Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:838

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
UTR 16/3604
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Spoedeisende bestuursdwang. Verweerder mocht, gelet op de ernst en omvang van de situatie, overgaan tot het toepassen van bestuursdwang zonder begunstigingstermijn. Anders dan eiseres stelt kleven er geen gebreken aan de machtigingen tot binnentreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/3604

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Abdelkader),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Erdogan).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder zijn beslissing om op 11 februari 2016 jegens eiseres spoedeisende bestuursdwang toe te passen in de woning en bijbehorende berging aan de [adres] te [woonplaats] aan eiseres kenbaar gemaakt. Daarbij heeft verweerder gemeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang op eiseres zullen worden verhaald.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Op 26 juli 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen een beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 18 augustus 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 augustus 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder gereageerd op de ingebrekestelling van eiseres.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Eiseres heeft het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar gehandhaafd en aanvullende gronden ingediend tegen het bestreden besluit II.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2016. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Tijdigheid van de beslissing op bezwaar

1. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten. Op 22 maart 2016 heeft eiseres pro forma bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 10 februari 2016. Verweerder heeft eiseres bij brief van 5 april 2016 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de gronden van het bezwaarschrift aan te vullen. In deze brief heeft verweerder tevens de beslistermijn met zes weken verdaagd. Op 17 juni 2016 heeft eiseres aanvullende gronden van bezwaar ingediend. Vervolgens heeft eiseres verweerder op 28 juni 2016 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Verweerder heeft op

18 augustus 2016 alsnog op het bezwaarschrift van eiseres beslist.

2. Eiseres voert aan dat verweerder niet tijdig op haar bezwaarschrift heeft beslist. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt eiseres dat zij de brief van verweerder van

5 april 2016 niet heeft ontvangen. Verder heeft verweerder volgens eiseres verzuimd om binnen twee weken na de ingebrekestelling van 28 juni 2016 alsnog op haar bezwaarschrift te beslissen. Eiseres verzoekt de rechtbank daarom om de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel tijdig op het bezwaar van eiseres heeft beslist. De brief van 5 april 2016 is weliswaar niet aangetekend verzonden, maar wel voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum. Verder heeft verweerder een print overgelegd van het postregistratiesysteem MyCorsa. Hieruit blijkt volgens verweerder dat de verzenddatum op de brief van 5 april 2016 overeenkomt met de datum zoals is vermeld in het postregistratiesysteem. Verweerder stelt tot slot dat in de periode hier van belang niet is gebleken van problemen bij de verzending van poststukken.

4. De beslistermijn van het bestuursorgaan is in dit geval, op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:7 van de Awb zes weken en vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

De beslistermijn kan ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Awb door het bestuursorgaan ten hoogste met zes weken worden verdaagd en wordt, op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Verder volgt uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:

  1. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

  2. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

5. De rechtbank overweegt dat, in geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zoals de uitspraak van 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617.

6. De rechtbank stelt vast dat op de brief van 5 april 2016 van verweerder het juiste adres van de toenmalige gemachtigde van eiseres staat vermeld en dat de brief is voorzien van een verzenddatum, namelijk 5 april 2016. Ter zitting heeft verweerder een toelichting gegeven op de print uit het postregistratiesysteem MyCorsa. Tevens stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken van problemen met de verzending van poststukken in de periode hier van belang. De rechtbank acht daarmee voldoende aannemelijk dat de brief van 5 april 2016 door verweerder is verzonden. Eiseres heeft geen feiten gesteld op grond waarvan de ontvangst van die brief door eiseres redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Nu de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat de brief van 5 april 2016 door verweerder is verzonden, stelt de rechtbank vast dat eiseres ook de schriftelijke mededeling van verweerder heeft ontvangen dat de beslistermijn met zes weken is verdaagd. Verweerder beschikte daarom over een beslistermijn van twaalf weken. Met de brief van 5 april 2016 heeft verweerder aan eiseres tevens een termijn van twee weken geboden om de gronden van haar bezwaarschrift in te dienen, zodat de beslistermijn van verweerder met inachtneming van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb gedurende deze periode is opgeschort.

7. Gelet op het voorgaande is de beslistermijn van verweerder aangevangen op

25 maart 2016 en opgeschort in de periode van 6 april 2016 tot en met 19 april 2016. Met inachtneming van de beslistermijn van verweerder van twaalf weken diende verweerder uiterlijk op 30 juni 2016 een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiseres. De brief van 28 juni 2016, waarmee eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld, is dus verzonden voordat de beslistermijn van verweerder is verstreken zodat deze brief niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu geen sprake is van een ingebrekestelling is het beroep van eiseres, gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, naar het oordeel van de rechtbank voortijdig ingediend.

