Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:78

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-01-2017
Datum publicatie
09-01-2017
Zaaknummer
UTR 15/4158
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:823, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van hotel Noordoostpolder te Bant. Het besluit is ook na de tussenuitspraak onvoldoende gemotiveerd. Voor beoordeling of sprake is van hotelbedrijf is niet uitgegaan van het in de tussenuitspraak genoemde criterium dat het verblijf van de gasten beperkt moet zijn in duur. Ook de conclusie dat op basis van het totaalbeeld kan worden gezegd dat sprake is van een hotelbedrijf is onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/4158

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiseres 4] , allen wonende te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. E. de Ruiter),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder

(gemachtigden: mr. P. Smit, mr. P.K. Mintjes en N.E.G.L. Christiaens).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: - Martho Flexwerk BV, gevestigd te Emmeloord, en- [derde-partij] , wonende te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de verzoeken van eisers om handhavend op te treden tegen het gebruik van het pand op het perceel [adres] te [woonplaats] (het pand) afgewezen omdat zij geen belanghebbende zijn bij de door hen ingediende verzoeken.

Bij besluit van 30 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de door eisers daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de verzoeken om handhaving op inhoudelijke gronden afgewezen.

Eisers hebben tegen hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het beroep met zaaknummer UTR 15/520, plaatsgevonden op 3 december 2015. [eiser 1] en [eiseres 4] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Martho Flexwerk B.V. is vertegenwoordigd door [A] , facilitair manager. [derde-partij] is in persoon verschenen.

Bij tussenuitspraak van 18 maart 2016, verzonden 24 maart 2016, (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak bij brief van 3 mei 2016 een aanvullende motivering ingediend. Als bijlage 2 bij deze nadere motivering heeft verweerder hotelregistratieformulieren en gegevens van de boekingen via Martho Flexwerk B.V. bij hotel Noordoostpolder overgelegd. Voor wat betreft deze bijlage 2 heeft verweerder een verzoek tot geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan.

Bij beslissing van 20 juni 2016 heeft de rechtbank bepaald dat volledige geheimhouding van bijlage 2 niet is gerechtvaardigd, maar dat verweerder er wel voor kan kiezen om een versie van deze stukken te overleggen waarop de namen van de gasten zijn geanonimiseerd.

Bij brief van 22 juli 2016 heeft verweerder de betreffende stukken in (deels) geanonimiseerde vorm overgelegd.

Eisers hebben bij brief van 21 augustus 2016 hun zienswijze (de zienswijze) gegeven. Derde-partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze te geven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 29 augustus 2016 gesloten.

Overwegingen

  1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

  2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat:
    - verweerder zal moeten motiveren op basis van welke gegevens hij tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een hotelbedrijf als bedoeld in artikel 1.48 van de planregels van het bestemmingsplan ‘Bant’ (het bestemmingsplan).
    Op grond van artikel 1.48 van de planregels wordt onder hotelbedrijf verstaan een horecabedrijf, dat in hoofdzaak is gericht op het verstrekken van nachtverblijf (boeking per nacht) waar maaltijden, kleine etenswaren en dranken kunnen worden verstrekt aan gasten en passanten.
    Dit impliceert, aldus de rechtbank in de tussenuitspraak, dat het verblijf van de gasten beperkt is in duur. Dit betekent dat verweerder onderzoek dient te doen naar de duur en de aard (toeristisch / zakelijk / al dan niet werkzaam bij Martho Flexwerk BV) van het verblijf van de gasten. Verweerder dient inzichtelijk te maken hoeveel gasten in het hotel verblijven en hoe dit aantal is verdeeld naar type verblijf;
    - het begrip ‘hotelbedrijf’ in artikel 1.48 van de planregels ook impliceert dat maaltijden, kleine etenswaren en dranken kunnen worden verstrekt aan gasten en passanten. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt op basis van welke gegevens hij tot de conclusie is gekomen dat het ook voor passanten mogelijk is om een maaltijd te nuttigen.
    De logiesfunctie

  3. In de brief van 3 mei 2016 stelt verweerder dat niet altijd kan worden aangenomen dat een verblijf in een hotel van kortere duur is. Volgens verweerder sluiten de bepalingen van het bestemmingsplan een verblijf van langere duur niet uit. De aard van de overnachtingen is voor het grootste deel zakelijk; de meeste gasten zijn werknemers van Martho Flexwerk BV. Dit maakt echter niet dat er geen sprake meer is van een hotelbedrijf. Volgens verweerder volgt dit uit een uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 juli 2010 (ECLI:NL:RBALM:2010:BN3138).

