Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:791

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
5568623 AE VERZ 16-141 LH/1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek van werknemer in de zin van artikel 7:671c BW. Werknemer baseert haar verzoek om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding op klachten over re-integratie-inspanningen van werkgever. Toewijzing van verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar afwijzing van de verzochte vergoedingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0185
AR 2017/933

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 5568623 AE VERZ 16-141 LH/1040

Beschikking van 15 februari 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.A. Noordam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. G.J. Bilderbeek.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoekster] , ter griffie ingekomen op 7 december 2016;

- het verweerschrift van [verweerster] ;

- de nadere producties van de zijde van [verzoekster] , genummerd 27 tot en met 36.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Partijen hebben daar de standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van de door hun gemachtigden overgelegde pleitaantekeningen. Partijen hebben geantwoord op vragen van de kantonrechter en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3.

Daarna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [1968] , is sinds 24 mei 1994 in dienst van [verweerster] . De arbeidsovereenkomst geldt inmiddels als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. [verzoekster] heeft laatstelijk de functie van chef de bureau vervuld, tegen een bruto maandloon van € 5.505,88 (exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten). Zij heeft altijd naar volle tevredenheid van [verweerster] gefunctioneerd en haar relatie met de heer [A] , directeur van [verweerster] , was lang heel goed.

2.2.

[verweerster] heeft ten behoeve van [verzoekster] een WGA-hiaatverzekering afgesloten. Deze verzekering keert bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid uit in het geval [verzoekster] haar restverdiencapaciteit niet zou kunnen benutten.

2.3.

Op 25 juli 2012 is [verzoekster] uitgevallen, nadat bij haar borstkanker was vastgesteld. Daarop is een periode van ingrijpende medische behandelingen gevolgd. Hierdoor was [verzoekster] geruime tijd niet tot werken in staat. Van 13 maart 2015 tot 4 november 2015 is zij ook psychologisch behandeld. Zij heeft zich inmiddels ook tot een psychiater gewend.

2.4.

Begin april 2014 heeft [verzoekster] , nog altijd herstellende, met energetische beperkingen en functioneel eenarmig (ze kan haar niet-dominante rechter arm niet gebruiken), bij het UWV om een deskundigenoordeel gevraagd. Zij was het niet eens met de functionele mogelijkhedenlijst die de bedrijfsarts op 26 maart 2014 had opgesteld en wilde ook weten of zij voldoende aan haar re-integratie meewerkte. Medio april 2014 heeft [verzoekster] , in overleg met en gefaciliteerd door [verweerster] , vanuit huis haar eigen werk, in aangepaste vorm en voor zes uren per week, hervat. Bij deskundigenoordeel van 24 april 2014 heeft het UWV deze arbeid in de opbouwfase als passend aangemerkt en geoordeeld dat [verzoekster] voldoende aan haar re-integratie meewerkte.

2.5.

In het kader van de beoordeling van haar WIA-aanvraag (de wachttijd eindigde op 23 juli 2014) heeft de arbeidsdeskundige van het UWV met [verzoekster] en met [verweerster] gesproken. [verzoekster] gaf te kennen dat zij voor een aantal uren per week voor [verweerster] wilde blijven werken, maar dat zij nog niet kon inschatten wat zij qua belastbaarheid aan zou kunnen en dat er nog verdere medische behandeling zou volgen. [verweerster] , eigen risicodrager voor de WIA, liet op 16 juni 2014 aan het UWV weten [verzoekster] voor een aantal uren per week in dienst te willen houden, maar eerst de WIA-beoordeling te zullen afwachten. Omdat de arbeidsdeskundige op dat moment geen verdiencapaciteit kon vaststellen maar de functionele mogelijkheden naar verwachting op lange termijn zouden toenemen, heeft het UWV met ingang van 23 juli 2014 aan [verzoekster] een WGA-uitkering toegekend, naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

2.6.

Partijen waren het er vanaf medio 2014 over eens dat re-integratie in het tweede spoor niet aan de orde was. Zij spraken af dat [verzoekster] in juli 2014 met vakantie zou gaan en dat zij daarna haar re-integratie in het eerdere passende werk zou hervatten.

2.7.

