de rest van haar mogelijkheden.

Beperkingen & Mogelijkheden

Er zijn nog veel energetische beperkingen en beperkingen betreffende de concentratie, verdelen van de aandacht, hanteren van deadlines en een hoog werktempo. De beperkingen nemen toe bij langere belasting. Autorijden is mogelijk maar kost veel energie. Ik verwacht dat dat in de komende weken zal verbeteren. Het is wellicht beter de eerstvolgende twee weken met name door werkzaamheden thuis op te bouwen en daarna werkzaamheden op kantoor op te bouwen.”

2.8.

Op 17 augustus 2016 heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] laten weten dat zij op 18 augustus 2016 een dagdeel op het kantoor van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] werd verwacht voor de verrichting van re-integratiewerkzaamheden. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft op 17 augustus 2016 bij [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] aangegeven niet in staat te zijn om te komen werken. Op 18 augustus 2016 is [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] niet komen werken, waarna [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] haar op 19 augustus 2016 per e-mail heeft laten weten dat haar loon zal worden opgeschort indien zij niet op woensdag 24 augustus en op vrijdag 26 augustus telkens vier uur zou komen werken.

2.9.

Op woensdag 24 augustus 2016 is [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] drie uur komen werken. Voor vrijdag 26 augustus 2016 heeft zij zich ziek gemeld. In een e-mail van 28 augustus 2016 heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] te kennen gegeven dat haar loon werd opgeschort met ingang van 26 augustus 2016. In dezelfde e-mail werd zij opgeroepen te komen werken op 31 augustus,

1 september en 2 september 2016, steeds voor vier uren. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] is op 31 augustus 2016 komen werken. Op 1 en 2 september heeft zij zich ziek gemeld. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft het loon vervolgens opnieuw opgeschort vanaf 1 september 2016 en [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] opgeroepen te komen werken op 7, 8 en 9 september 2016. Op 7 september 2016 heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] zich opnieuw ziek gemeld. Dezelfde dag heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] haar per e-mail laten weten de ziekmelding evenals de vorige ziekmeldingen niet te accepteren. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] aangezegd haar loon te zullen staken indien zij op 8 september 2016 niet zou komen werken.

2.10.

Op 8 september 2016 is [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] niet komen werken. Diezelfde dag heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] haar per e-mail laten weten dat haar loon met ingang van 8 september 2016 werd gestaakt.

2.11.

Op 9 september 2016 heeft een gesprek tussen de bedrijfsarts en [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] plaatsgevonden. De bedrijfsarts koppelt, kort gezegd en voor zover relevant, terug dat (1) de re-integratiemogelijkheden op medische gronden niet veranderd zijn en (2) [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] een probleem in de arbeidsrelatie ervaart. Werkgever en werknemer dienen volgens de bedrijfsarts samen naar een oplossing te zoeken.

2.12.

Op 17 oktober 2016 heeft een gesprek tussen [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] en [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] plaatsgevonden. In dat gesprek laat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] weten dat de functie van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] inmiddels definitief is vervallen. De belangrijkste klant van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft opgezegd en om die reden heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] het contract met [...] ook moeten opzeggen. Afgesproken wordt dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] zelf een re-integratievoorstel zal doen. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] doet dit voorstel per e-mail op 18 oktober 2016. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] gaat niet op dit voorstel in. Op 25 oktober 2016 laat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] weten dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] op 26 oktober 2016 op kantoor wordt verwacht voor het uitvoeren van re-integratiewerkzaamheden. De gemachtigde van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] laat vervolgens weten dat partijen verschillen ”voor wat betreft de reintegratie”. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] komt op 26 oktober 2016 niet werken.

2.13.

Op 4 oktober 2016 heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] een deskundigenoordeel aangevraagd met de vraag of [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] voldoende deed om [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] weer aan het werk te krijgen. Op 7 november 2016 heeft het UWV het deskundigenoordeel uitgebracht. De conclusie van de deskundige is, kort gezegd, dat spoor 2 opgestart had moeten worden omdat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] in feite geen werk meer voor [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] beschikbaar heeft. Omdat spoor 2 niet is opgestart en [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] verscheidene keren heeft opgedragen te komen werken zonder dat het haar duidelijk was hoe het gesteld was met de beperkte energetische belastbaarheid van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , zijn de door de werkgever uitgevoerde re-integratieinspanningen vanaf begin april 2016 niet voldoende geweest, aldus het UWV.