  4. In de tussenuitspraak is uitdrukkelijk overwogen dat uit de tekst van artikel 1.48 van de planregels, waarin staat dat het moet gaan om het verstrekken van nachtverblijf op basis van een boeking per nacht, volgt dat van een hotelbedrijf slechts sprake is indien het verblijf van de gasten beperkt is in duur. Verweerder heeft, door te stellen dat het bestemmingsplan geen voorwaarde stelt aan de duur van het verblijf van de gasten, dus geen uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3222) overweegt de rechtbank dat zij slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. De rechtbank ziet in hetgeen verweerder in dit kader heeft gesteld geen reden om terug te komen op hetgeen in dit verband in de tussenuitspraak is overwogen. De situatie die ten grondslag ligt aan de door verweerder genoemde uitspraak van de rechtbank Almelo is niet vergelijkbaar met deze situatie omdat, zoals eisers terecht stellen, het in dat geval ging om een bestemmingsplan waarin het begrip hotel(bedrijf) in zijn geheel niet was omschreven. Er is verder niet gesteld en overigens ook niet gebleken dat de tussenuitspraak berust op een feitelijke veronderstelling die evident onjuist is.

  5. In de brief van 3 mei 2016 heeft verweerder op basis van zijn onderzoek van de door hem overgelegde geanonimiseerde hotelregistratieformulieren geconcludeerd dat de wijze waarop hotel Noordoostpolder wordt geëxploiteerd niet in strijd is met het bestemmingsplan. Hij heeft toegelicht dat uit de formulieren blijkt dat in de periode van 16 november 2015 tot 17 april 2016 zes mensen gedurende de gehele periode van vijf maanden in het hotel ingeschreven hebben gestaan en dat er in die periode drie mensen drie maanden ingeschreven hebben gestaan. In totaal heeft het hotel in deze periode zo’n 166 gasten gehad. Van deze gasten verbleef het merendeel een korte periode (één tot drie dagen) dan wel voor een iets langere periode (een week dan wel een maand of twee maanden) in het hotel. Het feit dat enkele gasten langdurig in het hotel ingeschreven stonden en staan, maakt niet dat er daarmee geen sprake meer is van een hotel. Het gaat, aldus verweerder, om het totaalbeeld. Een groot deel van de overnachtingen vindt plaats door de werknemers van Martho Flexwerk B.V., maar daarnaast biedt het hotel nog ruimte voor andere gasten. Er is geen reden om aan te nemen dat hotelgasten permanent hun hoofdverblijf in het hotel hebben.

6.1

De rechtbank stelt vast dat de periode op basis waarvan verweerder het gebruik heeft beoordeeld dateert van na het bestreden besluit van 30 juni 2015. Dit betekent dat het onderzoek dat verweerder naar het gebruik heeft verricht reeds daarom niet kan dienen ter motivering van het bestreden besluit, maar enkel voor de vraag of in de onderzochte periode sprake was van een overtreding van het bestemmingsplan.

6.2

Verweerder is, zoals onder 4 is overwogen, bij de interpretatie van de onderzoeksgegevens ook uitgegaan van een onjuist criterium. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het in de tussenuitspraak genoemde criterium dat van een hotelbedrijf slechts sprake is indien het verblijf van de gasten beperkt is in duur, onvoldoende gemotiveerd hoe hij op basis van de hotelregistratieformulieren tot de conclusie is gekomen dat het gebruik niet in strijd is met het bestemmingsplan.
Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat alleen al het feit dat zes gasten gedurende de totale periode van vijf maanden in hotel Noordoostpolder zijn verbleven niet tot de conclusie leidt dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Een dergelijk lang verblijf van meerdere personen is naar het oordeel van de rechtbank een sterke indicatie dat het gebruik van het pand in strijd is met de bestemming ‘horeca’.

6.3

De onderzochte periode van vijf maanden acht de rechtbank bovendien kort. Mede door deze beperkte duur is voor de zes gasten die gedurende deze gehele periode in het hotel verbleven niet vast te stellen hoe lang hun totale verblijf heeft geduurd.