In juli 2014 heeft [verzoekster] zich tot de spoedeisende hulp van het ziekenhuis moeten wenden. Op 3 augustus 2014 is zij geopereerd. In verband hiermee werd met [verweerster] afgesproken dat zij, naar zich toen liet aanzien tot oktober/november 2014, de tijd zou nemen om hiervan te herstellen.

2.8.

Op 1 april 2015 hebben partijen weer met elkaar overlegd. [A] heeft in dat gesprek aangekondigd dat met het oog op de invoering van het nieuwe ontslagrecht per 1 juli 2015 een ontslagvergunning voor haar zou worden aangevraagd bij het UWV. In reactie daarop heeft [verzoekster] op 7 mei 2015 te kennen gegeven bereid te zijn akkoord te gaan met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, indien daaraan voor haar acceptabele voorwaarden, onder andere een beëindigingsvergoeding, zouden zijn verbonden.

2.9.

Op 2 juni 2015 heeft [verzoekster] , mede gelet op de aanstaande vakantieperiode, bij [A] geïnformeerd wanneer zij de concept vaststellingsovereenkomst tegemoet kon zien. Op 4 juni 2015 was er telefonisch contact. [A] had zich laten voorlichten over de komende wetswijziging per 1 juli 2015 en deelde aan [verzoekster] mee dat in elk geval een ontslagvergunning zou worden aangevraagd voor het geval partijen niet alsnog tot overeenstemming zouden komen.

2.10.

Op 9 juni 2015 heeft [verweerster] bij het UWV de ontslagvergunningsaanvraag ingediend. De aanvraag was gebaseerd op haar langdurige arbeidsongeschiktheid. Hierop heeft [verzoekster] bij de arbodienst haar verbazing geuit over deze door [verweerster] ingeslagen weg. Omdat zij zich verrast toonde en aangaf hierdoor de moed te hebben opgegeven nog bij [verweerster] te kunnen re-integreren, adviseerde de arbodienst aan [A] om ‘een goed gesprek’ met [verzoekster] te hebben. De arbodienst liet weten zo nodig te kunnen voorzien in een bemiddelaar of mediator.

2.11.

Op 12 juni 2015 hebben partijen afgesproken toch te proberen spoedig overeenstemming te bereiken over een beëindiging van hun arbeidsovereenkomst. Voor [verzoekster] speelde daarbij mee dat zij de voor eind juni 2015 geplande, voor haar belastende, herkeuring door de bedrijfsarts liefst wilde vermijden. [verweerster] heeft als beëindigingsdatum 1 augustus 2015 en een beëindigingsvergoeding van € 10.000,-- bruto voorgesteld. [verzoekster] heeft zich daarop tot haar gemachtigde gewend, die zich bij brief van 22 juni 2015 op het standpunt heeft gesteld dat [verzoekster] mogelijk binnen 26 weken in aangepast werk zou kunnen hervatten. Bij de brief zond de gemachtigde van [verzoekster] aan [verweerster] een concept vaststellingsovereenkomst, waarin als beëindigingsdatum 1 juli 2015 en als beëindigingsvergoeding € 52.523,-- bruto is vermeld. Dit bedrag was gebaseerd op de transitievergoeding overeenkomstig de op 1 juli 2015 in werking te treden Wet werk en zekerheid (Wwz). Over de hoogte van de beëindigingsvergoeding zijn partijen het niet eens geworden.

2.12.

Nadat het UWV in het kader van de ontslagprocedure bij [verweerster] nadere inlichtingen (onder meer over de medische prognose) had ingewonnen en [verweerster] het oordeel van de bedrijfsarts van 17 juni 2015 (‘De werknemer werkt niet, maar kan in de toekomst wel werken. (-) Mijn afweging is dat de belastbaarheid in vergelijking met de einde wachttijd beoordeling is toegenomen en de beperkingen zijn afgenomen’) had ingezonden, is [verzoekster] in de UWV-ontslagprocedure in de gelegenheid gesteld verweer te voeren. In het verweerschrift van 3 juli 2015 heeft haar gemachtigde, onder verwijzing naar het oordeel van de bedrijfsarts van 17 juni 2015, onder meer gesteld dat [verzoekster] binnen 26 weken zou kunnen worden herplaatst, hetgeen aan toewijzing van het verzoek van [verweerster] in de weg zou staan.

