Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:7051

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
C/16/422085 / HA ZA 16-631
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid waterschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/422085 / HA ZA 16-631

Vonnis van 2 augustus 2017

in de zaak van

1. naamloze vennootschap

AEGON N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THE SOCIETY SHOP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. B. Fluit te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASR DUTCH PRIME RETAIL CUSTODIAN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. J.H. Tuit te Almere.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Aegon c.s. genoemd worden en ieder afzonderlijk respectievelijk Aegon en The Society Shop. Gedaagde zal hierna ASR genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 december 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 mei 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

The Society Shop huurt van ASR een winkelruimte aan de rechterzijde van het pand aan [adres] te [vestigingsplaats] , op het adres [adres] . Op de begane grond en in een gedeelte van de kelder vindt verkoop van herenkleding plaats. In de overige gedeelten van de kelder worden voorraden opgeslagen.

2.2.

Het andere deel van het pand aan [adres] (op het adres [adres] ), bestaande uit een winkelgedeelte (linker zijde van het gebouw) en verdiepingen boven straatniveau die zijn ingericht als appartementen, wordt door ASR verhuurd aan een andere partij. In het winkelgedeelte is de winkel B-One gevestigd.

2.3.

Tussen (de rechtsvoorganger van) ASR en de verschillende huurders van het pand aan [adres] heeft overleg plaatsgevonden in verband met een uit te voeren asbestsanering in het pand. ASR en The Society Shop zijn onder meer overeengekomen om voor een periode van drie tot maximaal vier weken, ingaande per 6 februari 2012, de winkel van The Society Shop te sluiten in verband met de asbestsanering. Daarbij is afgesproken dat The Society Shop per 1 februari 2012 tot en met 31 juli 2012 een huurkorting van 100% van het geldende maand huurbedrag zal ontvangen. De nadere afspraken die tussen ASR en The Society Shop zijn gemaakt, zijn vastgelegd in een allonge op de huurovereenkomst.

2.4.

Grontmij Nederland B.V. heeft in opdracht van ASR een Plan van Aanpak d.d. 12 januari 2012 opgesteld voor de asbestsanering en was als directievoerder/aannemer betrokken bij de werkzaamheden.

2.5.

De saneringswerkzaamheden zijn uitgevoerd door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] B.V.

2.6.

Op 13 februari 2012 is waterschade ontdekt op het adres [adres] te [vestigingsplaats] . Er bevond zich op de begane grond en in de kelder een grote hoeveelheid water. Het water stroomde water vanaf de zolderverdieping naar beneden.

2.7.

In verband met de asbestsanering was een voorraad kleding van The Society Shop ondergebracht in de kelder. De voorraad is grotendeels aangetast door het vocht.

2.8.

Aegon, de verzekeraar van The Society Shop, heeft na ontvangst van de schademelding door The Society Shop, aan Crawford Brand & Techniek opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de oorzaak en de omvang van de schade.

2.9.

Op 16 maart 2012 hebben de heren [A] en [B] van Crawford Brand & Techniek een rapport opgesteld. De totale schade is in dit rapport vastgesteld op een bedrag van € 232.509,00 exclusief BTW. Omtrent de toedracht en oorzaak wordt in het rapport het volgende vermeld:

“TOEDRACHT

Op 6 februari was de winkel gesloten en hermetisch afgedicht in verband met de asbestsanering zoals die hierboven reeds is genoemd. Het pand werd op 8 februari 2012 door de medewerkers van verzekerde verlaten. Op 11 februari waren medewerkers van het asbestsaneringsbedrijf [bedrijf] nog in het belendende pand bezig geweest met de uitvoering van enige werkzaamheden. Bij het verlaten van het pand werden geen bijzonderheden bemerkt.

Op 13 februari 2012 werd bij het betreden van het te saneren pand ontdekt dat een grote hoeveelheid water vanaf de zolder via de lager gelegen verdiepingen tot op de begane grond was doorgedrongen. Ook werd geconstateerd dat in de kelder van het bij verzekerde in gebruik zijnde pand vol water stond.