7. Voor wat betreft de aard van het verblijf van de gasten heeft verweerder gesteld dat het bestemmingsplan geen regels stelt aan de aard van het verblijf van de gasten. Om die reden is het volgens hem niet relevant of de aard van het verblijf toeristisch of zakelijk is. Vervolgens komt verweerder op basis van het ‘totaalbeeld’, waarbij hij ook de aard van het verblijf betrekt, tot de conclusie dat er sprake is van een hotelbedrijf. In de tussenuitspraak is overwogen dat verweerder, bij zijn onderzoek naar de duur van het verblijf van de gasten, ook de aard van het verblijf van de gasten dient te betrekken. In de brief van 3 mei 2016 heeft verweerder meer inzicht gegeven in het aard van het verblijf van de gasten. Hij heeft toegelicht dat het grootste deel van de overnachtingen zakelijke overnachtingen door werknemers van Martho Flexwerk B.V. betreft. Daarnaast worden er, aldus verweerder, vier kamers in het hotel beschikbaar gehouden voor gasten die op andere wijze een kamer boeken. Eisers hebben in hun reactie gesteld dat er feitelijk slechts twee kamers beschikbaar worden gehouden voor overige gasten. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder bij zijn beoordeling of sprake is van een hotelbedrijf de aard van het verblijf van het feitelijke gebruik van het hotel te betrekken. Het feit dat er twee of meer kamers beschikbaar worden gehouden voor andere gasten dan de werknemers van Martho Werkflex B.V. maakt, gelet op de relatief beperkte omvang ten opzichte van de in totaal 22 kamers en het aantal werknemers van Martho Flexwerk B.V. dat feitelijk langdurig in hotel Noordoostpolder verblijft, nog niet dat op basis van het totaalbeeld kan worden gezegd dat sprake is van een hotelbedrijf.

8. Het beroep is, gelet op hetgeen de tussenuitspraak is overwogen, gegrond en het bestreden besluit van 30 juni 2015 wordt vernietigd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder ook met zijn aanvullende motivering van 3 mei 2016 en de overgelegde stukken onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gebruik van het pand niet in strijd is met de bestemming. Ten eerste ziet de onderzochte periode niet op de periode waarop het bestreden besluit ziet. Ten tweede is verweerder uitgegaan van een onjuist criterium bij de wel onderzochte periode. Met als vertrekpunt het juiste criterium uit het bestemmingsplan is de door verweerder uit de onderzoeksresultaten getrokken conclusie niet te volgen. Er is dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet geen aanleiding om nog een keer de zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen. Zij doet daarom einduitspraak en vernietigt het bestreden besluit. Dit biedt partijen de mogelijkheid om direct in hoger beroep te gaan. Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak en de tussenuitspraak is overwogen, binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eisers tegen het besluit van 20 januari 2015.

De horecafunctie

9. De rechtbank ziet, gelet op de door verweerder te nemen nieuwe beslissing op bezwaar en haar oproep in de tussenuitspraak aan verweerder om te komen tot concrete criteria op basis waarvan hij het gebruik van het pand beoordeelt, aanleiding om ook in te gaan op de vraag of verweerder met zijn aanvullende motivering voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik van het pand wel voldoet aan de in artikel 1.48 van de planregels omschreven horecafunctie.

10. Verweerder heeft een toelichting overgelegd van [A] van Martho Flexwerk B.V. van 29 april 2016. Hierin staat dat er voor passanten de mogelijkheid is om een kleine versnapering in het pand te nuttigen. De voordeur van het pand is vanwege de veiligheid gesloten, passanten kunnen aanbellen. Verder wordt vijf dagen per week een driegangenmaaltijd bereid. Deze maaltijd moet tevoren worden besteld, zowel gasten als passanten kunnen hier gebruik van maken. In het weekend kan ook een maaltijd worden besteld, maar in de praktijk wordt hier niet veel gebruik van gemaakt omdat de bezetting van hotel Noordoostpolder dan lager is.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem overgelegde informatie voldoende aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop hotel Noordoostpolder wordt geëxploiteerd voldoet aan de in artikel 1.48 van de planregels omschreven horecafunctie. Zij overweegt daartoe dat passanten desgewenst kleine etenswaren en dranken in hotel Noordoostpolder kunnen nuttigen. Dat zij daarvoor eerst moeten aanbellen, is wellicht minder uitnodigend, het doet er echter niet aan af dat de mogelijkheid bestaat. Ook het feit dat een maaltijd tevoren moet worden besteld, maakt niet dat van een (beperkte) horecafunctie, als omschreven in artikel 1.48, geen sprake is.

Proceskosten

12. Ten aanzien van het door eisers in beroep gedane verzoek om vergoeding van de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. Eisers hebben verzocht om vergoeding van hun reiskosten en de verletkosten van [eiser 1] en de gemachtigde voor het bijwonen van de zitting.

Op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten en de verletkosten van eisers. Als reiskosten komen op grond van artikel 2 van het Bpb voor vergoeding in aanmerking de kosten per openbaar middel van vervoer laagste klasse. Dit leidt tot een vergoeding van (2 * 14,50 =) € 29,-. De verletkosten voor het bijwonen van de zitting door [eiser 1] zijn niet gespecificeerd of met bewijsstukken onderbouwd, de rechtbank ziet om die reden geen aanleiding deze kosten te vergoeden. Reis- en verletkosten van een gemachtigde komen niet voor vergoeding op grond van het Bpb in aanmerking. Het griffierecht dient verweerder op grond van artikel 8:74 van de Awb aan eisers te vergoeden

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 29,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.