2.13.

Naar aanleiding van het door de afdeling Arbeidsjuridische Dienstverlening van het UWV bij de afdeling Sociaal Medische Zaken ingewonnen advies, inhoudende dat [verweerster] met het oordeel van de bedrijfsarts van 17 juni 2015 niet aannemelijk heeft gemaakt dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en evenmin dat herplaatsing niet mogelijk is, heeft [verweerster] besloten de ontslagvergunningsaanvraag in te trekken.

2.14.

Op het verwijt van de gemachtigde van [verzoekster] , dat [verweerster] niets van zich liet horen, heeft [A] bij e-mail van 18 september 2015 geantwoord dat medio augustus 2015 nog met haar was gesproken, maar dat op haar uitdrukkelijke verzoek in de vakantieperiode geen communicatie had plaatsgevonden en dat was afgesproken het overleg in september 2015 te hervatten. [A] verzocht in de e-mail [verzoekster] om contact op te nemen ‘zodra ze dit van belang acht. Voor mij is het nog steeds onduidelijk of en wanneer en hoe, (zij) weer werkzaamheden wil, kan en mag uitvoeren voor [verweerster] . Ik verwacht ook activiteiten van haar kant, om de situatie zo helder mogelijk en de dialoog op gang te houden.’ Bij e-mail van 7 oktober 2015 heeft [A] aan [verzoekster] verzocht om op de maandag erna met elkaar te spreken en erop aangedrongen geen gaten in de communicatie te laten vallen. De e-mail sloot af met: ‘Ik hoop dat je je weer wat beter voelt, want toen ik je maandag j.l. belde, klonk je behoorlijk ziek. Tot maandag en vriendelijke groet’.

2.15.

Bij e-mail van 8 oktober 2015 heeft de gemachtigde van [verzoekster] hierop geantwoord: ‘U heeft cliënte voorgesteld om maandag overleg te hebben over haar ziektesituatie en de betrokken instanties. De reden van uw verzoek kan cliënte gelet op uw ontslagaanvraag voor cliënte bij het UWV van juni 2015 niet plaatsen. Uiteraard voldoet ze aan haar verplichtingen vanuit de WGA, maar op het moment is ze volledig arbeidsongeschikt en van re-integratie zal eerst na enige tijd en nader onderzoek sprake kunnen zijn. Graag verneem ik binnen een week na heden wat u precies beoogt. Cliënte verkeert al te lang in onzekerheid.’

2.16.

In reactie op een e-mail van [verzoekster] eerder die dag, waarin zij [verweerster] verzocht om duidelijkheid, heeft [A] haar op 4 november 2015 gemaild: ‘Gisteren heb ik je gebeld met het verzoek om telefonisch contact op te nemen om bij te praten, maar vooral om wederom te overleggen wat jouw mogelijkheden zijn om werkzaamheden te hervatten. (-) Wij hebben de laatste maanden verschillende malen telefonisch overleg gevoerd, maar jij hebt mij geen duidelijkheid willen of kunnen geven wat jij zelf wil en kan gaan oppakken aan werkzaamheden. Wel heb je uitgesproken, dat je het liefst niet meer werkzaam wil zijn voor een werkgever maar bij voorkeur, binnen de beperktere mogelijkheden van je ziekte, als zelfstandige aan de slag zou willen gaan en daar ook een eventuele transitievergoeding voor zou willen aanwenden om op te starten.’ [A] schreef dat hij [verzoekster] ‘heel graag weer spoedig aan de slag (zou) hebben bij [verweerster] ’, dat zij zich zou kunnen bezighouden met ‘artikelbeheer, prijslijsten, publicaties enz.’, maar dat zij zelf moest aangeven ‘wanneer en wat voor soort werkzaamheden je zou kunnen oppakken’, want ‘jij weet beter dan wie ook wat je wel of niet aankan.’ [A] verzocht [verzoekster] om: ‘aan te geven of je in de (nabije) toekomst wel of geen werkzaamheden bij [verweerster] wil uitvoeren; wat voor soort werkzaamheden je onder welke werkomstandigheden zou kunnen gaan uitvoeren; welke stappen jij denkt dat er genomen kunnen of moeten worden om tot re-integratie te komen; om ook van jouw kant regelmatig contact met mij op te nemen om mij ( [verweerster] ) op de hoogte te houden van jouw situatie en vooruitzichten.’