Bij nader onderzoek werd duidelijk dat het uit het naburige pand afkomstige water via een leidingschacht, uitkomend in de kelder van de winkelruimte van verzekerde, het water uiteindelijk in de kelder was gestroomd. Een bepaald gedeelte van de kelder bleek circa 50 cm onder water te staan. De verkoopruimte in de kelder was ook onder een laag van enkele centimeters water komen te staan alsmede het gedeelte dat ingericht is als voorraadruimte. Direct werden bereddende maatregelen getroffen.

OORZAAK

Naar de oorzaak van de schade hebben wij op 23 februari 2012 een onderzoek in kunnen stellen in het onder asbestcondities verkerende belendende pand. In overleg met het asbestsaneringsbedrijf kon het pand met de asbestuitrusting worden betreden teneinde de situatie c.q. de oorzaak van de wateroverlast vast te kunnen leggen.

Bij dit bezoek waren tevens aanwezig de AVB-experts, benoemd door de verzekeraars van ASR Vastgoed en de asbestsaneerder. Met de betrokken experts hebben wij vastgesteld dat een gedeeltelijk afgedopte waterleiding op een verbinding met een stopkraan, in een niet meer als zodanig in gebruik zijnde toiletruimte, hoogstwaarschijnlijk door de vorst was gesprongen.

De verbinding van de waterleiding in de stopkraan bleek niet optimaal te zijn en was hoogstwaarschijnlijk als gevolg van bevriezing uit de stopkraan geschoten bij de invallende dooi op de schadedatum 13 februari 2012.

Een grote hoeveelheid water was vervolgens uit de leiding gestroomd en, zoals wij u hierboven reeds hebben geschetst, uiteindelijk ook in de kelder van de door verzekerde geëxploiteerde winkel terechtgekomen.”

2.10.

ASR heeft als eigenaar van het pand aan [adres] te [vestigingsplaats] aan Lengkeek Expertises de opdracht gegeven om onderzoek naar de toedracht te doen. Op 6 juli 2012 is het definitieve rapport uitgebracht. De bevindingen van de heer [C] van Lengkeek Expertises luiden onder meer als volgt:

“(…)

Op 23 februari 2012 zijn wij met de betrokken experts namens verzekeraars tegenpartij alsmede van het asbestsaneringsbedrijf onder asbestcondities in het pand geweest voor nader onderzoek.

Het betreffende leidingdeel bevond zich op de bovenste etage van het pand. Tijdens ons bezoek constateerden wij dat de dakbedekking bestond uit dakpannen met pannenlatten en een plastic folie. De pannen waren deels gebroken, waardoor op diverse plaatsen daglicht binnentrad.

Wij hebben het asbestsaneringsplan bestudeerd en gesproken met de betrokken personen. Hieruit bleek dat het dak eerder gedeeltelijk was voorzien van een dakbeschot van asbesthoudende beplating. Tussen deze beplating en de dakpannen zat polystyreen wat een isolerende werking heeft. Deze zaken zijn door de saneerder, conform diens opdracht, verwijderd. Het dak was daardoor beduidend minder goed geïsoleerd dan voor de sanering aldaar.

Aan de voorzijde van het pand bevonden zich twee radiatoren. Eén daarvan was niet aangesloten. De andere radiator voelde koud aan. Onbekend is of deze radiator was aangesloten en functioneerde. Verder was er geen verwarming op deze zolderetage.

Op de locatie van de betreffende (gesprongen) waterleiding stonden voorheen twee toiletruimtes en bevinden zich in het achterste deel van de zolderetage. De toiletten zijn eerder, met het oog op de uit te voeren sanering en een interne verbouwing, door een aannemer verwijderd. De leidingen waren afgedopt.

De leiding is achter een kraan uit de leiding gekomen. Er zijn door ons geen duidelijke sporen van bevriezing geconstateerd, zoals scheurvorming of uitzetting van binnenuit. De soldeerverbinding leek al eens eerder gerepareerd omdat er twee randen soldeertin op de leiding zaten. Tevens was de leiding scheef afgezaagd en lijkt deze niet volledig in de kraan te hebben gezeten. Onbekend is wanneer de leiding geïnstalleerd is en wanneer het mogelijke herstelwerk hieraan heeft plaatsgevonden. Naar het zich laat aanzien is dat veel langer geleden gebeurd. Van buitenaf was niet aan de leiding zichtbaar dat deze wellicht niet geheel deugdelijk in de verbinding zat.