2.14.

Ook [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft een deskundigenoordeel aangevraagd, welk oordeel door het UWV op 8 november 2016 wordt afgegeven. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft het UWV gevraagd of [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] genoeg deed om weer aan het werk te komen. De conclusie van het UWV luidt als volgt:

“De re-integratieinspanningen van de werknemer zijn niet voldoende geweest omdat werknemer niet tijdig een deskundigenoordeel heeft aangevraagd betreffende de vraag of het aangeboden aangepaste werk wel/niet passend was. Of werknemer voor deze nalatigheid een deugdelijke grond heeft kan niet worden vastgesteld. Wel kan worden opgemerkt dat werknemer, volgens de bedrijfsarts, beperkt is ten aanzien van het omgaan met conflicten. Het beperkt persoonlijk en sociaal functioneren kan hierbij een rol hebben gespeeld”

2.15.

Op 18 november vindt een gesprek plaats tussen de bedrijfsarts en [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] . De bedrijfsarts past zijn advies aan en stelt dat het re-integratietraject bijgesteld moet worden. De bedrijfsarts adviseert een beperkte hervatting van passende werkzaamheden. Hij stelt onder meer:

“Mijn advies is om te starten met 2 x 1 uur per week (geen opeenvolgende dagen gedurende de eerste twee weken) passend werk. Passend werk is nog altijd licht administratief werk. Dat in ieder geval 2 weken continueren.

In het kader van de terugkeer naar de arbeidsmarkt adviseer ik dat de werkzaamheden op de werkvloer uitgevoerd worden. In het kader van de verminderde mobiliteit van werknemer adviseer ik de werkgever de werknemer op te halen en terug te brengen. Indien dit niet realiseerbaar is, kunnen partijen een andere oplossing zoeken voor het vervoer zoals de taxi. Mochten er geen oplossingen zijn dan is thuiswerken een optie. Na de eerste 2 weken dient er opgebouwd te worden volgens het volgende schema:

2x2 uur per week duur 2 weken

2x3 uur per week en 1x2 uur duur 1 week

3x3 uur per week duur 2 weken

Het is aan te bevelen om over 5 weken opnieuw te bekijken of de opbouw aangepast dient te worden of op deze wijze kan worden voortgezet.”

De bedrijfsarts stelt ook:

“Ik begrijp dat de bedongen arbeid intussen niet meer bestaat. Re-integratie in spoor 1 kan daarmee niet meer aan de orde te zijn. Een spoor2 re-integratie is dan ook aan te bevelen.”

2.16.

Op grond van het bijgestelde re-integratieadvies roept [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] op om op 31 november en 1 december 2016 op kantoor van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] re-integratiewerkzaamheden te komen verrichten. De gemachtigde van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] laat op 30 november per e-mail weten dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] niet zal komen, maar zich beschikbaar houdt voor spoor 2. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] komt niet werken op 31 november en 1 december 2016.

2.17.

Op 1 december 2016 bericht de gemachtigde van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] de gemachtigde van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] per e-mail, onder meer, dat er deels in spoor 2 gere-integreerd moet worden volgens het deskundigenoordeel van 7 november 2016 en dat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] doende is spoor 2 op te starten. De gemachtigde stelt dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] een uitnodiging zal ontvangen van [naam stichting] in [vestigingsplaats] . De gemachtigde meldt verder dat dit niet betekent dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] passende werkzaamheden op het kantoor van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] mag weigeren, hetgeen volgens de gemachtigde het geval is.

2.18.

Op 6 december 2016 vindt een gesprek plaats tussen [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] en [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] in het kader van de eerstejaarsevaluatie. De eerstejaarsevaluatie is (nog) niet ondertekend.

2.19.

Op 13 december 2016 heeft de bedrijfsarts een advies opgesteld. Dit advies luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Uw medewerkster is, ondersteund door haar behandelaars, van mening niet in staat te zijn tot enige hervatting in het kader van de re-integratie, er zouden geen benutbare mogelijkheden zijn. Ik ben echter, op grond van mijn contacten (spreekuur, telefonisch contact) met uw medewerkster van mening dat er wel benutbare mogelijkheden zijn. Er is dus een discrepantie tussen mijn beoordeling en de mening van de werkneemster en haar begeleiders.