8. Het beroep van eiseres gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar is niet-ontvankelijk. Voor het toekennen van een dwangsom bestaat geen aanleiding.

Toepassen spoedeisende bestuursdwang

9. De rechtbank gaat voor haar beoordeling uit van de volgende feiten. Naar aanleiding van een melding van omwonenden heeft de politie op 18 december 2015 een bezoek gebracht aan de woning van eiseres. De politie heeft de woning van eiseres daarbij niet betreden. Het bezoek aan de woning van eiseres was aanleiding voor de politie om de afdeling [afdeling] van de gemeente Utrecht in te lichten over de situatie omtrent de woning van eiseres. Op 12 januari 2016, 26 januari 2016 en 1 februari 2016 is door een medewerker van de afdeling [afdeling] een afspraak gemaakt met eiseres om met haar in gesprek te gaan en de situatie in de woning te bekijken. De gemaakte afspraken zijn door eiseres afgezegd of de deur werd door eiseres niet geopend. Om de situatie in de woning van eiseres te kunnen beoordelen is door de burgemeester op 10 februari 2016 een machtiging afgegeven tot binnentreden in de woning van eiseres. Op 10 februari 2016 is verweerder binnengetreden in de woning van eiseres. Dat heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ beschreven besluitvorming.

10. Het bestreden besluit gaat over het toepassen van spoedeisende bestuursdwang door verweerder wegens een overtreding op grond van artikel 1a, eerste en tweede lid, van de Woningwet en artikel 1b, derde lid, van de Woningwet. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op het feit dat door toezichthouders tijdens de inspectie op 10 februari 2016 is geconstateerd dat de woning en bijbehorende berging van eiseres ernstig vervuild zijn en dat sprake is van een zeer onhygiënische en brandgevaarlijke situatie die niet langer kan voortduren. Verweerder heeft de kosten voor het toepassen van bestuursdwang van
€ 3.244,09 op eiseres verhaald.

11. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank is van oordeel, dat sprake is van een overtreding in de zin van artikel 1a, eerste en tweede lid, van de Woningwet en artikel 1b, derde lid, van de Woningwet. Ook is tussen partijen niet in geschil dat in onderhavig geval geen sprake is van concreet zicht op legalisatie en dat het toepassen van bestuursdwang niet onevenredig is in verhouding tot het doel, waardoor verweerder op grond van zijn beginselplicht tot handhaving is gehouden om over te gaan tot het toepassen van bestuursdwang.

12. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast. Volgens eiseres was er geen sprake van een spoedeisende situatie. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt eiseres dat verweerder al sinds 18 december 2015 op de hoogte was van de situatie in haar woning. Op deze datum is er een politieagent langs geweest bij de woning van eiseres die het raampje in de deur heeft doorgedrukt en vervolgens naar binnen heeft gekeken. Deze handeling is volgens eiseres toe te rekenen aan verweerder. Desondanks heeft verweerder nagelaten om reeds toen handhavend op te treden waardoor van een spoedeisende situatie op 11 februari 2016 geen sprake was, aldus eiseres. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar de uitspraken van de ABRvS van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1873, en 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1440.

13. Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie inhoudende:

  1. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

  2. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Uit artikel 125 van de Gemeentewet volgt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

14.1

De rechtbank stelt vast dat twee politieagenten van verweerder naar aanleiding van een melding van omwonenden op 18 december 2015 bij de woning van eiseres hebben aangebeld. Omdat eiseres de deur niet open deed hebben de agenten door een raampje bij de voordeur naar binnen gekeken. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het desbetreffende raam slechts één meter zicht in de gang van de woning verschaft. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder op 12 januari 2016, 26 januari 2016 en 1 februari 2016 een afspraak heeft gemaakt met eiseres om met haar in gesprek te gaan en om de woning van binnen te bekijken. Deze afspraken zijn door eiseres afgezegd of door eiseres werd de deur niet geopend.

14.2

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder tot

10 februari 2016 slechts een vermoeden had van de situatie in de woning van eiseres nu de woning van eiseres in de periode van 18 december 2015 tot 10 februari 2016 door verweerder niet is betreden. Eerst op 10 februari 2016, toen de woning van eiseres wel door verweerder is betreden, werd de daadwerkelijke volle omvang van de situatie voor verweerder duidelijk. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de politieagenten op
18 december 2015 het raampje in de deur hebben doorgedrukt, laat staan dat zij de situatie in de woning ten volle hebben kunnen beoordelen. Het standpunt van eiseres dat van spoedeisendheid geen sprake is nu verweerder al sinds 18 december 2015 op de hoogte was van de situatie in de woning maar daartegen niet is opgetreden, volgt de rechtbank dus niet. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de ABRvS van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1440. Gelet op het voorgaande en gelet op de ernst en de omvang van de situatie in de woning van eiseres, zoals blijkt uit de door verweerder overgelegde foto’s, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een spoedeisende situatie waardoor verweerder mocht overgaan tot het toepassen van bestuursdwang zonder begunstigingstermijn. De beroepsgrond slaagt niet.

15. Eiseres voert aan dat er gebreken kleven aan de door verweerder afgegeven machtigingen in het kader van het binnentreden in haar woning en het toepassen van bestuursdwang.

16. Ingevolge artikel 5:27, tweede lid, van de Awb is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi).

Ingevolgde artikel 3, tweede lid, van de Awbi is de burgemeester bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning gelegen binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan strafvordering. Artikel 6 van de Awbi vermeldt welke vormvereisten er aan de inhoud van een machtiging worden gesteld.

Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Awbi kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich door anderen doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.

17. Ten aanzien van de machtiging van 10 februari 2016 voert eiseres aan dat toezichthouders op 10 februari 2016 ten onrechte zijn gestart met het toepassen van bestuursdwang. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat eiseres op

10 februari 2016 haar spullen op de bodem van een container heeft aangetroffen. De machtiging van 10 februari 2016 is afgegeven door de burgemeester zodat de toezichthouders op 10 februari 2016 uitsluitend tot toezichthouden en niet tot het toepassen van bestuursdwang bevoegd waren, aldus eiseres.

18. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van binnentreden op 10 februari 2016, opgesteld op 12 april 2016, niet blijkt dat verweerder op 10 februari 2016 is gestart met het toepassen van bestuursdwang. Ook uit de last van 10 februari 2016 volgt dat verweerder pas op 11 februari 2016 is gestart met het toepassen van bestuursdwang. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, als voorbeeld wordt genoemd de uitspraak van

29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8597, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Eiseres heeft, anders dan door haar eigen verklaring, niet aannemelijk gemaakt dat verweerder op 10 februari 2016 is gestart met het toepassen van bestuursdwang. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op grond van het proces-verbaal van

12 april 2016 is komen vast te staan dat verweerder op 10 februari 2016 nog geen bestuursdwang heeft toegepast. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de op 10 februari 2016 door de burgemeester afgegeven machtiging.

19. Ten aanzien van de machtigingen van 11 februari 2016 en 15 februari 2016 voert eiseres aan dat verweerder daarop met pen wijzigingen heeft aangebracht hetgeen niet getuigd van een behoorlijk handelend bestuursorgaan. Bovendien zorgen deze wijzigingen er volgens eiseres voor dat verweerder niet kan aantonen of de correctie voor of na ondertekening door het bevoegd gezag heeft plaatsgevonden.

20. De rechtbank stelt vast dat in de machtigingen van 11 februari 2016 en 15 februari 2016 een verwijzing is opgenomen naar een bestuursdwangbesluit van 10 juli 2016, waarbij de maand juli met pen is doorgestreept en is gewijzigd naar februari. Dat op de machtigingen van 11 februari 2016 en 15 februari 2016 wijzigingen met pen zijn aangebracht maakt de machtigingen naar het oordeel van de rechtbank niet ongeldig. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat het een kennelijke verschrijving betreft. Bovendien is ook voor eiseres kenbaar dat het bestuursdwangbesluit, waarnaar verweerder in de machtigingen verwijst, de dagtekening 10 februari 2016 heeft in plaats van 10 juli 2016. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich heeft opgesteld als een onbehoorlijk handelend bestuursorgaan.

21. Eiseres voert aan dat mevrouw [A] (medewerker [afdeling] ) en mevrouw [B] (politie Utrecht) in de machtigingen van 11 februari 2016 en 15 februari 2016 niet specifiek gemachtigd zijn tot binnentreden in haar woning. Mevrouw [A] en mevrouw [B] zijn dus onbevoegd binnengetreden in haar woning. Er was ook helemaal geen reden voor deze personen om de woning te betreden.

22. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Awbi kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich door anderen kan doen vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs is vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Uit dit artikel volgt dat verweerder een eigen beoordeling mag maken van het nut en de noodzaak om een toezichthouder bij het betreden van plaatsen te laten vergezellen door anderen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij het noodzakelijk vond dat mevrouw [A] van de afdeling [afdeling] bij het binnentreden aanwezig was omdat zij vanuit haar expertise de woonvertrekken kan beoordelen en kan vaststellen in hoeverre de hygiëne en [afdeling] in het geding zijn. Ten aanzien van de aanwezigheid van mevrouw [B] van de politie Utrecht heeft verweerder ter zitting toegelicht dat eiseres op de voicemail van mevrouw [A] heeft ingesproken dat zij niet voornemens was om mee te werken aan de inspectie op 10 februari 2016. Verweerder achtte de aanwezigheid van mevrouw [B] om die reden noodzakelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende toegelicht waarom mevrouw [A] en mevrouw [B] de toezichthouder hebben vergezeld en heeft verweerder in redelijkheid tot deze beslissing kunnen komen.

23. De beroepsgronden gericht tegen de door verweerder afgegeven machtigingen slagen niet. Ter zitting heeft eiseres de beroepsgrond dat verweerder op 19 februari 2016 onbevoegd is binnengetreden en onbevoegd is overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang omdat de machtiging van 15 februari 2016 uitsluitend van kracht was tot en met 18 februari 2016, ingetrokken. De rechtbank gaat dan ook niet over tot beoordeling van deze beroepsgrond van eiseres.

24. Eiseres voert verder aan dat het optreden van verweerder bij het binnentreden in haar woning in strijd is met de proportionaliteit en subsidiariteit. Verweerder heeft zich, na drie keer zachtjes kloppen, toegang verschaft tot de woning van eiseres door de voordeur open te breken met een breekijzer en een houten balk. Verweerder had er volgens eiseres voor moeten kiezen om eerst minder verstrekkende maatregelen toe te passen zoals harder kloppen en roepen alvorens over te gaan tot toepassing van het meest verstrekkende alternatief.

25. De rechtbank stelt op basis van het proces-verbaal vast dat verweerder heeft aangebeld en heeft geklopt en gebonkt op de deur van de woning van eiseres alvorens aan de timmerman opdracht is gegeven om het cilinderslot uit te trekken. Vervolgens heeft verweerder de deur met een balk en koevoet verder geopend. Toezichthouder [C] , die op 10 februari 2016 bij het binnentreden van de woning aanwezig was, heeft een en ander ter zitting bevestigd. Ten aanzien van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover is overwogen in rechtsoverweging 18 van deze uitspraak. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij het binnentreden in de woning in strijd heeft gehandeld met de proportionaliteit en subsidiariteit. De beroepsgrond slaagt niet.

26. Eiseres voert verder aan dat de grondslag voor kostenverhaal voor het toepassen van bestuursdwang ontbreekt nu er gebreken kleven aan de machtigingen die door verweerder zijn afgegeven voor het binnentreden en toepassen van bestuursdwang. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de uitspraak van de ABRvS van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1440. Eiseres voert verder aan dat haar niets kan worden verweten, omdat zij lijdt aan Spaanse griep en migraine. Bovendien is eiseres geadviseerd om haar woning met liefde en respect op te ruimen, zodat zij wordt geholpen in plaats van wordt uitgeput. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres hier nog aan toegevoegd dat het verhalen van de kosten van bestuursdwang eiseres alleen maar verder de afgrond in helpt.

27. Uit artikel 5:25 van de Awb volgt dat het toepassen van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen. De rechtbank overweegt dat hiervan sprake is indien de overtreder geen verwijt kan worden gemaakt en indien het algemeen belang in grote mate betrokken is bij de ongedaanmaking van de overtreding. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van kostenverhaal. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van

21 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2988.

28. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder van kostenverhaal moet afzien. Zoals is overwogen in rechtsoverwegingen 18, 20 en 22 van deze uitspraak kleven er anders dan eiseres stelt geen gebreken aan de machtigingen. Ook de overige door eiseres genoemde omstandigheden, zoals dat eisers lijdt aan migraine, aan de Spaanse griep, dat zij problemen heeft met het leefbaar houden van haar woning en haar gestelde maar niet onderbouwde slechte financiële situatie, vormen naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden op basis waarvan verweerder van kostenverhaal moet afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

29. Het beroep van eiseres gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en tegen bestreden besluit II is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiseres gericht tegen bestreden besluit I is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.