De leiding is gaan lekken in de periode dat de buitentemperatuur na een aantal dagen van strenge vorst weer steeg. Mogelijk is de leiding in de vorstperiode bevroren, uit de kraan gedrukt en bij het invallen van de dooi gaan lekken. Dat kon dan wellicht mede plaatsvinden doordat de leiding niet deugdelijk in het verbindingsstuk was aangebracht.

(…)”

2.11.

Op verzoek van Achmea, de aansprakelijkheidsverzekeraar van de besloten vennootschap [bedrijf] B.V., heeft expert [D] onderzoek naar de toedracht gedaan.

2.12.

Bij emailbericht van 27 februari 2012 heeft [A] van Crawford het volgende aan [C] en [D] bericht:

“(…)

In de tweede plaats bevestig ik voor de goede orde onze bevindingen tijdens ons bezoek aan het “asbestpand”.

We hebben vastgesteld dat de gesoldeerde verbinding in de waterleiding welke vermoedelijk door bevriezing is gesprongen, niet in optimale staat verkeerde.

De verbinding was vermoedelijk een keer eerder losgeschoten of losgeraakt en opnieuw gesoldeerd waarbij de leiding niet diep genoeg in de vatting van de kraan is aangedrukt.

De vorst heeft vermoedelijk voor deze matige verbinding de genadeklap betekend.

Verder is gebleken dat er twijfels bestaan of het pand ten tijde van het evenement uitgerust was met een goed werkende verwarming.

De asbestsaneerder kon ons daar ook geen antwoord opgeven.

We hebben wel tijdens ons bezoek van 23 februari 2012 geconstateerd dat de radiatoren op de zolder waar de waterleiding was gesprongen, losgekoppeld waren.

(…)”

2.13.

[C] heeft bij email van 28 februari 2012 als volgt gereageerd:

“Met uw samenvatting van de inspectie kunnen wij ons grotendeels verenigen. Wij hebben daarover twee opmerkingen:

Daar waar u spreekt over het ontbreken van dakisolatie geldt naar onze mening dat er niet zonder meer sprake was van isolatie. Wij hebben begrepen dat er een dakbeschot was van asbesthoudende beplating, welke door de saneerder is verwijderd. Beter is dan ook naar onze mening om te zeggen dat er een dakbeschot was van asbesthoudende beplating.

Voorts hebben we waargenomen dat 1 radiator was afgekoppeld. Voor de andere radiator was dat niet het geval. Onduidelijk is of deze radiator op de CV-installatie was aangesloten en of deze daardoor kon functioneren.

(…)”

2.14.

[D] heeft naar aanleiding van de email van 27 februari 2012 van [A] geen opmerkingen gemaakt.

2.15.

Op 17 december 2012 hebben deskundige [E] van Crawford en deskundige [D] het leidingdeel met daarin de beschadigde soldeerverbinding geïnspecteerd. [E] en [D] komen tot de volgende conclusie.

Conclusie

Op basis van onze inspectie en de foto’s van de schadelocatie, waarin te zien is dat de betreffende (ongeïsoleerde) leiding zich onder een niet geïsoleerd dak bevond, achten wij het aannemelijk dat het water in de betreffende leiding voorafgaand aan de schadedatum door vorst is bevroren. Het gevolg hiervan was dat de soldeerverbinding tussen de afsluiter en de leiding naar het toilet, door uitzetting van ijs in de leiding, uit elkaar is geperst. Doordat de soldeerverbinding niet zijn maximale sterkte had, was deze soldeerverbinding naar alle waarschijnlijkheid het zwakste punt in de leiding. Het is niet meer na te gaan wanneer de leidingen uit de haak zijn verbogen. De invloed van het uit de haak buigen van de soldeerbocht op de beschadigde soldeerverbinding is eveneens niet meer vast te stellen.

Het is niet met zekerheid vast te stellen hoe de situatie zou zijn geweest als de soldeerverbinding wel optimaal was. Bij zeer lichte vorst zou het mogelijk kunnen zijn dat de leiding heel was gebleven. Ons inziens is de kans groot dat de leiding of afsluiter alsnog door bevriezing beschadigd zou zijn geraakt met lekkage tot gevolg.”