Om een definitief oordeel te krijgen wil ik u daarom adviseren een onafhankelijk, specialistisch onderzoek te laten doen naar de medische problematiek om de belastbaarheid goed in kaart te brengen. Een onderzoek bij [bedrijf 1] is daarvoor een goede optie.

Ik ben nog steeds van mening dat een beperkte hervatting in passende (rekening houden met beperkingen betreffende de concentratie, geheugen, verdelen van de aandacht, hanteren van deadlines en verstoringen) werkzaamheden aan de orde is.

Mijn advies is 2 X l uur per week (geen opeenvolgende dagen gedurende de eerste twee weken) passend werk wil ik dan ook handhaven. Passend werk is nog altijd licht administratief werk. In het kader van de verminderde mobiliteit van werknemer adviseer ik de werkgever de werknemer op te halen en terug te brengen. Indien dit niet realiseerbaar is, kunnen partijen een andere oplossing zoeken voor het vervoer zoals de taxi. In afwachting

van het specialistische onderzoek wil ik wel adviseren de 2 X l uur nog niet uit te breiden maar in ieder geval wel te handhaven, dat is immers belangrijk voor het contact met de arbeidsmarkt.

(...)

Naast de arbeidsongeschiktheid door ziekte ervaart uw medewerkster ook een probleem in de arbeidsrelatie. Deze wordt vooral veroorzaakt doordat zij aangeeft een negatieve bejegening door de werkgever te hebben ervaren waardoor zij terugkeer op de werkvloer als zeer moeilijk ervaart. Ik heb daarom contact opgenomen met de werkgever. De werkgever geeft aan dat de werknemer beslist welkom is. De zorgen van de werknemer

hierover zijn naar aanleiding van de le jaars evaluatie besproken met al haar collega’s door werkgever en deze geeft aan dat als werknemer weer zou komen naar de werkvloer dit ook zal ervaren.

(...)

Ik begrijp dat de bedongen arbeid intussen niet meer bestaat. Re-integratie in Spoor 1 met als einddoel terug in eigen werk kan daarmee niet meer aan de orde te zijn, wel is het aan te bevelen re-integratie in de huidige werkplek op te pakken en daarnaast een Spoor 2 re-integratie op te starten.

(…)

Het is in dat kader aan te bevelen de start van een Spoor 2 re-integratie op te schorten totdat de expert rapportage ontvangen is.”

2.20.

Per e-mail van 13 december 2016 heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] , naar aanleiding van het voormelde advies van de bedrijfsarts van 13 december 2016, [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] opgeroepen om re-integratiewerkzaamheden te verrichten op haar kantoor op de daaropvolgende woensdag en vrijdag. Zij heeft tevens medegedeeld van de bedrijfsarts te hebben vernomen dat eerst een expertise door [bedrijf 1] dient plaats te vinden alvorens het 2e spoortraject gestart kan worden en dat de bij [naam stichting] gemaakte afspraak voor 2e spoor daarom wordt uitgesteld.

2.21.

[verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] is op 16 december 2016 bij [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] verschenen voor het verrichten van re-integratiewerkzaamheden. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft daarop het tot 8 september 2016 opgeschorte loon van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] voldaan.

2.22.

Op 20 december 2016 heeft de heer [A] , werkzaam bij [bedrijf 1] , per e-mail aan [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] laten weten dat hij heeft gesproken met [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , maar dat er geen effectief intakegesprek heeft plaatsgevonden, omdat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] aangaf onvoldoende geïnformeerd te zijn over de inschakeling en het doel van [bedrijf 1] .

2.23.

Bij e-mail van 20 december 2016 heeft de gemachtigde van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] de informatieset over [bedrijf 1] toegestuurd. Tevens heeft de gemachtigde [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] verzocht om op 21 december 2016 te laten weten of er een nieuwe afspraak bij [bedrijf 1] gemaakt kon worden voor een intake. Op 21 december 2016 heeft de gemachtigde van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] nog twee keer per e-mail aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] verzocht van haar te mogen vernemen of [bedrijf 1] een afspraak kon maken voor de intake.

2.24.

Op 21 december 2016, de dag waarop zij weer werd verwacht op kantoor van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] , heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] om 8.45 uur per e-mail aan [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] , onder meer, het volgende laten weten:

“Hierbij wil ik aangeven dat ik een andere werkvloer heb kunnen realiseren. Hier zal ik vandaag dan ook licht administratief werk verrichten. De contactpersoon zal contact met jullie hieromtrent opnemen.”

2.25.

[verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] vervolgens direct per e-mail laten weten dat dit te kort dag was en heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] verzocht naar het kantoor van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] te komen. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

2.26.

Op 21 december 2016 werd [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] gebeld door de heer [B] van [bedrijf 2] , die aangaf dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] op dat moment bij [bedrijf 2] aan het werk was. Vervolgens heeft de gemachtigde van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] [bedrijf 2] bij e-mail van diezelfde middag gevraagd om afspraken te maken met betrekking tot de re-integratiewerkzaamheden. Ook heeft zij [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] per e-mail laten weten dat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] in beginsel akkoord was met het uitvoeren van de werkzaamheden bij [bedrijf 2] , op voorwaarde dat er goede afspraken gemaakt zouden worden. Op 22 december 2016 heeft de heer [C] van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] [bedrijf 2] ook gemaild om te vragen om afspraken te maken.

2.27.

Op 23 december 2016 heeft [bedrijf 2] [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] per e-mail als volgt bericht:

“(…)

Mijn excuus maar door tijdsgebrek was ik gisteren niet in staat u te schrijven.

Betreffende Mw [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] kan ik heel duidelijk zijn. Mw [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] behoort tot mijn kennissenkring en uit hoofde daarvan wil ik haar waar mogelijk ondersteunen. Ik heb haar duidelijk gemaakt, en hierbij ook u, dat ik noch [bedrijf 2] op een structurele basis werk voor haar hebben. [bedrijf 2] neemt in een traject van een tweede spoor dan ook geen enkele verantwoordelijkheid, hetzij in de vorm van een tijdelijk, beperkt, parttime of anderszins een dienstverband. Aangezien wij wat licht administratief werk hebben liggen waar wij niet aan toekomen is het mogelijk dat zij dit werk, met uw goedvinden, bij ons op arbeidstherapeutische basis verricht.

Op geen enkele manier neemt [bedrijf 2] verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor het proces tussen u en uw werknemer. Waar nodig kan zij bij ons terecht als dit haar re-integratie ondersteund maar zonder enige verplichting voor ons. Ik hoor graag van u hoe u dit ziet.”

2.28.

Bij e-mailbericht van 23 december 2016 heeft de gemachtigde van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] bericht, kort gezegd, niets meer van haar te hebben vernomen over het maken van een afspraak voor een intake bij [bedrijf 1] en dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] aldus haar verplichting om mee te werken aan haar re-integratie niet nakomt.

2.29.

Bij e-mailbericht van 23 december 2016 heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] in reactie op de laatstgenoemde e-mail van de gemachtigde van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] , kort gezegd, bericht dat zij niet heeft gereageerd omdat zij uitgeput is na een uur gewerkt te hebben. Ook stelt zij in het toestemmingsformulier van [bedrijf 1] te hebben gezien dat er gegevens van haar behandelaren moeten worden ingevuld. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] laat weten dat zij om die reden in overleg is met haar behandelaren.

2.30.

Op 21 december 2016 is aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] een kort geding dagvaarding betekend waarin [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] door [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] wordt opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 30 december 2016. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] vordert, kort gezegd, het niet betaalde loon vanaf 26 augustus 2016 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig beëindigd zal zijn. In het kort geding vonnis van 16 januari 2017 is de loonvordering van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] afgewezen.

2.31.

Op 25 en 27 januari en op 1 en 3 februari 2017 heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] op kantoor van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] re-integratiewerkzaamheden uitgevoerd. Op 9 februari 2017 is een gesprek voor [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] gepland bij [bedrijf 1] .

3 Het verzoek van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken]

3.1.

verzoekt, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, de arbeidsovereenkomst met [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e en subsidiair in verbinding met onderdeel g, zonder rekening te houden met enige opzegtermijn en zonder een transitievergoeding op te leggen.

3.2.

[verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft aan haar verzoek, samengevat, het navolgende ten grondslag gelegd. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft zich niet als goed werknemer gedragen door zich niet aan de verplichtingen te houden die zij jegens [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft. Zij heeft haar arbeidsrelatie bij herhaling op het spel gezet. Omdat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] arbeidsongeschikt is, is [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] geduldig met [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] geweest, heeft zij haar telkens op haar verplichtingen aangesproken en heeft zij [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] kansen gegeven. Dit heeft echter niet tot een structurele verbetering van haar gedrag geleid. Primair is sprake van een zodanig verwijtbaar handelen en subsidiair van een verstoorde arbeidsverhouding, van dien aard dat in redelijkheid van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] niet verwacht kan worden het dienstverband nog langer te laten voortduren. Het verzoek is niet ingediend vanwege de arbeidsongeschiktheid van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , maar vanwege haar gedrag. Het verzoek houdt derhalve geen verband met enig opzegverbod. Door de opstelling van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] is het voor [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] niet mogelijk een deskundigenoordeel te overgeleggen.

4 Het verweer en de nevenverzoeken

4.1.

[verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] verweert zich tegen het verzoek van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] . [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft primair verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen en subsidiair de arbeidsovereenkomst te ontbinden met toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2.

Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen noch een onomkeerbare breuk in de arbeidsrelatie. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft haar re-integratieverplichtingen niet geschonden, danwel is de schending niet voldoende ernstig voor een ontbinding en kan haar dat niet verweten worden. Het is juist [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] die haar re-integratieverplichtingen vanaf het eerste moment niet goed is nagekomen. Dat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] geen deskundigenoordeel heeft, kan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] niet verweten worden. Alleen al omdat het deskundigenoordeel ontbreekt, dient het ontbindingsverzoek te worden afgewezen.

4.3.

Verder verzoekt [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] te veroordelen tot betaling aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] van het achterstallige loon per 8 september 2016, vermeerderd met de vakantiebijslag en overige emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd,

  2. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] te veroordelen tot het verstrekken van deugdelijke loonspecificaties aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag;

  3. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.4.

[verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] het loon per
8 september 2016 in zijn geheel heeft gestaakt. De loonstaking is onredelijk. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft haar re-integratieverplichtingen geschonden door het tweede spoor niet in te zetten nu er bij haar geen passende werkzaamheden waren. Tot 4 oktober 2016 werd het ziekengeld door het UWV aan [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] betaald. Vanaf 4 oktober 2016 betaalt het UWV dat geld rechtstreeks aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] . UWV heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] gekort op haar uitkering wegens het schenden van haar re-integratieverplichtingen. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Over de periode 8 september 2016 tot 4 oktober 2016 dient [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] het volledige bedrag aan ziekengeld van € 700,00 te voldoen, vermeerderd met de aanvulling tot het minimumloon van € 222,32. Vanaf 4 oktober 2016 tot 30 november 2016 dient [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] een bedrag van € 222,32 bruto per maand te voldoen.

4.5.

[verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft als verweer aangevoerd dat ondanks een kort geding vonnis [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] volhardt in haar weigering mee te werken aan een onderzoek door [bedrijf 1] . Pas op 31 januari 2017 heeft [bedrijf 1] het volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsformulier van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] ontvangen. Dat zou betekenen dat pas vanaf
31 januari 2017 weer recht zou zijn op uitbetaling van loon. Omdat alleen in de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid het loon aangevuld dient te worden tot het minimum loon en dit recht op 30 november 2016 is verstreken, heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] ten aanzien van de aanvulling geen verplichtingen meer jegens [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] . Het UWV heeft de loonsanctie op verzoek van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] overgenomen. Volgens [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft zij op 19 december 2016 aan het UWV gemeld dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] weer voldoet aan de op haar rustende re-integratieverplichtingen.

5
5. De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden, welke opzegtermijn daarbij geldt en of [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] recht heeft op een transitievergoeding en/of een billijke vergoeding.

5.2.

[verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] is ongeschikt tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zodat sprake is van een opzegverbod. Dit opzegverbod staat gezien het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 BW echter niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het verzoek gebaseerd is op verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (e-grond), dan wel een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Deze gronden staan los van de ongeschiktheid wegens ziekte.

5.3.

Artikel 7:671b lid 5 aanhef en sub b BW bepaalt dat het verzoek om ontbinding dat is gegrond op artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW in verband met het zonder deugdelijke grond door de werknemer niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 7:660a BW (de re-integratieverplichtingen), moet worden afgewezen, indien de werkgever niet beschikt over een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW, tenzij het overleggen van deze verklaring in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd.

De parlementaire geschiedenis zegt hierover het volgende: “In het vijfde lid wordt als eis gesteld dat de werkgever de werknemer eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW, of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt, alsmede dat de werkgever in een dergelijk geval dient te beschikken over een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW.” (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 107) en: “Ten slotte wordt voorgesteld aan artikel 7:671b, vijfde lid, onderdeel b, toe te voegen dat het overleggen van een deskundigenoordeel niet van de werkgever wordt verlangd, als dit in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het niet mogelijk is om snel een dergelijke verklaring te verkrijgen doordat de werknemer zich onbereikbaar houdt en aldus daaraan geen medewerking verleent. Dit zal mede in het licht van de omstandigheden van het geval moeten worden afgewogen. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 7:629a, tweede lid.” (Kamerstukken II 2014/15, 33988, 3, p. 12).

5.4.

De gedragingen welke [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] worden verweten zien op het zonder deugdelijke grond niet nakomen van de re-integratieverplichting als bedoeld in artikel 7:660a BW. Gelet op artikel 7:671b lid 5 aanhef en onder sub b BW dient [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] dus een deskundigenverklaring over te leggen, tenzij het overleggen van deze verklaring in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd.

5.5.

[verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft geen deskundigenoordeel in het geding gebracht. Volgens [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] kan dit in redelijkheid ook niet van haar gevergd worden. Daartoe heeft zij in haar verzoekschrift, onder verwijzing naar de e-mail van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] van 23 december 2016, gesteld dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] geen toestemming gaf voor het opnieuw maken van een afspraak voor de intake in het kader van de second opinion en zich ook onbereikbaar hield om dit aan haar te vragen. Op de zitting heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] toegelicht dat zij hiermee de intake en second opinion van [bedrijf 1] bedoelde. Volgens haar heeft de houding van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] ertoe geleid dat zij geen deskundigenoordeel heeft ontvangen van [bedrijf 1] . Gelet op het oordeel van de bedrijfsarts van 13 december 2016 zou met het onderzoek van [bedrijf 1] de medische problematiek en de belastbaarheid van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] in kaart moeten worden gebracht, zodat vastgesteld zou kunnen worden of [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] benutbare arbeidsmogelijkheden heeft. Het door [bedrijf 1] te geven oordeel is derhalve geen deskundigenoordeel in de zin van artikel 7:671b lid 5 sub b in verbinding met artikel 7:629a BW, omdat daarin niet wordt ingegaan op de vraag of [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] haar re-integratieverplichtingen al dan niet nakomt. Dit oordeel is ook niet aan [bedrijf 1] voorbehouden, maar aan een deskundige benoemd door het UWV en genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft nog betoogd dat de verzekeringsarts van het UWV niet de mogelijkheden heeft om de problematiek van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] te beoordelen, maar dat is – zoals blijkt uit het voorgaande - ook niet wat het deskundigenoordeel door UWV behelst. Verder heeft [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] gesteld dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] zich onbereikbaar hield voor een second opinion, maar dit kan haar niet baten nu gebleken is dat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] niet is opgeroepen voor een deskundigenoordeel bij het UWV en [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] bovendien gemotiveerd betwist heeft dat zij zich onbereikbaar hield.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] ten onrechte geen verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW overgelegd heeft. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 5 sub b BW, dient het verzoek van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond reeds hierom te worden afgewezen.

5.7.

[verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft subsidiair verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] te ontbinden op de g-grond. Volgens [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] is de arbeidsrelatie met [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] ernstig en duurzaam verstoord.

5.8.

[verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft aan haar verzoek tot ontbinding op de g-grond dezelfde feiten ten grondslag gelegd die zij ook aan haar verzoek tot ontbinding op de e-grond ten grondslag heeft gelegd. Alle verwijten zijn terug te voeren op, of hangen nauw samen met het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen door [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , hetgeen [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft betwist. De kantonrechter is van oordeel dat het een ontoelaatbare doorkruising zou opleveren van het bepaalde in artikel 7:671b lid 5 BW om in deze omstandigheden wel te ontbinden op de g-grond. De strekking van artikel 7:671b lid 5 BW en de waarborg van een deskundigenoordeel, zouden hiermee immers tenietgedaan worden. De kantonrechter wijst er in dit verband nog op dat blijkens de wetsgeschiedenis het voorschrift van artikel 7:629a BW dat een deskundigenverklaring wordt overgelegd, vooral is bedoeld om de rechtspositie van de werknemer te verbeteren (zie Kamerstukken II 1995/96, 24439,3, p. 24 en ECLI:NL:GHSHE:2016:3994).

5.9.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] zal afwijzen. Derhalve wordt niet toegekomen aan de voorwaardelijke zelfstandige tegenverzoeken van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] .

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] , omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

de nevenverzoeken

5.11.

Ter zitting heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] aangegeven dat haar vordering tot betaling van loon ziet op het loon van 8 september 2016 tot 4 oktober 2016 van € 825,24 in totaal en de aanvulling tot het minimumloon vanaf 8 september 2016 tot 30 november 2016 van € 222,32 per maand, omdat op 30 november 2016 het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid is verstreken en het recht tot aanvulling van het loon alsdan eveneens is verstreken.

5.12.

[verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft vanaf 8 september 2016 de loonbetaling stopgezet nadat zij eerst de loonbetalingen heeft opgeschort. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft het loon stopgezet omdat [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] volgens haar heeft geweigerd mee te werken aan haar re-integratie.

5.13.

In het door [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] aangevraagde deskundigenoordeel van 8 november 2016 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] niet voldoende zijn geweest omdat werknemer niet tijdig (na 17-08-16) een deskundigenoordeel heeft aangevraagd betreffende de vraag of het aangeboden aangepaste werk wel of niet passend was.

5.14.

De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat er benutbare mogelijkheden waren, welk oordeel niet gedeeld werd door [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] . In dat geval dient [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] een deskundigenoordeel aan te vragen. Blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige heeft de werkgever [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] ook geadviseerd om een deskundigenoordeel aan te vragen. [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] heeft eerst op 4 oktober 2016 een deskundigenoordeel aangevraagd. Tot op dat moment heeft [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen en is niet vast te stellen of [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] zich al dan niet terecht op het standpunt stelde dat zij geen arbeid kon verrichten. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] tot 4 oktober 2016 de loonbetaling terecht heeft gestaakt. De loonvordering tot 4 oktober 2016 komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

5.15.

Nu [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] op 4 oktober 2016 een deskundigenoordeel heeft aangevraagd, is [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] vanaf die datum het loon weer verschuldigd. Vanaf 4 oktober 2016 is de betaling van het ziektegeld overgenomen door het UWV. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] dient over het eerste ziektejaar het ziektegeld aan te vullen tot het minimumloon. De vordering van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] , voor zover deze ziet op de aanvulling van het minimumloon van € 222,32 per maand, komt over de periode van 4 oktober 2016 tot 30 november 2016 dan ook voor toewijzing in aanmerking.

De gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW wordt gematigd tot 10%, hetgeen de kantonrechter billijk acht.

5.16.

Nu [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] nog recht heeft op loonbetalingen, dient [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] daarvoor loonspecificaties te verstrekken. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] zal daartoe dan ook worden veroordeeld. [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] heeft toegezegd indien zij daartoe wordt veroordeeld, de loonspecificaties te zullen verstrekken. De kantonrechter gaat ervan uit dat [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] die veroordeling zal nakomen, zodat er geen aanleiding is een dwangsom toe te kennen.

5.17.

Nu partijen ten aanzien van de nevenverzoeken over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

wijst het verzoek af;

6.2.

veroordeelt [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] tot en met vandaag vaststelt op € 600,- voor salaris gemachtigde.

inzake de nevenverzoeken

6.3.

veroordeelt [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] ter zake van het achterstallig loon tot betaling van de aanvulling tot het minimumloon van € 222,32 per maand over de periode van 4 oktober 2016 tot 30 november 2016, zulks vermeerderd met de vakantietoeslag en overige emolumenten en met de wettelijke verhoging van 10%, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag van de gehele betaling

6.4.

veroordeelt [verzoekster / verweerster in de nevenverzoeken] om aan [verweerster / verzoekster in de nevenverzoeken] deugdelijke loonspecificaties te verstrekken;

6.5.

de proceskosten worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

inzake het verzoek als inzake het tegenverzoek en de nevenverzoeken

6.6.

verklaart de veroordelingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017.