2.17.

In antwoord op het rappel van 11 november 2015 antwoordde [verzoekster] bij e-mail van 12 november 2015 dat er nieuwe medische informatie beschikbaar was en zou komen die bij de bedrijfsarts nog niet bekend was en waarvan zij ‘vermoed(de) dat deze relevant is voor welke re-integratie dan ook.’ [verzoekster] liet weten dat het recente overlijden van een familielid aan kanker haar erg had aangegrepen en dat zij een afspraak met de bedrijfsarts zou maken.

2.18.

Bij e-mail van 13 november 2015 deelde de gemachtigde van [verzoekster] aan de toenmalige gemachtigde van [verweerster] mee dat ‘(i)nmiddels (-) haar gezondheidstoestand zodanig (is) dat er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, wat reden kan zijn om de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. (-) Cliënte is evenwel bereid tot overleg over een regeling in der minne, maar neemt geen genoegen met de eerder geboden € 10.000,-.’ Hierop reageerde de gemachtigde van [verweerster] bij brief van 19 november 2015 met onder meer de mededeling dat [verweerster] bereid is [verzoekster] , binnen de benutbare mogelijkheden, in dienst te houden, maar dat zij ( [verzoekster] ) die mogelijkheid niet nader wil onderzoeken.

2.19.

Op 30 november 2015 bezocht [verzoekster] het spreekuur van de bedrijfsarts, die concludeerde dat sprake is van ‘min of meer gelijkwaardige beperkingen en arbeidsmogelijkheden’, dat er ‘mogelijkheden in passende werkzaamheden’ zijn, maar dat er een nieuw aspect is, te weten ‘een arbeidsconflict tussen werkgever en werknemer’. Verder: ‘Er zijn nog behandelmogelijkheden. Deze behandelmogelijkheden zullen afgewacht dienen te werden.’ Diezelfde dag mailde [verzoekster] aan [A] dat zij in december 2015 weer een medische ingreep moest ondergaan en dat zij betrokken is bij de zorg om haar zieke neef die bestraald moet worden.

2.20.

Begin december 2015 hebben [verzoekster] en [A] met elkaar gesproken. Naar aanleiding daarvan stemde [A] op 11 december 2015 in met mediation, waar [verzoekster] vanwege het door haar gepercipieerde arbeidsconflict op had aangedrongen.

2.21.

Op 3 februari 2016 heeft [A] aan [verzoekster] ‘suggesties van mogelijkheden’ gedaan. Hij somde enkele concrete werkzaamheden op die [verzoekster] zou kunnen oppakken, zodra zij dat kon en wilde. [A] : ‘Van de kant van [verweerster] staan we uiteraard heel positief tegenover het weer (proberen) opstarten van werk. (-) Laten we op korte termijn hierover onze gedachten vormen en dan vast proberen te stellen wat wel en niet haalbaar voor je is en onder welke fysieke condities er wel of niet werk uitgevoerd kan worden.’

2.22.

Op 25 februari 2016 vond het eerste gesprek met de mediator plaats. Gesproken werd over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de beëindigingsvergoeding. Daarna waren partijen in afwachting van een vervolgactie door de mediator.

2.23.

In april 2016 heeft het UWV, in het kader van een WIA-herbeoordeling, beslist dat [verzoekster] 80 tot 100% arbeidsongeschikt bleef. De schriftelijke bevestiging daarvan volgde eind augustus 2016.

2.24.

In april en mei 2016 heeft [verweerster] de mediator herhaaldelijk gerappelleerd. Daarop werd van de mediator niets vernomen.

2.25.

In juli/augustus 2016 ontstond enige verwarring over de voortgang van de door [verweerster] (mede) ten behoeve van [verzoekster] afgesloten WGA-hiaatverzekering. Door een administratieve vergissing bij de tussenpersoon was aan [verzoekster] bericht dat de verzekering door [verweerster] was opgezegd. Dat was niet het geval en de fout is hersteld.

2.26.

In augustus 2016 liet [verzoekster] aan [A] weten dat zij herstellende was van een operatieve ingreep.

2.27.

Eind augustus/begin september 2016 meldde de mediator zich bij [verweerster] . Hij bood zijn excuses aan voor de vertraging van ruim zes maanden. [verweerster] had inmiddels het vertrouwen in deze mediator verloren. Toen [A] vervolgens [verzoekster] uitnodigde voor een overleg, reageerde haar gemachtigde met de mededeling dat het contact met [verzoekster] via hem moest lopen.

2.28.

In augustus respectievelijk oktober 2016 hebben de psychiater en de internist die [verzoekster] behandelen meegedeeld van mening te zijn dat het arbeidsconflict met [verweerster] haar psychisch en lichamelijk functioneren negatief beïnvloedt.

2.29.

De loongerelateerde WGA-uitkering van [verzoekster] eindigde op 23 november 2016. Er doet zich nu geen situatie voor die de door [verweerster] afgesloten WGA-hiaatverzekering bedoelt te dekken.

2.30.

[verzoekster] zit nu nog in een medisch reconstructietraject, dat samenhangt met eerder operatief ingrijpen, en zal in dat kader nog een aantal medische behandelingen ondergaan.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen. Voorts verzoekt zij om toekenning van een transitievergoeding van € 56.984,99 bruto en om veroordeling van [verweerster] tot betaling van een billijke vergoeding van € 56.984,99 bruto, beide vergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening. Ten slotte vordert [verzoekster] dat [verweerster] wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2.

[verzoekster] baseert haar ontbindingsverzoek op (een wijziging van) omstandigheden als bedoeld in artikel 7:671c Burgerlijk Wetboek (BW), hierin bestaande dat [verweerster] haar sinds medio 2014 geen passende arbeid meer heeft aangeboden. Daarnaast is volgens [verzoekster] sprake van handelen of nalaten van [verweerster] dat aan haar herstel in de weg staat.

3.3.

[verzoekster] maakt aanspraak op een transitievergoeding in de zin van artikel 7:673 BW en een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:671c lid 2, onder b BW. Zij verwijt [verweerster] ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Zo heeft [verweerster] vanaf juli 2014 onvoldoende gereageerd op verzoeken om overleg over werkhervatting, heeft zij in juni 2015 onverwacht bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd terwijl [verzoekster] dacht in gesprek te zijn over een beëindiging van het dienstverband, heeft [verweerster] niet verder willen onderhandelen over de hoogte van een beëindigingsvergoeding, heeft zij eenzijdig de in februari 2016 gestarte mediation beëindigd en heeft zij ten onrechte aan haar verzekeraar gemeld dat het dienstverband met [verzoekster] was geëindigd. Dit alles maakt dat [verweerster] zich afzijdig heeft opgesteld, waar [verzoekster] kampte met de gevolgen van haar levensbedreigende ziekte, hetgeen ernstig verwijtbaar is. Bij de hoogte van de billijke vergoeding dient rekening te worden gehouden met haar moeilijke positie op de arbeidsmarkt, aldus [verzoekster] .

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] verzet zich niet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] , nu zij in het voortbestaan van een dienstverband in een aan haar beperkingen aangepaste vorm geen heil meer ziet. Volgens [verweerster] is van een arbeidsconflict nimmer sprake geweest.

4.2.

[verweerster] meent dat het verzoek om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding moet worden afgewezen, omdat er aan haar (werkgevers)zijde geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Zoals uit de overgelegde stukken blijkt, heeft [verweerster] zich vanaf medio 2014 steeds ingespannen voor de re-integratie van [verzoekster] in voor haar passende arbeid, maar is die niet van de grond gekomen doordat haar gezondheidstoestand daaraan steeds weer in de weg bleek te staan en omdat [verzoekster] vanaf mei 2015 - in plaats van op werkhervatting bij [verweerster] - haar zinnen heeft gezet op een beëindiging van het dienstverband met een hoge beëindigingsvergoeding als startkapitaal van haar eigen bedrijfje, die [verweerster] niet heeft kunnen en willen betalen vanwege de benarde financiële situatie waarin zij verkeert en de kosten die zij al heeft moeten maken.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter zal allereerst beslissen op het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft zich tegen toewijzing van dit verzoek niet verweerd.

5.2.

Het ontbindingsverzoek wordt toegewezen. De arbeidsovereenkomst van partijen leidt al sinds medio 2014, toen de eerste twee ziektejaren verstreken, in die zin een slapend bestaan dat [verzoekster] geen arbeid meer verricht en [verweerster] geen loon meer betaalt. Mede gezien het recht van [verzoekster] op vrije arbeidskeuze en de door partijen in dit geding gekozen opstelling zal de kantonrechter in de gegeven omstandigheden niet verder treden in de vraag of de door [verzoekster] gestelde wijzigingen in de omstandigheden van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst van partijen billijkheidshalve behoort te eindigen.

5.3.

De arbeidsovereenkomst van partijen wordt ontbonden met ingang van 1 maart 2017.

5.4.

Resteert de vraag of [verweerster] aan [verzoekster] een transitievergoeding en een billijke vergoeding verschuldigd is. Het partijdebat heeft zich toegespitst op de vraag of [verweerster] ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is te verwijten. In artikel 7:673 lid 1, aanhef en onder b sub 2 BW is bepaald dat bij een ontbinding op verzoek van de werknemer alleen een transitievergoeding verschuldigd is indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Artikel 7:671c lid 2, onder b BW bepaalt dat de kantonrechter bij toewijzing van een ontbindingsverzoek van een werknemer een billijke vergoeding kan toekennen indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter overweegt het volgende.

5.5.

Vooropgesteld wordt dat het voor alle betrokkenen evident is dat de in juli 2012 bij [verzoekster] gestelde diagnose een zware slag voor haar en haar gezin moet zijn geweest. Ook is onbetwistbaar dat zij in de jaren die daarop zijn gevolgd voor haar leven heeft gevochten. Ter zitting heeft [verzoekster] de medische behandelingen geschetst die zij inmiddels heeft ondergaan en die haar in de komende tijd nog wachten. Invoelbaar is dan ook dat zij, zoals zij het ter zitting noemde, nog altijd in de overlevingsmodus staat en dat zij zich gedwongen voelt absolute prioriteit aan haar gezondheidssituatie te geven.

5.6.

Hierboven, onder 2.4. tot en met 2.30., is een beschrijving gegeven van de achtereenvolgende gebeurtenissen die zich vanaf medio april 2014, toen [verzoekster] in staat werd geacht om een begin te maken met haar re-integratie, hebben voorgedaan. Op die periode zien de verwijten die [verzoekster] in dit geding aan [verweerster] maakt. Reeds aan het begin van deze periode heeft [verweerster] (aan de arbeidsdeskundige van het UWV, in het kader van de beoordeling van de WIA-aanvraag) te kennen gegeven ervoor open te staan [verzoekster] ook na het verstrijken van de twee eerste ziektejaren in dienst te houden, voor zover zij althans tot het verrichten van voorhanden passende arbeid (bereid en) in staat zou zijn. Dat in die opstelling van [verweerster] in de jaren daarna een wezenlijke verandering is gekomen, is uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verklaard niet aannemelijk geworden. Ook uit de verwikkelingen rondom de begin juni 2015 gestarte UWV-ontslagprocedure blijkt, anders dan [verzoekster] heeft betoogd, niet dat [verweerster] toen niet langer bereid was met haar een arbeidsovereenkomst voor het verrichten van passende, op haar gezondheidssituatie toegesneden werkzaamheden aan te gaan. Dat [verweerster] destijds door de datum van inwerkingtreding van de Wwz - 1 juli 2015 - en het in dat kader toepasselijke overgangsrecht onder tijdsdruk stond en het verloop van het inmiddels in mei 2015 gestarte overleg over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden niet wilde afwachten, en tijdig, dus vóór 1 juli 2015, bij het UWV op basis van het toenmalige Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) een ontslagvergunning wilde aanvragen, is op zichzelf niet verwijtbaar. Dit was indertijd ook meer in het algemeen aan de orde van de dag. Dat de ontslagvergunningsaanvraag voor [verzoekster] als een verrassing kwam, zoals zij indertijd bij de arbodienst heeft aangegeven, is niet komen vast te staan. Niet betwist is immers dat [A] de UWV-ontslagprocedure al op 1 april 2015 heeft aangekondigd.

5.7.

Ook de omstandigheid dat [verweerster] de ontslagvergunningsaanvraag uiteindelijk heeft ingetrokken nadat bij haar de indruk was ontstaan dat het UWV mede op grond van het oordeel van de bedrijfsarts van 17 juni 2015 niet overtuigd was van de onmogelijkheid van herplaatsing binnen een periode van 26 weken, wijst erop dat [verweerster] er de voorkeur aan gaf om [verzoekster] voor passende arbeid in dienst te houden. Dat daarbij voor [verweerster] mede een rol zal hebben gespeeld dat [verzoekster] in de onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst een beëindigingsvergoeding verlangde die ruim vijf keer zo hoog was als [verweerster] bereid was te betalen, kan haar niet worden tegengeworpen. In retrospectief is het opmerkelijk dat [verzoekster] in de UWV-ontslagprocedure inhoudelijk verweer heeft gevoerd door te stellen dat niet aannemelijk was dat zij niet binnen 26 weken zou herstellen, terwijl zij ter zitting van 24 januari 2017 heeft verklaard dat tijdens die ontslagprocedure juist sprake was van een verslechtering van haar gezondheidssituatie.

5.8.

Dat [verweerster] ook in de tijd erna bereid bleef [verzoekster] voor passende arbeid in te zetten, blijkt uit de vanaf september 2015 herhaaldelijk door [A] aan [verzoekster] gestelde vraag om hem over haar herstel te informeren en zich erover uit te laten of zij weer voor [verweerster] kon komen werken. Gelet op de aard en ernst van de ziekte van [verzoekster] , het aan de ziekte inherente grillige verloop van het herstel en de belasting die het medische traject voor haar vormde, mocht [verweerster] in die zin een enigszins afwachtende houding aannemen dat zij van [verzoekster] verlangde dat zij [A] op de hoogte hield van de voortgang van behandelingen en dat het aan haar werd overgelaten om aan te geven wanneer zij weer zou kunnen komen werken. Dat paste ook in de jarenlange goede, ook vriendschappelijke, verstandhouding van partijen.

5.9.

Opvallend is dat in reactie op de bedoelde vraag van [A] noch [verzoekster] , noch haar gemachtigde heeft aangegeven dat zij weer voor [verweerster] wilde en kon komen werken. Integendeel: op verschillende momenten is sprake geweest van uitlatingen of berichten waaruit [verweerster] redelijkerwijs heeft mogen opmaken dat de gezondheidssituatie van [verzoekster] opnieuw was verslechterd en werkhervatting voorlopig niet aan de orde was. De kantonrechter wijst in het bijzonder op de e-mail van de gemachtigde van [verzoekster] van 8 oktober 2015, waarin werd gesteld dat ze op dat moment volledig arbeidsongeschikt was en dat van re-integratie pas na enige tijd weer sprake zou kunnen zijn. Toen [A] vervolgens in november 2015 opnieuw zijn vraag stelde, maakte [verzoekster] melding van nieuwe medische informatie die voor de re-integratie van belang was. In december 2015 heeft [verzoekster] weer een medische ingreep ondergaan en verkeerde zij ook anderszins in familieomstandigheden die - begrijpelijkerwijs - maakten dat zij geen prioriteit aan werkhervatting kon en wilde geven. In juli/augustus 2016 is [verzoekster] opnieuw geopereerd.

5.10.

Wanneer de gehele ziekteperiode van [verzoekster] nader wordt beschouwd, blijkt dat er zeker enige perioden zijn aan te wijzen waarin het geruime tijd achtereen stil is geweest rond haar re-integratie. Daaruit alleen kan echter niet worden geconcludeerd dat er van de zijde van [verweerster] re-integratie-inspanningen achterwege zijn gelaten die van haar hadden kunnen worden gevergd. Niet in geschil is dat [verzoekster] pas in het voorjaar van 2014 weer zodanig was hersteld dat van re-integratie in passende arbeid sprake kon zijn. Tussen juli en oktober/november 2014 hebben partijen een rustperiode ingebouwd nadat [verzoekster] begin augustus 2014 was geopereerd. [verweerster] heeft erop mogen vertrouwen dat [verzoekster] zich weer meldde zodra haar gezondheidssituatie een werkhervatting toestond. Kennelijk heeft [verzoekster] daar in de periode tot voorjaar 2015 geen aanleiding toe gezien. Daarna is het overleg van partijen gegaan over de - inmiddels door [verzoekster] nagestreefde - beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daardoor is de re-integratie begrijpelijkerwijs enige tijd op de achtergrond geraakt. Daarvan kan [verweerster] geen verwijt worden gemaakt.

5.11.

Vervolgens is de re-integratie vertraagd als gevolg van de door [verzoekster] ervaren verstoring van haar relatie met [A] . Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de kantonrechter niet duidelijk geworden wat precies voor [verzoekster] reden was om eind november 2015 bij de arboarts van een arbeidsconflict te spreken. Begin december 2015 leken partijen in elk geval weer constructief te overleggen en werd mediation overeengekomen. Uit het over en weer gestelde ontstaat de indruk dat bij de opstelling van [verzoekster] een rol heeft gespeeld dat [verweerster] niet de beëindigingsvergoeding wilde betalen die zij wilde hebben, alsook dat [A] steeds sterker bij haar was gaan benadrukken dat zij diende te communiceren over de mogelijkheid - en haar wens - van werkhervatting. Uit de betreffende correspondentie komt duidelijk naar voren dat [A] na verloop van tijd ten einde raad was, omdat hij er maar niet achter kon komen of [verzoekster] werkelijk naar terugkeer in passend werk bij [verweerster] streefde of louter uit was op een beëindiging van haar dienstverband met een aanzienlijke vergoeding. [verweerster] kan niet worden verweten dat zij er bij [verzoekster] op heeft aangedrongen om duidelijk te zijn over wat zij kon en wilde, te meer waar haar gemachtigde [verweerster] ervan was gaan betichten dat zij zich onvoldoende voor haar re-integratie inspande.

5.12.

In februari 2016 is de mediation van start gegaan, en wel met een gesprek over de voorwaarden waaronder partijen met wederzijds goedvinden een einde aan hun arbeidsovereenkomst zouden kunnen maken. Op werkhervatting heeft [verzoekster] kennelijk ook toen niet willen aansturen. Het bevreemdt niet dat partijen, in elk geval [verweerster] , het vertrouwen in de mediator hebben verloren toen deze - anders dan was afgesproken en ondanks herhaaldelijk te zijn gerappelleerd - na dat eerste gesprek ruim een half jaar niets van zich liet horen.

5.13.

Ten slotte treft [verweerster] evenmin een verwijt van de in juli/augustus 2016 ontstane verwarring over het voortduren van de WGA-hiaatverzekering en over de mededelingen die [verweerster] in dat kader aan de verzekeraar zou hebben gedaan. Ter zitting heeft [verzoekster] niet weersproken dat de vergissing van de tussenpersoon spoedig is rechtgezet.

5.14.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verweerster] geen verwijt treft, laat staan dat sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van artikel 7:673 lid 1, aanhef en onder b sub 2 BW en artikel 7:671c lid 2, onder b BW. Voor een transitievergoeding of een billijke vergoeding is daarom geen plaats. Het verzoek van [verzoekster] wordt in zoverre afgewezen.

5.15.

In artikel 7:686a lid 6 jo lid 7 BW is bepaald dat, alvorens een ontbinding wordt uitgesproken zonder dat daaraan een door de verzoeker verzochte vergoeding wordt verbonden, de rechter partijen van zijn voornemen in kennis stelt en een termijn stelt waarbinnen de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. [verzoekster] zal daarom de gelegenheid krijgen haar verzoek in te trekken.

5.16.

De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- stelt [verzoekster] in de gelegenheid uiterlijk 24 februari 2017 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

- bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2017;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

- veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerster] , tot deze beschikking begroot op € 600,--.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en bij haar afwezigheid door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, getekend en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.