2.16.

Aegon, de verzekeraar van The Society Shop, heeft rekening houdend met het eigen risico van € 2.500,00 een bedrag van € 230.009,00 (€ 97.500,00 plus € 132.509,00) vergoed. Aegon is daarmee gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde.

Het eigen risico van € 2.500,00 is voor rekening van The Society Shop gebleven.

3 Het geschil

3.1.

Aegon c.s. vordert om bij vonnis:

  1. te verklaren voor recht dat ASR aansprakelijk is voor de schade die op 13 februari 2012 als gevolg van wateroverlast is ontstaan bij The Society Shop aan de [adres] te [vestigingsplaats] ,

  2. ASR te veroordelen om:

- aan Aegon een bedrag van € 230.009,00 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van uitkering aan verzekerde, dat wil zeggen over een bedrag van € 97.500,00 vanaf 29 februari 2012 en over een bedrag van € 132.509,00 vanaf 20 maart 2012, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

- aan Aegon een bedrag van € 17.879,26 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.533,36 vanaf 16 april 2012, over een bedrag van € 2.229,46 vanaf 28 september 2013, over een bedrag van € 3.488,03 vanaf 3 oktober 2013, over een bedrag van € 1.128,01 vanaf 21 april 2016, althans – ten aanzien van alle hiervoor genoemde bedragen – vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening en over de bedragen van € 1.210,00 en € 290,40 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

- om aan The Society Shop een bedrag van € 2.500,00 te voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2012 tot de dag van algehele voldoening,

- om aan The Society Shop de wettelijke rente te vergoeden over een bedrag van € 230.000,00 vanaf 13 februari 2012 en over een bedrag van € 132.509,00 vanaf 29 februari 2012 tot en met 20 maart 2012,

- de (na)kosten van het geding aan Aegon c.s. te betalen.

3.2.

ASR voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het staat vast dat op 13 februari 2012 in het pand aan [adres] een grote hoeveelheid water is geconstateerd. Er bevond zich water op de begane grond en in de kelder stond water. Als gevolg daarvan is schade aan de eigendommen van The Society Shop is ontstaan.

4.2.

De verschillende bij de overlast betrokken partijen hebben experts ingeschakeld die onderzoek hebben gedaan naar de toedracht van de wateroverlast. Gebleken is dat het water vanaf de zolder via een leidingschacht naar beneden is gestroomd. Uit de rapporten van de experts volgt dat dit het gevolg was van het lekken van een leiding op de zolder waar op dat moment asbestwerkzaamheden werden uitgevoerd. De experts [E] en [D] hebben, na inspectie van het lekkende leidingdeel, verder aangegeven dat aannemelijk is dat het water in de niet geïsoleerde leiding, onder een niet/slecht geïsoleerd dak in een niet tot slecht verwarmde ruimte, tijdens de extreem koude periode is bevroren waardoor de (matige) soldeerverbinding tussen de afsluiter en de leiding, door uitzetting van ijs in de leiding, uit elkaar is geperst. De rechtbank is van oordeel dat van deze lezing kan worden uitgegaan. Voldoende gebleken is dat de conclusie van [E] en [D] op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. ASR heeft daartegen bovendien geen steekhoudende argumenten aangevoerd. [C] was weliswaar niet aanwezig bij de inspectie van het leidingdeel, maar voldoende gebleken is dat hij daarvoor wel was uitgenodigd. Ook de bezwaren van [C] tegen de bevindingen van Crawford in het rapport van 16 maart 2012 doen onvoldoende aan af aan de conclusie van [E] en [D] . Het betreft bezwaren op ondergeschikte punten en [C] heeft daarnaast laten weten dat hij zich in grote lijnen kan vinden in de samenvatting van de inspectie van Crawford.

4.3.

Aegon heeft de schade aan The Society Shop vergoed, met uitzondering van het eigen risico van € 2.500,00, welk deel voor haar eigen rekening is gebleven. Aan de orde is de beoordeling van de vraag of ASR gehouden is om de betreffende bedragen aan respectievelijk Aegon en The Society Shop te betalen.

4.4.

Volgens Aegon c.s. is ASR gehouden de schade die is ontstaan als gevolg van de wateroverlast aan haar te vergoeden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat ASR onrechtmatig jegens haar gehandeld heeft omdat ASR, als eigenaar van het pand aan [adres] , de niet geïsoleerde leiding in een heersende en voorspelde extreem koude periode, gedurende langere tijd in een niet, tot slecht verwarmde ruimte heeft laten liggen, terwijl zij wist dat zich in de zeer directe nabijheid ruimtes bevonden die door anderen werden gebruikt. Volgens Aegon c.s. had ASR vanwege de invallende en voortdurende vorst eenvoudig maatregelen kunnen treffen ter voorkoming van de schade, zoals het (tijdelijk) aftappen van de leidingen in het pand [adres] of het (beter) verwarmen van de ruimtes daar. ASR had daarover met de asbestsaneerder/aannemer afspraken kunnen maken. De mate van bezwaarlijkheid van deze te nemen voorzorgsmaatregelen was gering, aldus Aegon c.s. Volgens Aegon c.s. heeft ASR door na laten om maatregelen te treffen het gevaar van de bevroren leidingen in het leven geroepen, welk gevaar zich vervolgens ook verwezenlijkt heeft.

4.5.

ASR acht zich niet gehouden tot betaling van enig bedrag aan Aegon c.s. Zij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat het beoordelingskader in deze zaak moet worden gevormd door de contractuele relatie waarin The Society Shop en ASR tot elkaar staan, te weten de huurovereenkomst met betrekking tot het adres [adres] te [vestigingsplaats] . Zelfs als sprake zou zijn van onrechtmatig handelen door ASR, dan hebben volgens ASR de bepalingen van de huurovereenkomst te prevaleren boven de algemene regeling van artikel 6:162 BW. ASR is van mening dat op basis van de huurovereenkomst op haar geen enkele verplichting rust om tot vergoeding van de schade over te gaan. ASR wijst er op dat geen sprake is van een gebrek in het gehuurde, en zeker niet een gebrek dat toerekenbaar is aan ASR als verhuurder. Daarnaast verwijst ASR naar de toepasselijke huurovereenkomst inclusief de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en allonge I en de daarin opgenomen exoneratieclausules.

4.6.

ASR heeft verder betwist dat zij onrechtmatig jegens The Society Shop heeft gehandeld. Zij heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een normschending. Volgens ASR heeft zij alles gedaan wat binnen haar mogelijkheden lag. Zij moest, vanwege het blootstellingsrisico, wel een opdracht verstrekken voor de asbestsanering waarna zij bedrijven heeft ingeschakeld die goed bekend staan, te weten [bedrijf] B.V. en Grontmij Nederland B.V. Van gevaarzetting is volgens ASR geen sprake geweest. Het is ongebruikelijk om inpandige waterleidingen van isolatie te voorzien en ASR had als verhuurder geen kennis en wetenschap van het gebruik van de verwarmingsinstallatie nu deze voor eigen rekening van de huurders is aangebracht. Waar het de activiteiten van de asbestsaneerder betreft, mocht zij er op vertrouwen dat deze de werkzaamheden uitvoert zonder schade aan bestaande eigendommen en/of derden toe te brengen, aldus ASR.

4.7.

Subsidiair, voor het geval wel sprake zou zijn van enige normschending en/of gevaarzetting door ASR, ontbreekt volgens ASR de schuld aan haar de zijde. Zij wijst op de volgende omstandigheden:

  • -

    De verwarmingsinstallatie behoort niet tot het gehuurde en is door de huurder zelf aangebracht. ASR had daarover geen zeggenschap.

  • -

    De saneringswerkzaamheden voor het verwijderen van de asbest zijn in goede samenspraak met de huurders opgesteld. Bij het opstellen van de allonge op de huurovereenkomst heeft The Society Shop ook geen opmerkingen dan wel een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de verdere schade, of aanspraak gemaakt op een aanvullende vergoeding.

  • -

    ASR heeft geen bemoeienis gehad met het uitvoeren van de saneringswerkzaamheden en daarvoor gespecialiseerde bedrijven ingeschakeld.

  • -

    Er was sprake van asbestsaneringsgebied. Alleen onder asbestcondities kon de ruimte betreden worden. Het stond ASR dus niet vrij om te bezien op welke wijze de werkzaamheden werden uitgevoerd, wat de voortgang van de werkzaamheden was of in hoeverre een situatie is gecreëerd door de saneerder dat buitenlucht kon toetreden tot de zolder.

4.8.

De rechtbank overweegt het volgende. Niet in geschil is dat tussen ASR en The Society Shop een contractuele relatie bestaat. The Society Shop huurt de winkelruimte aan [adres] van ASR. Aegon c.s. beroept zich echter niet op het tekortschieten van ASR in de nakoming van haar verplichtingen uit deze huurovereenkomst. Volgens haar speelt de huurovereenkomst in deze zaak juist geen rol omdat de leiding die is gesprongen geen onderdeel uitmaakt van het door The Society Shop gehuurde gedeelte van het pand aan [adres] . Dat het pand aan [adres] één bouwkundig geheel is, en ASR verhuurder van gehele pand, maakt dat volgens Aegon c.s. niet anders. Hetgeen door Aegon c.s. aan haar vordering ten grondslag wordt gelegd is onrechtmatig handelen van ASR in haar hoedanigheid van eigenaar van het pand aan [adres] te [vestigingsplaats] . Geoordeeld wordt dat het Aegon c.s. vrij staat om op deze wijze te procederen. De contractuele relatie tussen partijen met betrekking tot het pand aan [adres] staat er niet aan in de weg dat er ruimte is voor een zelfstandige vordering uit hoofde van onrechtmatige daad vanwege een doen of nalaten van ASR als eigenaar van ook het andere gedeelte van het pand.

4.9.

Daarmee komt de vraag aan de orde of ASR uit hoofde van een zelfstandige onrechtmatige daad ingevolge artikel 6:162 BW jegens Aegon c.s. aansprakelijk is voor schade die bij het uitvoeren van de asbestsanering aan de eigendommen van The Society Shop zijn toegebracht.

4.10.

Bij het beoordelen van deze vraag neemt de rechtbank in aanmerking dat gebleken is dat ASR vanwege blootstellingsrisico aan asbest gehouden was om op korte termijn de asbestsanering in het pand aan [adres] uit te laten voeren. Verder is van belang de wijze waarop ASR tot het uitvoeren hiervan is overgegaan. Gebleken is dat ASR er voor heeft gekozen om twee bedrijven in te schakelen waarvan onweersproken is dat deze een goede naam hebben op het gebied van asbestverwijdering en dat ASR zelf niet actief betrokken was bij de werkzaamheden. Er is door Grontmij Nederland B.V. een Plan van Aanpak d.d. 12 januari 2012 opgesteld waaruit blijkt dat het op de weg van de beide bedrijven lag om de voorgestane aanpak van de asbest(sanering)werkzaamheden uit te werken, en daarbij de humane risico’s (zowel arbeidshygiënisch als de risico’s voor de bewoners/gebruikers) tot een minimum te beperken. Onder deze omstandigheden mocht ASR er naar het oordeel van de rechtbank op vertrouwen dat de deskundigen voldoende kennis hadden van de risico’s die de asbestsanering met zich brengt en dat zij passende maatregelen zouden treffen om de risico’s van het ontstaan van schade door de uit te voeren werkzaamheden tot het minimum te beperken. Dit betekent dat van ASR niet verwacht kon worden dat zij vanwege de intredende kou met de deskundigen in overleg zou treden over te nemen maatregelen, zoals bijvoorbeeld het (tijdelijk) aftappen van de leidingen, dan wel het verwarmen van de ruimtes. De conclusie is dan ook dat, gezien deze omstandigheden, niet kan worden aangenomen dat sprake is van een onrechtmatig handelen door ASR.

4.11.

Het gevorderde komt reeds op grond van het voorgaande niet voor toewijzing in aanmerking. De overige stellingen van partijen behoeven geen nadere bespreking.

4.12.

Aegon c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 7.903,00

4.13.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

4.14.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Aegon c.s. in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op € 7.903,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Aegon c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Aegon c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.1

1 type: HH (4182) coll: